Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3368

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
21-003115-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijspraak en niet-ontvankelijkheid OM in hoger beroep verkeersongeval met letsel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, waarin verdachte was vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, waaronder het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel en het verlaten van de plaats van het ongeval.

De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat verdachte wel schuldig was aan de feiten en baseerde dit onder meer op DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Verdachte voerde aan dat hij niet de bestuurder was en dat zijn DNA op de bestuurdersairbag verklaard kon worden door de impact van de botsing en zijn positie in de auto.

Het hof oordeelde dat het aanvullend DNA-onderzoek geen nieuwe inzichten gaf die de overtuiging konden vormen dat verdachte de bestuurder was. De aanwezigheid van DNA-sporen van een onbekende persoon op de airbag liet ruimte voor twijfel. Daarom bevestigde het hof de vrijspraak van de rechtbank. Tevens verklaarde het hof het OM niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het feit van valse aangifte wegens het ontbreken van bezwaren.

Uitkomst: Het hof bevestigt de vrijspraak van verdachte en verklaart het OM niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het feit van valse aangifte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003115-24
Uitspraakdatum: 27 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 11 juli 2024 met parketnummer 16-277059-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 23 juni 2025, 6 januari en 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in het hoger beroep ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de aan hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar;
  • het voorwaardelijk ontzeggen aan verdachte van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 1 jaar.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte is aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat er geen bezwaren meer bestaan tegen de vrijspraak ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde. Het hof ziet geen redenen die ambtshalve behandeling van het onder 4 ten laste gelegde rechtvaardigen. Om die reden zal het hof het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde, wegens het ontbreken van bezwaren, niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 11 juli 2024, verdachte vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Midden-Nederland op juiste wijze heeft beslist. Gelet op hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht zal het hof de gronden van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland aanvullen.

Aanvulling op het vonnis

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daartoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit de NFI-rapportages duidelijk wordt dat verdachte achter het stuur heeft gezeten van de auto, dat hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij tweemaal de plaats van een ongeval heeft verlaten. Uit het aanvullend rapport van 25 juli 2025 zou naar voren komen dat alle bemonsterde sporen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig zijn van verdachte. Gezien de drie plekken op de airbag van de bestuurder waar dat DNA is aangetroffen, onder andere middenin de airbag, kan het niet anders dan dat verdachte de bestuurder was ten tijde van het ongeval.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat hij niet achter het stuur heeft gezeten. Dat zijn DNA op de bestuurdersairbag terecht is gekomen, zou kunnen worden verklaard doordat de impact van de botsing groot was, hij op de passagiersstoel zat en één of twee verwonding(en) aan zijn gezicht had en hij mogelijk via de bestuurderskant uit de auto wist te komen. Verdachte kan zich alleen nog de klap herinneren. Verdachte heeft ook naar voren gebracht dat hij wel eens in de auto, die van zijn vader was, reed. Daarnaast heeft verdachte aangevoerd dat het nieuwe NFI-rapport geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het eerdere NFI-rapport.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting – evenals de rechtbank Midden-Nederland – niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Om die reden kan het vonnis van de rechtbank worden bevestigd. Ter aanvulling overweegt het hof het volgende.
In het dossier bevinden zich twee NFI-rapportages. Eén rapport betreft een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 30 april 2019 en het tweede rapport van 25 juli 2025 betreft een vergelijkend DNA-onderzoek. In het voertuig, waarvan de advocaat-generaal zich op het standpunt stelt dat verdachte deze heeft bestuurd, zijn diverse sporen bemonsterd waarvan er uiteindelijk drie door het NFI nader zijn onderzocht.
Monster #01 betreft het “middendeel” van de airbag en betreft de plek waar iemand met zijn gezicht tegenaan komt als hij zit op de stoel waar de airbag uitklapt. Uit het NFI-rapport van 30 april 2019 komt naar voren dat monster #01 een DNA-mengprofiel van twee personen bevat: het DNA-hoofdprofiel van een onbekende man A en DNA-nevenkenmerken van minimaal één andere onbekende persoon.
Uit het NFI-rapport van 25 juli 2025 blijkt dat het DNA afkomstig kan zijn van verdachte (bewijskracht meer dan 1 miljard) en van minimaal één onbekende persoon. Er is een aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel, maar niet kan worden beoordeeld of de bemonstering daadwerkelijk speeksel bevat. Daarom kan niet worden beoordeeld of (een deel van) het DNA dat van verdachte kan zijn, afkomstig is van speeksel.
Het hof kan om die reden niet de conclusie trekken dat verdachte met zijn gezicht in het midden van de airbag is terecht gekomen tijdens de aanrijding, waardoor zijn DNA midden op de airbag is aangetroffen.
Monster #02 betreft een spoor dat zich rechtsboven het midden bevindt en bevat enkel en alleen DNA van verdachte (bewijskracht meer dan 1 miljard, NFI-rapport 25 juli 2025). Ook bij deze bemonstering is er een aanwijzing dat speeksel aanwezig is, maar ten aanzien van dit DNA-spoor kan evenmin worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van speeksel en dus ook niet of het gaat om speeksel van verdachte. De bemonstering kan ook epitheel of ander (huid)materiaal zijn.
Monster #03 betreft een spoor helemaal aan de middenrechterkant. Uit het NFI-rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde van 20 januari 2021 komt naar voren dat DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel #03 afkomstig kan zijn van verdachte.
In het NFI-rapport van 25 juli 2025 wordt weergegeven dat deze bemonstering DNA van minimaal één persoon bevat, namelijk verdachte (bewijskracht meer dan 1 miljard). Deze DNA-bemonstering betreft een bloedspoor. De conclusie van het NFI is dat deze bemonstering bloed bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte. Dat bloedspoor is dus wel rechtstreeks te linken aan verdachte.
Concluderend is het hof van oordeel dat het aanvullend NFI-rapport van 25 juli 2025 geen nadere inzichten verschaft ten aanzien van de door de rechtbank gebezigde motivering.
Anders dan de advocaat-generaal betoogt, kan naar het oordeel van het hof dus
nietworden vastgesteld dat bemonsteringen #01 en #02
speeksel van verdachtebetreffen.
Verdachte heeft – ook ter zitting in hoger beroep – een verklaring gegeven voor het feit dat zijn DNA-sporen op meerdere plekken op de airbag terecht zijn gekomen: hij had bloed aan zijn gezicht en hij is mogelijk via de bestuurderskant de auto uit gegaan. De resultaten van de DNA-onderzoeken door het NFI weerspreken deze verklaring van de verdachte niet.
De resultaten van het DNA onderzoek sluiten bovendien niet zonder redelijke twijfel uit dat speeksel van de onbekend gebleven persoon op het middendeel (monster #01) van de bestuurdersairbag terechtgekomen is en dat dus die onbekend gebleven bestuurder (mede) donor van de aangetroffen DNA-sporen was.

BESLISSING

Het hof:
Verklaartde officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, mr. C.H. Zuur en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.