Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3244

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.365.006/01 en 200.366.591/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag wegens bedreiging ontwikkeling kinderen en onvermogen ouders

De rechtbank Noord-Nederland heeft het gezag van de vader en moeder over hun twee kinderen beëindigd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. Het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt deze beslissing in hoger beroep.

De kinderen, geboren in 2019 en 2023, hebben een ontwikkelingsachterstand en wonen sinds september 2023 in een gezinshuis. De vader en moeder zijn niet in staat gebleken om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen, mede door aanhoudende multi-problematiek en onvoldoende effect van hulpverlening.

Het hof weegt het belang van de kinderen, die recht hebben op duidelijkheid over hun woonplaats, zwaarder dan het belang van de ouders om het gezag te behouden. Er is geen minder ingrijpend alternatief beschikbaar. De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag over de kinderen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en het onvermogen van de ouders om voor hen te zorgen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.365.006/01 en 200.366.591/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202622)
beschikking van 26 mei 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
In de zaak met zaaknummer 200.365.006/01 van
[naam1](de vader),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[naam2](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd te Amsterdam,
en
de gezinshuisouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2](de gezinshuisouders)
die wonen op een bij het hof bekend adres.
In de zaak met zaaknummer 200.366.591/01 van
[naam2](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[naam1](de vader),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd te Amsterdam,
en
de gezinshuisouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2](de gezinshuisouders)
die wonen op een bij het hof bekend adres.

1.Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft het gezag van de vader en de moeder over hun kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2019 en [de minderjarige2] is geboren [in] 2023.
2.2.
De ouders hadden tot aan de bestreden beschikking samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
2.3.
[de minderjarige1] heeft van 5 april 2019 tot 5 april 2022 onder toezicht gestaan.
2.4.
Bij beschikking van 23 juni 2023 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorlopig onder
toezicht gesteld tot 23 september 2023. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een
spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een gezinshuis.
Bij beschikking van 14 juli 2023 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing
verleend voor plaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een crisispleeggezin voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 23 september 2023.
2.5.
Bij beschikking van 12 september 2023 zijn de kinderen (definitief) onder toezicht gesteld tot 23 september 2024. Bij die beschikking is ook een machtiging tot
uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een gezinshuis verleend tot 23 juni 2024. Deze beide maatregelen duren nog steeds voort en zijn voor het laatst bij beschikking van 9 september 2025 verlengd tot 23 september 2026.
2.6.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen vanaf september 2023 in het huidige gezinshuis.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen en de GI te benoemen als voogd.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan, ieder afzonderlijk, in hoger beroep.
4.2.
De vader wil dat het hof de beslissing van de rechtbank om zijn gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen ongedaan maakt.
4.3.
De moeder wil dat het hof de beslissing van de rechtbank om haar gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen ongedaan maakt, en als het hof dat niet doet, in elk geval de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige1] ongedaan maakt. Op de zitting bij het hof heeft de moeder haar subsidiaire verzoek over het behoud van het gezag over [de minderjarige1] ingetrokken.
4.4.
De raad wil in beide zaken dat de beslissing in stand blijft.
4.5.
De GI wil in beide zaken dat de beslissing in stand blijft.
4.6.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
In zaaknummer 200.365.006/01
 het beroepschrift van de vader, ontvangen op 16 februari 2026;
 het verweerschrift van de raad;
 het verweerschrift van de GI;
 de stukken van de vader ingediend op 20 april 2026.
In zaaknummer 200.366.591/01
 het beroepschrift van de moeder, ontvangen op 11 maart 2026;
 het verweerschrift van de raad;
 het verweerschrift van de GI;
 de stukken van de moeder ingediend op 9 april 2026.
4.7.
De zitting bij het hof was op 23 april 2026. Beide hoger beroepen zijn gelijktijdig behandeld. Aanwezig waren de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat, de gezinshuisouders en vertegenwoordigers van de raad en de GI.

5.Het oordeel van het hofWat staat in de wet?

