Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het incident tot schorsing,
verweerster in het incident tot schorsing,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026;
- een brief namens de vrouw van 12 februari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 12 februari 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw van 16 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 17 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 12 maart 2026;
- een journaalbericht namens de vrouw van 16 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 30 maart 2026 met bijlage(n).
2.De motivering van de beslissing
“bij uitzondering”in de tekst geeft aan dat deze bevoegdheidsgrond terughoudend moet worden toegepast en dat niet te lichtvaardig mag worden geconcludeerd dat een gerechtelijke procedure in het buitenland onmogelijk is of dat in het buitenland redelijkerwijs geen gerechtelijke procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd.
- de man was bekend met de op 22 januari 2025 geplande datum van de mondelinge
behandeling bij de rechtbank;
- de man had uitstel verzocht van de mondelinge behandeling;
- enkele minuten voor de zitting is het wrakingsverzoek ingediend op 22 januari 2025;
- de man bleek niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, die op 22 januari 2025
plaatsvond binnen de daarvoor door de rechtbank gereserveerde tijd en na de behandeling
en uitspraak van de wrakingskamer.
nietdoorgaat. Het wrakingsverzoek is voortvarend behandeld en na de uitspraak op het verzoek tot wraking kon de behandeling van de zaak worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. De man had er rekening mee moeten houden dat de op 22 januari 2025 geplande mondelinge behandeling toch door zou kunnen gaan. Het lag dan ook op de weg van de man om op 22 januari 2025 paraat te blijven en door niet bij de rechtbank te verschijnen op 22 januari 2025, heeft hij het risico genomen dat de zaak door de rechtbank buiten zijn aanwezigheid behandeld zou worden.
De man heeft tijdig kennis kunnen nemen van de aanvullende verzoeken, deze waren hem op 3 januari 2025 per mail toegezonden en blijkens de correspondentie in het dossier ook voor de zitting bekend. Voor het bezwaar van de man dat hij dit verzoek niet ter zitting heeft kunnen bespreken verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 2.18 is overwogen. De grief faalt.
- een verklaring van zijn Payroll-accountant en boekhouder van 12 maart 2024 met betrekking tot zijn inkomen (productie 88 bij het verweerschrift in hoger beroep);
- een verklaring gedateerd 5 augustus 2025 van [naam2] (productie 9 bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep);
- stukken waaruit blijkt dat de man als verhuurder optrad van [adres4] te [plaats2] (productie 9, 10 en 11 bij het aanvullend verzoek van de vrouw bij de rechtbank);
- de verklaring van de advocaat van de man, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de IKO procedure bij de rechtbank Den Haag (productie 64 bij het aanvullende verzoek van de vrouw bij de rechtbank) waarin deze heeft verklaard dat partijen veel investeringen deden;
- blz. 22 van het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 22 april 2025 (productie 89 bij het verweerschrift in hoger beroep) waarin de man telefonisch heeft verteld dat hij hoopt een woning te kunnen kopen in Nederland waar hij tijdens de omgangsmomenten met de kinderen kan verblijven.
- blz. 9 van het proces-verbaal van de zitting van 30 oktober 2023 van het gerechtshof Den Haag waarin de advocaat van de man heeft verklaard dat de man zal zorgdragen voor een woning voor de moeder als zij terugkeert naar Israël en ook ervoor zal zorgen dat zij goed verzorgd is (productie 99 bij het verweerschrift in hoger beroep);
- stukken met betrekking tot de hypotheekschuld in 2022 (productie 12 bij de brief van de man van 24 december 2025), waaruit blijkt dat de hypotheeklasten maandelijks NIS 800 hoger zijn geworden;
- een verklaring omtrent het arbeidsverleden van de man (productie 15 bij de brief van de man van 24 december 2025);
- een in de Hebreeuwse taal opgestelde loonstrook, kennelijk gedateerd 8 mei 2025, zonder vertaling ervan (productie 7 bij het beroepschrift).
€ 45.000,- bruto per jaar, dat komt overeen met € 3.750,- bruto per maand. Uitgaande van die verdiencapaciteit schat het hof naar redelijkheid haar behoeftigheid op afgerond € 10.000,- bruto per maand. Hieruit volgt dat de vrouw behoeftig is.
Met toepassing van de wettelijke indexering van 4,6% zal het hof per 1 januari 2026 de partneralimentatie bepalen op € 10.460,- bruto per maand. De vierde grief van de man slaagt gedeeltelijk.
3.De slotsom
4.De beslissing
- met ingang van 25 november 2025 tot en met 31 december 2025 een bedrag van
€ 10.000,- bruto per maand;