Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3348

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
21-002481-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 6:101 BWArt. 6:106 BWArt. 9 SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling na geweldsincident in binnenstad

Op 25 februari 2024 vond in de binnenstad van een plaats een geweldsincident plaats waarbij verdachte meerdere keren met een gebalde vuist het slachtoffer in het gezicht en op het hoofd sloeg. Het slachtoffer liep ernstig letsel op, waaronder aangezichtsbreuken, bloedingen en een hersenschudding, en raakte buiten bewustzijn.

De politierechter sprak verdachte vrij van openlijke geweldpleging wegens het ontbreken van nauwe samenwerking en een geslaagd beroep op noodweer. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat verdachte wel schuldig is aan poging tot zware mishandeling. Het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer werd verworpen omdat verdachte zelf de agressor was en er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding was.

Het hof legde een taakstraf van 100 uren op, subsidiair 50 dagen hechtenis. Tevens werd een schadevergoeding van €3.120,87 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, waarbij verdachte en medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn. De vordering voor parkeer- en reiskosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de schadebeperkingsplicht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur taakstraf voor poging tot zware mishandeling met toewijzing van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002481-25
Uitspraakdatum: 27 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 20 mei 2025 met parketnummer 18-192258-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • vrijspraak van verdachte van openlijke geweldpleging;
  • bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling;
  • veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis;
  • hoofdelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, en de benadeelde partij, [benadeelde] , hebben aangevoerd.

Vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 20 mei 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het aan hem primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, waarbij ten aanzien van het meer subsidiaire is vrijgesproken wegens een geslaagd beroep op noodweer. Verder heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , openlijk, te weten, in de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , door die [benadeelde] :
- meermalen, althans eenmaal, bij/aan de kleding en/of het lichaam vast te pakken en/of te trekken en/of vastgepakt te houden en/of getrokken te houden en/of (vervolgens) naar de grond te duwen en/of geduwd te houden en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere vuisten, dan wel handen, en/of een voorwerp in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;
subsidiair
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere vuisten, dan wel handen in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] :
- meermalen, althans eenmaal, bij/aan de kleding en/of het lichaam vast te pakken en/of te trekken en/of vastgepakt te houden en/of getrokken te houden en/of (vervolgens) naar de grond te duwen en/of geduwd te houden en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere vuisten, dan wel handen in het gezicht en/of op het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging en dat de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op de zitting van het hof bepleit dat vrijspraak moet volgen van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij ten aanzien van het primair tenlastegelegde aangevoerd dat de voor openlijke geweldpleging vereiste nauwe en bewuste samenwerking (‘in vereniging’) ontbreekt. Met betrekking tot de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsman aangevoerd dat de geweldshandelingen van verdachte niet van dien aard waren dat hierdoor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven is geroepen.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden [1]
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 25 februari 2024, omstreeks 06:00 uur, krijgt de politie een melding van een mishandeling in de [locatie] in [plaats] . [2]
De politie heeft de camerabeelden van de gemeente [plaats] , geplaatst in de [straat 1] met zicht op de [locatie] , bekeken en als volgt beschreven. Om 05:56 uur lopen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] door de [locatie] , komend vanuit de richting van de [straat 2] . Om 05:57 lopen aangever en zijn vrienden vanuit de [straat 1] de [locatie] in. Nadat de groepen elkaar zijn gepasseerd, draaien verdachte en medeverdachte zich om. Verdachte wijst met zijn handen meerdere malen in de richting van aangever en getuige [getuige 1] en loopt vervolgens naar hen toe. Getuige [getuige 2] gaat tussen verdachte en aangever staan en praat kennelijk met verdachte, waarop verdachte een stap achteruit doet, maar vervolgens weer op aangever afstapt. [3] Om 05:59 uur pakt verdachte aangever bij zijn trui en laat hem kort daarna weer los. Om 06:00 uur arriveert een onbekende man die meerdere malen tussen verdachte en aangever in gaat staan en verdachte probeert weg te leiden. Verdachte duwt hem van zich af en blijft gefocust op aangever en zoekt hem weer op. [4]
Het hof verstaat de door de politie in bovenbedoeld proces-verbaal genoemde tijdsaanduidingen (“
uur”) aldus, dat deze tijdsaanduidingen niet het daadwerkelijke tijdstip aangeven waarop het incident zich afspeelt, maar het moment op het filmfragment, dat in minuten wordt weergegeven. Het hof geeft de eigen waarneming hierna in dezelfde wijze van tijdsaanduiding weer.
