ECLI:NL:GHARL:2026:3513

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.361.480
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 7 Verordening (EU) nr. 2019/1111Art. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming verhuizing moeder met kinderen en beperkte informatieregeling

De zaak betreft een geschil tussen ouders met gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen, waarbij de moeder toestemming verzocht om met de kinderen te verhuizen. De rechtbank had dit verzoek toegewezen, maar de vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht tevens om een informatieregeling.

Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en sluit zich aan bij de rechtbank dat de verhuizing in het belang van de kinderen is. De moeder en kinderen verblijven sinds november 2024 in een opvang vanwege het gedrag van de vader, die de moeder stalkte, bedreigde en mishandelde. Er zijn ook beschuldigingen van seksueel misbruik jegens de vader, die hij ontkent, maar het hof hecht meer waarde aan het verslag van de huisarts.

De vader betwist meerdere punten, waaronder stalking, bedreiging, noodzaak van de verhuizing en voorbereiding daarvan. Het hof oordeelt dat de verhuizing noodzakelijk en voldoende doordacht is, mede omdat de kinderen zich nu veiliger voelen en geen contact wensen met de vader. De raad voor de kinderbescherming adviseerde geen toestemming, maar het hof gaat hieraan voorbij.

Ten aanzien van de informatieregeling wijst het hof het verzoek van de vader af om uitgebreide informatie en foto's te ontvangen, vanwege de veiligheidsoverwegingen. Wel wordt een beperkte regeling vastgesteld waarbij de moeder elk kwartaal algemene informatie over de kinderen verstrekt via de gecertificeerde instelling of een andere organisatie.

De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, de informatieregeling wordt vastgesteld, en de proceskosten in hoger beroep worden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en stelt een beperkte informatieregeling vast ten gunste van de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.480
zaaknummer rechtbank Overijssel 333713
beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R. Neurink
en
[verweerster](de moeder)
die woont op een geheim adres
advocaat: mr. M.H. van der Linden
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo (O)

