Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3422

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
26/271 t/m 26/275
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:108 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen navorderingsaanslagen en boeten

Belanghebbende heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2008 tot en met 2012 ontvangen, inclusief heffingsrente en vergrijpboeten. De Inspecteur heeft bezwaar ongegrond verklaard, waarna belanghebbende in beroep ging bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde de vergrijpboeten wegens onvoldoende bewijs, maar handhaafde de navorderingsaanslagen.

Belanghebbende stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om de aanslagen, rente en boeten te schorsen. Het Gerechtshof behandelde het verzoek en hield een digitale zitting waarbij partijen werden gehoord.

De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zich geen spoedeisendheid oplevert en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat ernstige en onomkeerbare gevolgen zouden optreden zonder voorlopige voorziening. Daarnaast is de bestuursrechter niet bevoegd om te oordelen over de grieven tegen de invorderingsmaatregelen, die voor de civiele rechter zijn bestemd.

Gelet op de eerdere uitspraak van de rechtbank is ook niet evident dat de aanslagen en boeten onrechtmatig zijn opgelegd. Daarom is het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen navorderingsaanslagen, heffingsrente en vergrijpboeten is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisendheid en bevoegdheidsbeperkingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem
nummers BK-ARN 26/271 tot en met BK-ARN 26/275
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht(hierna: de Awb)
op het verzoek van
[belanghebbende]te
[buitenlandse woonplaats](hierna: belanghebbende)
tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot de hierna te vermelden belastingaanslagen en beschikkingen, die zijn vastgesteld door
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2008 tot en met 2012 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tegelijk met deze belastingaanslagen heeft de Inspecteur bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht, alsmede vergrijpboeten opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 november 2025 het beroep alleen wat betreft de vergrijpboeten gegrond verklaard, de vergrijpboeten vernietigd en de navorderingsaanslagen gehandhaafd. Ook heeft de Rechtbank vergoedingen voor proceskosten, immateriële schade en griffierecht vastgesteld.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft belanghebbende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De Inspecteur heeft hierop gereageerd.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig en gezamenlijk met het onderzoek in de zaken BK-ARN 26/264 tot en met 26/268 van [belanghebbende2] plaatsgevonden op digitale wijze op 12 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot, en namens de Inspecteur [naam1] , bijgestaan door [naam2] .
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende woonde in de jaren 2008 tot en met 2012 in Nederland en is de fiscale partner van [belanghebbende2] .
2.2.
De navorderingsaanslagen voor de jaren 2008 tot en met 2012 zijn op 19 juni 2020 (jaren 2008, 2009, 2011 en 2012) en op 20 oktober 2020 (jaar 2010) opgelegd, met vergrijpboeten en beschikkingen heffingsrente. De beschikkingen betreffen de volgende bedragen:
2008 2009 2010 2011 2012
Bel. inkomen box 1 € 51.636 € 22.756 € 41.537 € 52.109 € 60.144
Bel. inkomen box 2 € 50.000 € 6.000 € - € 100.000 € 100.000
Bel. inkomen box 3 € 273 € 1.098 € - € - € -
Heffingsrente € 5.267 € 560 € 1.776 € 11.152 € 10.720
Boeten € 12.500 € 1.500 € 5.452 € 34.941 € 39.298
2.3.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 november 2025 de navorderingsaanslagen in stand gelaten nadat zij de door belanghebbende opgeworpen vragen over haar rechtsmacht, over de op de zaak betrekking hebbende stukken, over de rechtmatigheid van het verkregen bewijs en over de voorwaarden voor het opleggen van de navorderingsaanslagen had beantwoord. De vergrijpboeten heeft de Rechtbank wegens het niet voldoen door de Inspecteur aan zijn bewijslast vernietigd. Op diezelfde dag heeft de Rechtbank ook uitspraak gedaan ten aanzien van de partner van belanghebbende. Die uitspraak betreft de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen, eveneens voor de jaren 2008 tot en met 2012, waarbij ook beschikkingen heffingsrente en boeten zijn opgelegd.
2.4.
Op 13 maart 2026 heeft de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Ontvanger) aan de partner van belanghebbende op de voet van artikel 10, lid 1, letter d en artikel 15 van Pro de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) een akte van betekening van een dwangbevel en een bevel tot betaling uitgereikt. Deze akte heeft belanghebbende bij haar verzoek om een voorlopige voorziening gevoegd en betreft onder meer de aan haar partner opgelegde navorderingsaanslagen voor de jaren 2008 tot en met 2012 en de daarbij opgelegde vergrijpboeten en beschikkingen heffingsrente.