Het hof heeft de camerabeelden op de zitting bekeken. Ten aanzien van de navolgende, door de verdediging betwiste, gang van zaken neemt het hof het volgende waar.
Op tijdsaanduiding 06:27 is te zien dat aangever zijn armen op zijn rug houdt. Op 06:28 trekt verdachte hard aan aangever, zodanig dat zij samen ten val komen. Verdachte is daarmee degene die als eerste fysiek geweld gebruikt. Op 06:30 ligt verdachte op zijn rug op de grond en de onbekende man maakt een schoppende beweging en komt ten val, terwijl verdachte op 06:32 opstaat. Verdachte lijkt aangever vast te houden en hij maakt twee slaande bewegingen in de richting van zijn hoofd. Op 06:35 maakt medeverdachte ook slaande bewegingen richting het hoofd van aangever. Op 06:46, nadat verdachte al achter iemand aan de steeg is uitgelopen, maakt medeverdachte opnieuw een slaande beweging richting aangever, waarbij zij een voorwerp in haar hand heeft. [5]
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte meerdere keren met een gebalde vuist op het hoofd van aangever sloeg. [6]
Aangever raakt buiten bewustzijn. [7] Hij wordt vervolgens met de ambulance naar het [medisch centrum] (verder: [medisch centrum] ) overgebracht. Uit het CT-onderzoek blijkt dat aangever een breuk heeft opgelopen aan de zijkant van de rechteroogkas en een breuk in de wand van de rechterbijholte. Verder is er een luchtvloeistofspiegel in de linker bijholte, passend bij een bloeding. [8] Aangever heeft tevens een wond van circa twee centimeter bovenop zijn hoofd, blauwe plekken in het gezicht en een hersenschudding. Ten tijde van zijn aangifte bevindt aangever zich nog in het [medisch centrum] , waar tevens wordt onderzocht of een kaakoperatie noodzakelijk is. [9]
Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 februari 2024 in de [locatie] in [plaats] een woordenwisseling kreeg en zich heeft verdedigd door met de vuist te slaan. [10]
Openlijke geweldpleging
Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt weliswaar dat zowel verdachte als medeverdachte geweld heeft gebruikt tegen aangever, maar niet dat zij daarbij in zodanige nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld dat van ‘in vereniging’ plegen kan worden gesproken. Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
Poging tot zware mishandeling
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte door zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte willens en wetens zo’n kans heeft aanvaard is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Aangever heeft verklaard dat hij met een volledig gebalde vuist in zijn gezicht is geslagen. [11] Zoals hiervoor vastgesteld, sloeg verdachte meerdere keren met een gebalde vuist gericht op het hoofd van aangever, terwijl aangever geen agressieve houding aannam. Het hof is van oordeel dat de kans dat door aldus te handelen – meerdere met kracht gerichte vuistslagen op het hoofd van een vastgehouden, zich niet-verwerende persoon – zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk moet worden aangemerkt. In het hoofd bevinden zich diverse kwetsbare delen, waarvan zonder meer kan worden aangenomen dat zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden veroorzaakt indien deze worden geraakt door een gebalde vuist. Daarbij komt dat het ingetreden letsel, namelijk aangezichtsbreuken, bloedingen in de holtes, een hersenschudding en het feit dat hij buiten bewustzijn is geraakt, bevestigt dat met kracht is geslagen en de kans op zwaar lichamelijk letsel door het handelen van verdachte aanmerkelijk was.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het hof is voorts van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het vrijspraakverweer ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 25 februari 2024 schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van aangever.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
subsidiair
hij op 25 februari 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen [benadeelde] meermalen met een vuist in het gezicht en op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Uit de camerabeelden blijkt duidelijk dat verdachte aangever heeft aangevallen en dat er op het moment van de eerste geweldshandeling geen enkele dreiging van de zijde van aangever was. De groep van aangever reageerde op de val die door verdachte zelf was veroorzaakt. Hoewel verdachte daarbij is geschopt, staat hij snel daarna op en is hij op dat moment vrij. Desondanks kiest verdachte ervoor om hard uit te halen naar aangever, terwijl er op dat moment geen dreiging meer bestaat. Het beroep op noodweer moet worden verworpen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op de zitting van het hof bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat ten aanzien van de tweede geweldshandeling – het van zich afslaan nadat verdachte op de grond lag – een beroep op noodweer toekomt. Op het moment dat verdachte op de grond lag, werd hij door meerdere personen belaagd en werd er op hem ingeschopt. Hij was ingesloten en had geen mogelijkheid om weg te komen. Het geweld was nog niet geweken toen hij opstond en van zich af sloeg. Voor zover het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces, nu verdachte in een verdedigingsmodus verkeerde, dan wel op putatief noodweer, nu hij heeft kunnen dwalen over wie hem op dat moment bedreigde.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat de verdedigingshandeling is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). De eerste vraag die het hof dient te beantwoorden is of op het moment waarop verdachte geweld gebruikte sprake was van een dergelijke aanranding.