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 14 augustus 2025, uitgesproken onder zaaknummer 333713 (de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 13 november 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Neurink van 16 april 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht van mr. Neurink van 24 april 2026 met bijlage;
- een journaalbericht van mr. Van der Linden van 24 april 2026 met bijlagen;
- een brief van de GI van 30 maart 2026 en
- de pleitaantekeningen van mr. Neurink.
2.2
[minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 20 april 2026 afzonderlijk van elkaar gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van (de toestemming voor) de verhuizing en de door de vader verzochte informatieregeling.
2.3
De zitting bij het hof was op 28 april 2026. Aanwezig waren partijen met hun advocaten. Verder was aanwezig een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) en de ambulant begeleider van de vader.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie gehad die in 2016 is geëindigd. Zij zijn de ouders van
- [minderjarige1] ( [minderjarige1] ), geboren [in] 2012, en
- [minderjarige2] ( [minderjarige2] ), geboren [in] 2015,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
De kinderen zijn op 2 juni 2025 onder toezicht gesteld van de GI tot 2 juni 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen de ouders is in geschil de (vervangende toestemming voor) verhuizing van de moeder met de kinderen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om met de kinderen vanuit [plaats] naar [provincie] te verhuizen toegewezen.
4.2
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof het verzoek van de moeder alsnog af te wijzen en, voor het geval het hof de bestreden beschikking bekrachtigt, een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder hem elke eerste van de maand over belangrijke gebeurtenissen over de kinderen informatie verstrekt en een foto van de kinderen toestuurt.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming voor verhuizing te verlenen kan worden toegewezen. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft (wordt bekrachtigd). Het hof legt hierna uit waarom.
5.2
Eerst overweegt het hof (ambtshalve) dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak op grond van artikel 7 van Pro de Verordening (EU) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter), omdat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5.3
In artikel 1:253a BW staat dat geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Het hof moet in een geschil als dit, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast zijn en er een verschil van mening bestaat over de verhuizing van een verzorgende ouder samen met de kinderen, een zodanige beslissing nemen als het hof in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.4
De vader kan zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank. Hij betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan stalking en bedreiging van de moeder (grief 1). Hij weerspreekt de beschuldigingen dat sprake is geweest van seksueel misbruik van [minderjarige1] (grief 2). Ook betwist hij dat de moeder en de kinderen in constante angst hebben geleefd; volgens hem was er geen noodzaak voor een verblijf van de moeder in een woning van [hulpverleningsorganisatie] vanwege huiselijk geweld (grief 3). Verder verzet hij zich tegen verhuizing van de moeder en de kinderen naar het westen van het land, omdat daarmee de afronding van de ondertoezichtstelling en de onderzoeken vertraging oplopen (grief 4) en omdat de moeder daar geen vrienden of familie heeft en weinig kans op werk maakt (grief 5).
Tenslotte voert hij aan dat er geen noodzaak bestaat voor een verhuizing (grief 6), de verhuizing onvoldoende is voorbereid en doordacht (grief 7) en dat de rechtbank ten onrechte de moeder vervangende toestemming heeft verleend voor de verhuizing (grief 8).
5.5
Het hof verwijst naar de beslissing van de rechtbank, sluit zich aan bij de motivering daarvan (met name die in r.o. 6.6 en 6.7) en neemt die na eigen onderzoek over. Kort gezegd is van doorslaggevend belang dat de moeder met de kinderen sinds november 2024 in de opvang van [hulpverleningsorganisatie] (voor slachtoffers van huiselijk geweld) heeft verbleven en ook daarvoor een periode. De reden voor dit verblijf was gelegen in het gedrag van de vader, die
sinds het einde van de relatie in 2016 de moeder heeft gestalkt en bedreigd. Nadat de vader de moeder heeft mishandeld in haar woning op de verjaardag van [minderjarige2] [in] 2022 is er geen contact meer tussen de vader en de kinderen. Daarnaast zijn er beschuldigingen geuit jegens de vader van seksueel misbruik van [minderjarige1] . De vader ontkent de beschuldigingen, maar in het dossier bevindt zich een verslag van de huisarts van het gesprek met [minderjarige1] over het misbruik en de klachten van [minderjarige1] waar het hof grotere waarde aan toekent dan aan de enkele ontkenning door de vader. Het is evident dat de situatie van verblijf in de opvang in het belang van de kinderen moet worden doorbroken, ook omdat de moeder en de kinderen in [plaats] in constante angst leven. Dat niet alle onderzoeken in het kader van de ondertoezichtstelling van de kinderen zijn afgerond, kan geen reden zijn voor een langer verblijf bij [hulpverleningsorganisatie] . Die onderzoeken kunnen ook in de omgeving van de nieuwe woonplaats worden gedaan met overdracht van de ondertoezichtstelling aan een andere GI.
5.6
Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. Op de zitting heeft de raad het advies gehandhaafd om geen toestemming te verlenen, maar het hof zal daaraan voorbijgaan aangezien er tijdens een periode van drie jaren waarin de ouders niet ver van elkaar vandaan woonden ook geen contact tussen de vader en de kinderen heeft bestaan. De vader heeft toen geen verzoek ingediend tot contact(herstel) met de kinderen. Ook kan de ondertoezichtstelling worden overgenomen door een GI ter plaatse en kan aldaar de nodige hulpverlening aan de kinderen en de moeder worden geboden. Door de afstand te vergroten voelen de kinderen zich in ieder geval vrijer en komen zij toe aan het ondernemen van activiteiten buitenshuis, waaronder school en andere activiteiten, die als leeftijdsadequaat beschouwd kunnen worden. Ook weegt het hof mee dat vaststaat dat de vader (na een klacht van de moeder wegens niet-vervolgen op grond van artikel 12 Sv Pro) onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur wegens mishandeling van de moeder [in] 2022. Desondanks zegt de vader in hoger beroep daarover dat hij wilde weglopen, maar werd aangevallen door de moeder en dat hij zich probeerde te verdedigen als gevolg waarvan de moeder op de grond is gevallen. Verder blijft de vader ontkennen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan stalking en bedreiging, maar hij heeft onder andere ter zitting wel erkend dat hij één keer over de schutting van moeder is geklommen (omdat hij had gehoord dat een voor hem onbekende man in de woning was en de deur niet voor hem open werd gedaan). Dat de vader niet begrijpt hoe beangstigend zijn gedrag moet zijn geweest voor de moeder en de kinderen getuigt van weinig zelfinzicht en besef van wat voor impact dat heeft. Uit een behandelplan van [naam] van 5 september 2025 komt ook naar voren dat inzet van traumagerichte behandeling, mogelijk intensief en kortdurend (Intensieve Traumabehandeling) voor in ieder geval [minderjarige1] en mogelijk ook voor [minderjarige2] en de moeder geïndiceerd is.
De kinderen hebben in hoger beroep aan het hof verteld dat zij nu prettig wonen en geen angst meer hebben om naar buiten en naar school te gaan, wat zij vóór de verhuizing niet durfden. Ook willen zij geen van beiden contact met de vader.
5.7
Op grond van het voorgaande is de noodzaak voor de verhuizing gegeven en is deze ook voldoende voorbereid en doordacht. De vader heeft in hoger beroep geen (nieuwe) feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot een ander oordeel.
De beslissing van de rechtbank zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.8
Omdat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd, ligt het verzoek voor van de vader om een informatieregeling vast te stellen. De moeder verweert zich tegen dat verzoek, omdat de vader bekend is met stalking en mishandeling en hij uit door de moeder te geven informatie zou kunnen afleiden waar zij en de kinderen wonen.
Het hof vindt de zorgen van de moeder begrijpelijk en zal daarom een beperkte informatieregeling vaststellen, waarbij de moeder de vader elk kwartaal schriftelijk of per e-mail informatie (bijvoorbeeld via de GI of een andere organisatie) algemene informatie verstrekt over de kinderen en over belangrijke gebeurtenissen in hun leven. Het hof zal de moeder niet verplichten foto’s van de kinderen naar de vader te sturen.

6.De slotsom

6.1
De verzoeken van de vader worden afgewezen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd en worden aangevuld als volgt.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, omdat de procedure over de kinderen van partijen gaat.
6.3
Met [minderjarige1] en [minderjarige2] is afgesproken dat zij een brief krijgen waarin de beslissing van het hof wordt verteld.

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 14 augustus 2025;
vult die beschikking aan als volgt:
stelt als informatieregeling vast dat de moeder de vader eens per kwartaal schriftelijk per e-mail of per post (via de GI of een andere organisatie) algemene informatie verstrekt over de kinderen en over belangrijke gebeurtenissen in hun leven;
verklaart deze beschikking ten aanzien van de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 2 juni 2026 uitgesproken in het openbaar.