De kinderrechter in Midden-Nederland heeft de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen verlengd tot 31 december 2026. De moeder is tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van de jongste minderjarige in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting gehouden waarbij ook de minderjarige haar mening heeft gegeven.
Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden omdat de jongste minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Deze bedreiging wordt vooral veroorzaakt door spanningen en conflicten tussen de ouders, wat leidt tot loyaliteitsproblematiek bij het kind. De noodzakelijke hulpverlening is nog onvoldoende op gang gekomen, mede door vertragingen bij de gemeente in het verstrekken van financieringsbeschikkingen.
De moeder stelt dat geen derde partij nodig is en dat zij zelf met de vader de situatie kan regelen, maar het hof acht het probleembesef bij haar onvoldoende en concludeert dat vrijwillige hulpverlening niet toereikend is. De vader bevestigt dat de positieve ontwikkelingen vooral dankzij de inzet van de gecertificeerde instelling zijn gerealiseerd. Daarom blijft het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling en betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk zijn en bekrachtigt het de beslissing van de kinderrechter.