Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3505

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
21-001747-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 27 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter bevestigd waarbij verdachte werd veroordeeld voor twee feiten van mishandeling. De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van 17 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 40 uur. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht.

De verdediging voerde een beroep op noodweer aan, stellende dat verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de benadeelden. Het hof verwierp dit verweer omdat geen sprake was van een dergelijke aanranding en het handelen van verdachte als aanvallend werd beoordeeld. Het hof baseerde zich op bewijsmiddelen waaronder verklaringen van de benadeelden en beeldmateriaal, dat niet gemanipuleerd bleek.

Daarnaast werden vorderingen van immateriële schadevergoeding van respectievelijk € 200 en € 300 aan de benadeelden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 september 2023. Materiële schadevorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof nam ook het strafblad van verdachte mee in de strafoplegging en achtte de opgelegde straf passend en geboden.

Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 17 dagen gevangenisstraf, waarvan 14 voorwaardelijk, en een taakstraf van 40 uur met toewijzing van immateriële schadevergoedingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001747-24
Uitspraakdatum: 1 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2024 met parketnummer 08-240250-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 18 mei 2026 en het onderzoek op de zitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor een bedrag van € 200,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en veroordeling in de proceskosten. Niet-ontvankelijkverklaring van de overige gevorderde immateriële schade en afwijzing van de gevorderde materiële schade;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en veroordeling in de proceskosten. Niet-ontvankelijkverklaring van de overige gevorderde immateriële schade.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.H. Rump, hebben aangevoerd en van wat mevrouw [naam] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 12 april 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld ter zake van de twee tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de politierechter een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis opgelegd.
Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 200,00 euro aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, veroordeling in de proceskosten en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde € 70,00 aan materiële schade heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Tevens heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, veroordeling in de proceskosten en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan die van de politierechter. Het hof verenigt zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, en met dien verstande dat het hof tot een andere bewijsconstructie komt en met uitzondering van de overweging van de politierechter in het kader van de strafbaarheid van verdachte naar aanleiding van het beroep op noodweer. Het hof zal de overwegingen over bewijs en strafoplegging aanvullen. Het vonnis zal daarom met verbetering en aanvulling van gronden worden bevestigd.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof sluit zich aan bij de bewijsmiddelen op grond waarvan de politierechter heeft beslist, met uitzondering van de eigen waarneming ter zitting van de politierechter die het hof niet voor het bewijs zal gebruiken.
De raadsvrouw heeft ter zitting bij het hof vrijspraak bepleit ter zake van beide tenlastegelegde feiten. Zij heeft onder meer aangevoerd dat uitgaande van het verhaal van verdachte hij aangevers niet heeft geraakt. Dit verweer wordt weersproken door de bewijsmiddelen.
Beroep op noodweer
In plaats van de overweging van de politierechter in het kader van de strafbaarheid van de verdachte, overweegt het hof ten aanzien van dat verweer in het kader van de bewijsvraag als volgt.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ter zake beide tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, aangezien aangever [benadeelde 1] en aangeefster [benadeelde 2] op hem afkwamen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer van verdachte dient te worden verworpen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is ingevolge artikel 41, eerste lid, Sr vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door beide aangevers, zichzelf noodzakelijk heeft verdedigd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het hof acht de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht, namelijk dat aangever [benadeelde 1] de tas in zijn hand op de grond zou hebben gezet en met een snelle, dreigende pas op verdachte af zou zijn komen lopen, niet aannemelijk geworden. Ook de door verdachte gestelde omstandigheid dat het in het dossier opgenomen beeldmateriaal gemanipuleerd zou zijn, waardoor niet te zien is dat aangever [benadeelde 1] op verdachte afkwam en dat verdachte omringd was door andere personen waardoor hij niet weg kon lopen, is niet aannemelijk geworden. Het hof ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het beeldmateriaal bewerkt is. De door verdachte en de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van aangevers die ondersteuning vinden in de beschrijving van de beelden, op grond waarvan het hof vaststelt dat het verdachte is die (al dan niet na een onwelgevallige opmerking van aangevers) richting aangevers is gelopen en als eerste geweldshandelingen heeft verricht. Het hof ziet het handelen van verdachte als aanvallend, gericht op een confrontatie met aangevers.
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het beroep op noodweer. Het hof acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 tenlastegelegde mishandelingen.

Aanvullende overwegingen ten aanzien van de strafoplegging

De raadsvrouw van verdachte heeft in hoger beroep geen strafmaatverweren gevoerd.
In aanvulling op de overwegingen van de politierechter met betrekking tot de strafoplegging overweegt het hof dat uit het strafblad van verdachte van 15 april 2026 is gebleken dat verdachte ook na het vonnis van de politierechter is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof heeft dit in het licht van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht in aanmerking genomen.
Alles overwegende acht het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
17 (zeventien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
14 (veertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 september 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 september 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. A.F. van Kooij en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juni 2026.