5.1.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266 eerste Pro lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.
5.2.
Bij de beoordeling door de rechtbank van een verzoek om het gezag te beëindigen staat het belang van het kind voorop. In de procedure in hoger beroep is dit ook het uitgangspunt. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. Deze rechten van kinderen zijn verankerd in artikel 3 en Pro 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
5.3.
Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind. Uit artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een dergelijke inmenging slechts gerechtvaardigd is, indien het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechter dient na te gaan of gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het beoogde resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van beide ouders moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.
5.5.
De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Beide kinderen hebben een ontwikkelingsachterstand. Bij [de minderjarige1] is FasD vastgesteld. Het vermoeden bestaat dat ook [de minderjarige2] FasD heeft, maar dat kan nog niet met zekerheid worden vastgesteld gelet op zijn jonge leeftijd. De gezinshuisouders hebben verteld dat de kinderen nu beiden op een fijne school zitten en [de minderjarige1] met de juiste orthopedische schoenen en fysiotherapie beter loopt. De kinderen voelen zich prettig in het gezinshuis en hebben graag contact met hun ouders. Bij beide kinderen blijft een bovengemiddelde behoefte aan duidelijkheid en structuur, en [de minderjarige1] heeft doorlopend begeleiding nodig omdat zij soms andere kinderen pijn doet.
5.6.
De ouders hebben weliswaar aangevoerd dat er veel in positieve zin veranderd is in hun leven, maar hiervan leveren zij beperkt onderbouwing. De vader is recent gedetineerd geweest en is hierdoor zijn woonruimte verloren. Er is een intake gepland voor agressieregulatietherapie, maar die is nog niet gestart. De moeder heeft hulp om haar alcoholgebruik te stoppen en heeft sinds december 2025 nieuwe woonruimte.
5.7.
Het hof ziet in de dossiers en in dat wat door de raad en de GI wordt aangevoerd bij de ouders een patroon van periodes waarin het enigszins goed gaat, gevolgd door een terugval. Hulpverlening in een vrijwillig kader voorafgaand aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft hierin onvoldoende verbetering kunnen brengen. Ook de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling is ingezet, heeft de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen niet kunnen wegnemen. De ouders laten bovendien nog steeds zien dat ze niet in staat zijn om hun handelen af te stemmen op het belang van de kinderen. Zo heeft de vader de GI niet geïnformeerd over zijn detentie, terwijl er een omgangsmoment gepland stond. Het voorgaande brengt mee dat het hof van oordeel is dat de ouders, als gevolg van hun aanhoudende multi-problematiek, niet in staat zijn om binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De moeder heeft op de zitting verteld dat zij erin berust dat de kinderen niet meer bij haar kunnen wonen. Dit lijkt echter niet voort te komen uit een overtuiging dat dit in het belang van de kinderen is, maar uit frustratie over de hulpverlening die zij onvoldoende op haar behoeftes afgestemd vindt. Bovendien stelde zij in haar beroepschrift van maart 2026 nog dat [de minderjarige1] weer bij haar thuis kan wonen. Ook de vader heeft in zijn beroepschrift gesteld dat de kinderen weer bij de moeder zouden moeten kunnen wonen en dat standpunt heeft hij ter zitting van het hof herhaald. Het hof ziet bij de ouders dus geen bestendige lijn van berusting in het opgroeiperspectief van de kinderen in het gezinshuis. Dit terwijl het juist voor de kinderen van groot belang is dat ze weten waar ze kunnen opgroeien zonder dat daarover onzekerheid blijft bestaan. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van de ouders om hun gezag te behouden.
5.8.
Het hof is van oordeel dat uit wat hiervoor is overwogen voldoende naar voren komt dat in het belang van de kinderen niet met een lichtere maatregel, zoals een jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing of een uithuisplaatsing in het vrijwillig kader, kan worden volstaan. De inmenging in het gezinsleven staat in dit geval in redelijke verhouding tot het doel van de gezagsbeëindiging.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep in beide zaken:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
14 januari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. C. Coster en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 26 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.