Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3242

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.362.313/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:267 BWArt. 1:267a BWArt. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Grootouders niet-ontvankelijk in verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag over minderjarige

De rechtbank Noord-Nederland had op 22 september 2025 het ouderlijk gezag van de vader en moeder beëindigd en de grootouders benoemd tot voogd over de minderjarige. De moeder ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verzocht de beschikking te vernietigen zodat beide ouders het gezag weer zouden krijgen.

Het hof beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek van de grootouders en concludeerde dat zij niet aan de wettelijke vereisten voldeden, omdat zij de minderjarige op het moment van indiening van het verzoek nog niet ten minste een jaar hadden verzorgd en opgevoed. Tevens was de raad voor de kinderbescherming nog niet tot een verzoek tot gezagsbeëindiging overgegaan en had nog geen onderzoek plaatsgevonden.

Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en verklaarde de grootouders niet-ontvankelijk in hun verzoek. De uitoefening van het gezag kwam daarmee weer bij de ouders te liggen, hoewel het verblijf van de minderjarige bij de grootouders geen wettelijke basis meer heeft. Het hof gaf aan dat het aan de raad is om eventueel kinderbeschermingsmaatregelen te verzoeken indien noodzakelijk.

De beslissing werd op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de kamer bestaande uit mr. L. Pieters, mr. L. van Dijk en mr. M.A.L.M. Willems.

Uitkomst: Het hof verklaart de grootouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot beëindiging van het gezag, waardoor het gezag weer bij de ouders ligt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.313/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 245838)
beschikking van 26 mei 2026
over het verzoek tot beëindiging van het gezag over
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. C.C.N. Cats te Emmen,
en
[geïntimeerden](de grootouders),
die wonen in [woonplaats2] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaat: mr. R. Kertokarijo te Assen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende](de vader),
die woont in [woonplaats3] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 22 september 2025 het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de grootouders benoemd tot voogd. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024.
De ouders wonen gescheiden van elkaar. [de minderjarige] verblijft bij de grootouders.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De grootouders hebben de rechtbank verzocht het gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen en hen te benoemen tot voogd.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de grootouders toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 22 september 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. Zij verzoekt in haar beroepschrift de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de grootouders tot beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] en benoeming van de grootouders tot voogd over [de minderjarige] , af te wijzen. De moeder heeft ter zitting van het hof verduidelijkt dat zij vernietiging van de gehele beschikking verzoekt zodat beide ouders weer het gezag over [de minderjarige] hebben.
4.2.
De grootouders en de vader willen dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 3 december 2025;
  • de stukken van de moeder ingediend op 11 december 2025, 24 maart 2026 en 7 april 2026;
  • het verweerschrift;
  • de stukken van de grootouders ingediend op 10 april 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 22 april 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de grootouders met hun advocaat;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger van de raad.

5.Het oordeel van het hof

De ontvankelijkheid van de grootouders
5.1
Uit artikel 1:267, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een beëindiging van het gezag kan worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek, indien de raad niet tot een verzoek overgaat. Gelet op deze bepaling ziet het hof zich allereerst geplaatst voor de vraag of de rechtbank de ouders terecht ontvankelijk heeft geacht in hun verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders. Het hof gaat daarbij voorbij aan de stelling van de grootouders dat de ontvankelijkheid in hoger beroep niet (meer) aan de orde is, omdat daartegen geen grief is gericht. Het hof beoordeelt de bevoegdheid van de grootouders tot het doen van een dergelijk verzoek en daarmee de ontvankelijkheid immers ambtshalve.
5.2.
Het hof zal de grootouders niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken, is gebleken dat de grootouders op 15 juli 2025 een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] bij de rechtbank hebben ingediend. Vaststaat dat de grootouders op dat moment [de minderjarige] nog niet gedurende ten minste een jaar hadden verzorgd en opgevoed. [de minderjarige] was op dat moment immers nog geen jaar oud. Er was evenmin een situatie waarin de raad niet een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders zou doen. Ook op dit moment is onduidelijk of de raad tot de indiening van een dergelijk verzoek zal overgaan.
De raad heeft nog geen onderzoek gedaan naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel en heeft dus nog geen beslissing genomen over de vraag of hij al dan niet zal overgaan tot indiening van een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders.
5.3.
De raad heeft in eerste aanleg, waar de ouders niet ter zitting waren verschenen, aangeboden om een (spoed)onderzoek te verrichten naar de vraag of het gezag van de ouders zou moeten worden beëindigd. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] , maar voor de raad staat niet vast dat de ouders, die beiden kampen met persoonlijke problematiek, niet binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen en dat een gezagsbeëindiging noodzakelijk is of dat, indien dat onverhoopt niet het geval zou zijn, niet met een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zou kunnen worden volstaan. De raad is nog steeds bereid (ambtshalve) onderzoek te doen.
5.4.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan de bevoegdheid van de grootouders om een verzoek te doen om beëindiging van het gezag van de ouders. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en de grootouders alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in hun verzoek.
5.5.
Op grond van artikel 1:267a BW kan de rechter, die een verzoek tot beëindiging van het gezag afwijst, een minderjarige onder toezicht stellen als bedoeld in artikel 1:255 BW Pro mits aan de grond hiervoor is voldaan. Los van het feit dat de beslissing van het hof geen afwijzing betreft, maar een niet-ontvankelijkverklaring, ziet het hof geen aanleiding om [de minderjarige] op grond van artikel 1:267a BW ambtshalve onder toezicht te stellen.
Voor het hof staat met de verkregen informatie niet vast dat aan alle vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan en het zal daarom niet als hoogste feitelijke instantie
-zonder voorliggend raadsonderzoek- een ondertoezichtstelling voor [de minderjarige] uitspreken.
5.6.
De beslissing van het hof om de grootouders alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] , betekent dat de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] weer bij de ouders ligt. Aan het huidige verblijf van [de minderjarige] bij de grootouders ontbreekt als gevolg daarvan een wettelijke basis. Het hof meent dat het thans aan de raad is om daartoe geëindigde kinderbeschermingsmaatregelen te verzoeken indien dat noodzakelijk wordt geacht.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 september 2025, en opnieuw beschikkende;
6.2.
verklaart de grootouders niet-ontvankelijk in het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] ;
6.3.
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, ter aantekening van de gewijzigde gezagssituatie in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. L. van Dijk en mr. M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 26 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.