3.Het verzoek

Belanghebbende verzoekt de belastingaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de vergrijpboeten te schorsen. Daartoe voert zij - samengevat - aan dat de Ontvanger niet bevoegd is te [buitenlandse woonplaats] , dat hoogte van de belastingaanslagen evident onjuist is en zij niet in staat is de gevorderde bedragen te betalen.

4.Beoordeling van het verzoek

4.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb in verbinding met het bepaalde in artikel 8:108 van Pro de Awb, kan de voorzieningenrechter van het Hof dat bevoegd is in de hoofdzaak (het connexiteitsvereiste) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Belanghebbende verzoekt om een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep. Dit betekent dat aan het connexiteitsvereiste alleen wat betreft de onder 2.2 vermelde beschikkingen is voldaan. Het verzoek om voorlopige voorziening ter zake van andere belastingaanslagen neemt de voorzieningenrechter niet in behandeling.
4.3.
Wat de spoedeisendheid betreft stelt de voorzieningenrechter voorop dat een financieel belang op zichzelf geen reden is een voorlopige voorziening te treffen. Van spoedeisendheid is alleen sprake als ernstige en onomkeerbare gevolgen dreigen op te treden bij het uitblijven van een voorlopige voorziening. De bewijslast daarvan rust op belanghebbende. Aan die bewijslast heeft belanghebbende niet voldaan, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat het gelet op de samenhang van procedure van de partner van belanghebbende met haar procedure het in de rede ligt dat binnenkort ook aan belanghebbende een akte van betekening van een dwangbevel en een bevel tot betaling wordt uitgereikt. De door belanghebbende gestelde onzekerheid van wanneer en waarop de Ontvanger invorderingsmaatregelingen gaat treffen vormt geen grond voor spoedeisendheid. Belanghebbende kan in een verzetsprocedure bij de civiele rechter zich verweren tegen eventuele invorderingsmaatregelingen van de Ontvanger. Daarin kan belanghebbende ook de door haar gestelde onbevoegdheid van de Ontvanger en de vraag of de Ontvanger handelt binnen de waarborgen van het internationale recht aan de orde stellen. De voorzieningenrechter, hier bestuursrechter, is niet bevoegd de door belanghebbende opgeworpen grieven te beoordelen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:5 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, opgenomen in bijlage 2 bij de Awb, kan namelijk geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de IW, met uitzondering van de hier niet aan de orde zijnde artikelen 30, 49 en 62a. Ter zake van een eventuele afwijzing van een verzoek om uitstel van betaling is de bestuursrechter, afgezien van de uitzonderingen bedoeld in artikel 1b, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling IW, waarvan niet gebleken is dat die hier aan de orde zijn, evenmin bevoegd. De grieven die belanghebbende in de onderhavige procedure opwerpt, moeten voorgelegd worden in een procedure voor de burgerlijke rechter, de bevoegde rechter in invorderingskwesties; een procedure waarin de Ontvanger zich als partij kan verweren tegen de stellingen van belanghebbende.
4.4.
Gelet op de uitspraak van de Rechtbank is evenmin evident dat de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de vergrijpboeten lichtvaardig of onrechtmatig zijn opgelegd. Ook hierom ontbreekt een reden voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening van schorsing van de belastingaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boeten.
SlotsomDe voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

5.Griffierecht en proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.