ECLI:NL:GHARL:2026:3251

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
Wahv 200.358.830/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, eerste lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken deugdelijke machtiging in Wahv-procedure

In deze zaak heeft M.J.M. Bergers hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging. De kantonrechter stelde vast dat de overgelegde machtiging niet van de betrokkene was, maar van een persoon met een andere achternaam, en dat Bergers niet tijdig een juiste machtiging had aangeleverd.

Bergers voerde in hoger beroep aan dat de betrokkene Boete.nu had gemachtigd en niet Appjection B.V., en dat de naamverschillen te wijten waren aan het gebruik van de meisjesnaam van de betrokkene. Het hof oordeelde echter dat de kantonrechter terecht had vastgesteld dat de machtiging niet deugdelijk was, omdat Bergers niet had aangetoond dat de persoon die de machtiging had afgegeven dezelfde was als de betrokkene.

Het hof beschouwde de vermelding van Appjection B.V. als een kennelijke verschrijving en las dit verbeterd, maar benadrukte dat Bergers had verzuimd een adequate machtiging te overleggen of duidelijk te maken dat de verschillende namen dezelfde persoon betroffen. Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het ontbreken van een deugdelijke machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.358.830/01
CJIB-nummer
: 261077799
Uitspraak d.d.
: 26 mei 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2025, betreffende

M.J.M. Bergers,

kantoorhoudende te Maastricht,
beweerdelijk optredende voor

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats]

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

M.J.M. Bergers (hierna: Bergers) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft bij tussenbeslissing van 31 maart 2025 vastgesteld dat in het dossier geen machtiging zit waaruit blijkt dat de betrokkene de beweerdelijk gemachtigde machtigt. De kantonrechter heeft Bergers de gelegenheid gegeven om binnen vier weken na verzending van de beslissing een machtiging aan te leveren en gewezen op de consequenties indien het verzuim niet wordt hersteld. Bergers heeft een machtiging overgelegd, maar naar het oordeel van de kantonrechter is deze niet deugdelijk omdat deze niet van de betrokkene, [betrokkene] , is. Daarop heeft de kantonrechter bij de bestreden beslissing het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bergers stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte nietontvankelijk heeft verklaard. Bergers merkt op dat de betrokkene Boete.nu heeft gemachtigd en niet Appjection B.V., zoals de kantonrechter heeft overwogen. Los daarvan is mevrouw [betrokkene] dezelfde persoon als [naam] . [betrokkene] is haar meisjesnaam. Bovendien is de machtiging van mevrouw [betrokkene] , die Bergers heeft aangeleverd, ook voorzien van de correcte adresgegevens, namelijk [adres] . De beslissing kan niet in stand blijven, nu ten onrechte aan Appjection B.V. om een machtiging is gevraagd.
3. Het hof merkt op dat de kantonrechter in de bestreden beslissing heeft overwogen dat Appjection B.V. in de gelegenheid is gesteld om een deugdelijke machtiging te overleggen, maar dat Appjection B.V. hier niet aan heeft voldaan. Uit de tussenbeslissing van 31 maart 2025 en de begeleidende brief van de griffier van de rechtbank van 30 april 2025 blijkt dat Bergers in de gelegenheid is gesteld om een deugdelijke machtiging te overleggen. Bergers heeft hierop ook gereageerd. Naar het oordeel van het hof kan de vermelding van Appjection B.V. als beweerdelijk gemachtigde in de beslissing van de kantonrechter dan ook als kennelijke verschrijving worden beschouwd die verbeterd moet worden gelezen.
4. De sanctie is opgelegd aan de betrokkene [betrokkene] . De officier van justitie heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, zodat door de betrokkene, [betrokkene] , op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Wahv als degene die administratief beroep had ingesteld, beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. In het dossier bevindt zich een door Bergers in administratief beroep overgelegde machtiging afgegeven door [naam], [adres] De kantonrechter heeft bij zijn tussenbeslissing van 31 maart 2025 vastgesteld dat in het dossier geen machtiging zit waaruit blijkt dat de betrokkene beweerdelijk gemachtigde machtigt. In deze vaststelling ligt als oordeel van de kantonrechter besloten dat genoemde mevrouw [naam] niet als de betrokkene, [betrokkene] , kan worden aangemerkt. Dat is juist. Het enkele feit dat [naam] op hetzelfde adres woonachtig is als [betrokkene] maakt niet dat zij de betrokkene is. Bergers had, gelet hierop, of een machtiging moeten overleggen, afgegeven door [betrokkene] , of duidelijk moeten maken dat [naam] en [betrokkene] dezelfde persoon is. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft slechts de in administratief beroep overgelegde machtiging ingestuurd. Eerst in hoger beroep heeft Bergers opgemerkt dat [betrokkene] de geboortenaam is van [naam].
5. De kantonrechter heeft, gelet op het voorgaande, op goede gronden overwogen dat Bergers heeft verzuimd een adequate machtiging te overleggen en het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.