Het hof overweegt dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte degene is geweest die als eerste fysiek geweld heeft gebruikt. In een situatie die tot dat moment uitsluitend verbaal van aard was, heeft verdachte aangever bij zijn trui gegrepen en hem met kracht naar zich toe getrokken. Aangever hield op dat moment zijn handen achter zijn rug en nam geen agressieve houding aan. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf was op dat moment geen sprake.
De val die vervolgens plaatsvond en de pogingen van de vrienden van aangever om verdachte van hem weg te houden, waren een rechtstreeks gevolg van het door verdachte zelf geïnitieerde fysieke geweld. Het hof kwalificeert deze gedragingen van de vrienden van aangever als het ontzetten van aangever en niet als een zelfstandige aanranding van verdachte. Ook de schoppende beweging die verdachte daarbij heeft ontvangen doet hieraan niet af: ook die was een reactie op het door verdachte veroorzaakte handgemeen. Anders dan door de raadsman aangevoerd, ziet het hof op 6:32/6:33 niet dat verdachte door een van de om hem heen staande personen wordt geslagen. Wel is op 6:31 te zien dat één van die personen de beide armen wijd gespreid in de lucht steekt, maar een slaande beweging valt hier niet uit op te maken.
Nadat verdachte was opgestaan, deelde hij onmiddellijk meerdere gerichte vuistslagen uit richting het hoofd en gezicht van aangever. Het hof is van oordeel dat deze vuistslagen aanvallend van aard waren en niet waren gericht op verdediging. Op het moment dat verdachte opstond en toesloeg was de situatie die in de lezing van verdachte aanleiding had kunnen geven voor noodweer reeds geëindigd. Verdachte was voortdurend de agressor: hij is degene die de verbale confrontatie heeft omgezet in fysiek geweld, hij is degene die aangever heeft vastgepakt en aan hem heeft getrokken, en hij is degene die onmiddellijk na het opstaan opnieuw aanvallend heeft gehandeld door te slaan. Op geen enkel moment in deze opeenvolging van gebeurtenissen bestond voor verdachte de noodzaak tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Het hof neemt aan dat er over en weer kwetsende woorden zijn geuit voorafgaand aan de fysieke confrontatie, maar dit levert evenwel geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op in de zin van artikel 41 Sr Pro en rechtvaardigt het gebruik van fysiek geweld niet.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer wordt om die reden verworpen.
Nu het beroep op noodweer reeds strandt op het ontbreken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, komt het hof niet toe aan de bespreking van de subsidiariteits- en proportionaliteitsvereisten, noch aan het subsidiaire beroep op noodweerexces.
Voor wat betreft het meest subsidiaire beroep op putatief noodweer is ter onderbouwing slechts aangevoerd dat juist de tegenpartij met meerdere personen geweld tegen verdachte uitoefende en verdachte zeer wel heeft kunnen dwalen ten aanzien van het subject dat het op hem voorzien had. Dit een en ander zou met zich brengen dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt.
Zoals hiervoor overwogen was het door ‘de groep’ jegens verdachte uitgeoefende geweld naar het oordeel van het hof bedoeld om aangever te ontzetten, nadat deze door verdachte met fysiek geweld was aangevallen. Een omstandigheid die maakt dat verdachte heeft kunnen dwalen in de aard en aanleiding van het op dat moment op hem uitgeoefende geweld is gesteld noch gebleken. De enkele verwijzing naar ‘meerdere personen’ is daartoe onvoldoende. Zonder nadere onderbouwing kan het beroep op putatief noodweer niet slagen, zodat dit verweer wordt verworpen.
