De rechtbank Noord-Nederland had op 22 september 2025 het ouderlijk gezag van de vader en moeder beëindigd en de grootouders benoemd tot voogd over de minderjarige. De moeder ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verzocht de beschikking te vernietigen zodat beide ouders het gezag weer zouden krijgen.
Het hof beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek van de grootouders en concludeerde dat zij niet aan de wettelijke vereisten voldeden, omdat zij de minderjarige op het moment van indiening van het verzoek nog niet ten minste een jaar hadden verzorgd en opgevoed. Tevens was de raad voor de kinderbescherming nog niet tot een verzoek tot gezagsbeëindiging overgegaan en had nog geen onderzoek plaatsgevonden.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en verklaarde de grootouders niet-ontvankelijk in hun verzoek. De uitoefening van het gezag kwam daarmee weer bij de ouders te liggen, hoewel het verblijf van de minderjarige bij de grootouders geen wettelijke basis meer heeft. Het hof gaf aan dat het aan de raad is om eventueel kinderbeschermingsmaatregelen te verzoeken indien noodzakelijk.
De beslissing werd op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de kamer bestaande uit mr. L. Pieters, mr. L. van Dijk en mr. M.A.L.M. Willems.