Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3402

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
21-004474-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis en niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vrijspraak inbraak

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 april 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 oktober 2025. Verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit, namelijk inbraak in een woning. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor zover het hoger beroep gericht was tegen deze vrijspraak, omdat tegen een vrijspraak geen hoger beroep mogelijk is.

Voor de overige tenlastegelegde feiten onder 1, 2 en 4 bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. Verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest had doorgebracht. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen.

De tenuitvoerlegging van eerdere vorderingen werd deels afgewezen en deels toegewezen, waarbij de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden met parketnummer 21-003652-22 werd gelast. De verdediging verzocht om in plaats van tenuitvoerlegging een opnameverplichting als bijzondere voorwaarde op te leggen, maar het hof zag hier geen aanleiding toe. Het hof oordeelde dat de rechtbank op juiste wijze had beslist en bevestigde het vonnis in zijn geheel.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de vrijspraak van inbraak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004474-25
Uitspraakdatum: 17 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 23 oktober 2025 met parketnummer 18-215298-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 18-137262-20, 18-193674-21, 21-003652-22, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven maar niet verblijvende te [adres] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 17 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bevestiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 4 primair tenlastegelegde feiten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] conform de beslissing van de rechtbank;
  • niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de parketnummers 18-137262-20 en 18-193674-21;
  • toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21-003652-22 van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Het hof heeft kennisgenomen van wat door de raadsvrouw van verdachte, mr. F. Luinstra, is aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat door de heer [naam] , Reclasseringswerker van verdachte, naar voren is gebracht.
Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van feit 3 (inbraak in een woning). Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Tegen een beslissing tot vrijspraak kan verdachte geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 oktober 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 4 primair tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] geheel toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ten slotte heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-137262-20 en parketnummer 18-193674-21. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging gelast van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren d.d. 9 februari 2023 onder parketnummer
21-003652-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Door de verdediging is aangevoerd dat geen bezwaren bestaan tegen de bewezenverklaring, noch tegen de opgelegde straf, die verdachte heeft uitgezeten. Het hoger beroep richt zich enkel tegen de toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21-003652-22. De verdediging heeft verzocht niet de tenuitvoerlegging te bevelen, maar een opnameverplichting als bijzondere voorwaarde op te nemen nu verdachte bereid lijkt hieraan mee te werken. Subsidiair is verzocht de tenuitvoerlegging af te wijzen omdat dit mogelijk een behandeling in de weg kan staan.
De advocaat-generaal heeft meegedeeld dat uit de registraties van het openbaar ministerie blijkt dat de proeftijd inmiddels is afgelopen en aanpassing van de voorwaarden niet aan de orde kan zijn. Ook overigens is er geen reden om nu niet de tenuitvoerlegging te bevelen.
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Noord-Nederland op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft aangenomen. In hetgeen is aangevoerd over de tenuitvoerlegging van de zaak met parketnummer 21-003652-22 ziet het hof onder de gegeven omstandigheden geen redenen anders te beslissen dan de rechtbank. Het hof bevestigt daarom het vonnis.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. L.J. Hofstra en mr. M.C. Fuhler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 april 2026.