Het hof concludeert dat er ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft aangever, die geen agressieve houding aannam, meerdere malen met een gebalde vuist gericht in het gezicht en op het hoofd geslagen. Aangever heeft daardoor ernstig letsel opgelopen, waaronder aangezichtsbreuken, bloedingen in de holtes en een hersenschudding. Hij is buiten bewustzijn geraakt en moest met de ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd. Door aldus te handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld veroorzaakt niet alleen pijn en letsel bij het slachtoffer, maar draagt ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het feit werd gepleegd in de binnenstad van [plaats] waar het, blijkens de beelden in het dossier, op dat moment nog behoorlijk druk was. Verdachte heeft voor zijn handelingen jegens aangever op geen enkele manier spijt betuigd. Hij lijkt te blijven hangen in de omstandigheid dat hij racistisch werd bejegend waardoor hij zich beledigd voelde. Over zijn eigen handelen en de gevolgen die dit voor zijn slachtoffer heeft gehad, lijkt hij zich in het geheel niet te bekommeren.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 13 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar neemt daarbij in aanmerking dat dit in 2014 was. De eerdere veroordeling weegt daarom niet strafverzwarend mee.
Verder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn besproken.
Alles afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 3.408,57 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 1.408,57 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft materiële schade gevorderd van in totaal € 1.408,57, bestaande uit de dagwaarde van beschadigde kleding (€ 720,99), eigen risico (€ 385,00), medicatiekosten (€ 14,88), parkeerkosten (€ 60,00) en reiskosten (€ 227,70).
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De schadepost beschadigde kleding betreft een trui en een bomberjack, die als gevolg van het incident bebloed zijn geraakt. De benadeelde partij heeft aangetoond dat pogingen om het bloed uit de kleding te wassen zijn mislukt, onderbouwd met foto’s van de bebloede kledingstukken. Het verweer van de raadsman dat bloed uitwasbaar is, wordt dan ook verworpen. Hoewel de benadeelde partij geen aankoopbonnen meer heeft, heeft hij de waarde van de kledingstukken onderbouwd aan de hand van het originele label van de trui en screenshots van vergelijkbare dan wel identieke artikelen. Beide kledingstukken waren ten tijde van het incident minder dan een jaar oud, de capuchontrui enkele weken, het bomberjack twee tot drie maanden. Het hof acht het daarom gerechtvaardigd dat geen afschrijving wordt toegepast en de nieuwwaarde wordt gevorderd. Deze schadepost komt voor toewijzing in aanmerking.
De voldoende onderbouwde schadeposten eigen risico en medicatiekosten zijn door de verdediging niet betwist en komen eveneens voor toewijzing in aanmerking.
Met betrekking tot de parkeer- en reiskosten is het hof van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet op een andere wijze in zijn verplaatsingsbehoeften had kunnen voorzien. In zoverre heeft hij onvoldoende aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Het hof zal van de gevorderde materiële schade een bedrag van € 1.120,87 toewijzen.
Immateriële schade
Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de benadeelde partij aanspraak maken op immateriële schadevergoeding (onder andere) indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de aard en ernst van het letsel, te weten aangezichtsbreuken, bloedingen, hersenschudding en het buiten bewustzijn raken, komt het gevorderde bedrag van € 2.000,00 het hof niet onredelijk voor. Het hof zal de gevorderde immateriële schade toewijzen.
Eigen schuld
Het hof is niet gebleken van een gedraging door de benadeelde partij die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door hem geleden schade. De omstandigheid dat de benadeelde partij zich voorafgaand aan het fysieke geweld van verdachte mogelijk verbaal heeft geuit, levert geen eigen schuld op in de zin van artikel 6:101 BW Pro. Het hof laat de schadevergoedingsplicht van verdachte daarom geheel in stand.
Wettelijke rente, proceskosten, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten 25 februari 2024.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van de benadeelde partij – ten aanzien van de verschillende toegewezen materiële en immateriële schadeposten – aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.
Het hof stelt ten slotte vast dat hoewel verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elk voor een eigen feit zijn veroordeeld en daarom geen sprake is van medeplegen, zij wel gezamenlijk onrechtmatig hebben gehandeld jegens de benadeelde partij. Zij zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.120,87 (drieduizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 1.120,87 (duizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.120,87 (drieduizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 1.120,87 (duizend honderdtwintig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 25 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. A. Meester en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit paginanummers van het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van de Politie Eenheid Noord-Nederland, met zaakregistratienummer PL0100-2024050453 van 11 juni 2024.
2.Pagina 8.
3.Pagina 54.
4.Pagina 55.
5.Eigen waarneming van het hof, opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 13 mei 2026.
6.Pagina 40.
7.Pagina 19.
8.Pagina 35.
9.Pagina 19-20.
10.Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 13 mei 2026.
11.Pagina 19.