Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3241

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.361.907/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ruimere zorgregeling zonder voorwaarden voor vader bij ondertoezichtstelling minderjarige

De vader en moeder hebben gezamenlijk het gezag over hun minderjarige zoon, die sinds januari 2020 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). Na een eerdere beschikking waarbij de GI de zorgregeling nader mocht invullen, werd de omgang tussen vader en kind in 2023 stopgezet vanwege zorgelijke signalen, later hervat met begeleide omgang.

De vader verzocht de kinderrechter om een ruimere zorgregeling zonder voorwaarden, maar de rechtbank stelde een beperkte regeling vast met voorwaarden. Het hof vernietigt deze beschikking en wijzigt de eerdere zorgregeling van november 2020, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd en de GI onvoldoende heeft bijgedragen aan uitbreiding van de omgang.

Het hof oordeelt dat de vader stappen heeft gezet om aan voorwaarden te voldoen, de omgang goed verloopt en het kind geen negatief gedrag vertoont door de omgang. Daarom wordt de zorgregeling verruimd zodat de vader het kind in de oneven weken een heel weekend mag verzorgen, zonder voorwaarden. Vakantie- en feestdagen worden gelijk verdeeld tussen ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en bepaalt dat de vader het kind in de oneven weken een heel weekend mag verzorgen zonder voorwaarden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.907/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582110)
beschikking van 26 mei 2026
over de omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam.
Als belanghebbende is verder aangemerkt:
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N. Schiettekatte te Rotterdam.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft de regeling van de zorg van de vader voor [de minderjarige] gewijzigd, met voorwaarden waaraan de vader zich moet houden. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]
2012. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 16 januari 2020 onder toezicht van de GI. Op 19 januari 2020 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op 3 april 2020 is [de minderjarige] naar een gezinshuis verhuisd. Sinds 1 september 2020 woont [de minderjarige] in een kindgroep van [naam] .
2.3.
Bij beschikking van 17 november 2020 is op verzoek van de GI vastgesteld dat het aan de GI is om een nadere invulling te geven aan de regeling van de zorg van vader voor [de minderjarige] . In april 2023 is de omgang – [de minderjarige] verbleef toen om het weekend van vrijdag tot en met zondag bij de vader – stopgezet. De woonlocatie en GI zagen zorgelijke signalen bij [de minderjarige] , die ze koppelden aan zijn omgang met de vader. In december 2023 werd de omgang hervat, waarbij de vader één keer per week begeleide omgang had voor een periode van twee uur, met het oog op uitbreiding daarna. [de minderjarige] verblijft ieder even weekend bij de moeder.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de kinderrechter verzocht een zorgregeling te bepalen, waarbij [de minderjarige]
-naar het hof begrijpt- om het weekend en de helft van schoolvakanties en feestdagen bij de vader verblijft.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek voor een deel toegewezen, de beschikking van 17 november 2020 gewijzigd en een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] in de oneven weken om het weekend op zaterdag of zondag van 11.00 uur tot 17.00 onbegeleid en buiten het terrein van [naam] bij de vader is. Daarbij zijn voorwaarden gesteld aan de vader.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 augustus 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat de zorgregeling wordt vastgelegd, zoals hij die aan de kinderrechter heeft verzocht, zonder dat daar voorwaarden aan worden verbonden.
4.2.
De GI wil dat er een opbouw komt in de zorgregeling conform het verzoek van de vader, maar wel met voorwaarden.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 19 november 2025;
  • de stukken van de vader van 10 december 2025;
  • het verweerschrift van de GI;
  • de brief van de raad van de kinderbescherming (de raad) van 10 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • de stukken van de GI van 16 april 2026;
  • de stukken van de vader van 21 april 2026.
4.4.
[de minderjarige] heeft op 20 april 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof, via videoverbinding en in aanwezigheid van zijn begeleider.
4.5.
De zitting bij het hof was op 23 april 2026. Aanwezig waren de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en twee vertegenwoordigers van de GI. De voorzitter heeft op de zitting een samenvatting van het gesprek met [de minderjarige] gegeven.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
Tijdens de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van het kind noodzakelijk is. [1] Die beslissing kan gewijzigd worden als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of wanneer bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het gaat in deze zaak om een wijziging van de op 17 november 2020 door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling. Op basis van die zorgregeling was het aan de GI om nadere invulling aan de regeling te geven. Sindsdien zijn de omstandigheden zodanig gewijzigd dat het hof het niet langer passend acht om de regie in handen van de GI te laten. Het hof is daarom net als de kinderrechter van oordeel dat de op 17 november 2020 vastgestelde zorgregeling moet worden gewijzigd. Daarbij acht het hof een andere zorgregeling in het belang van [de minderjarige] , dan de zorgregeling die de kinderrechter heeft vastgesteld. Het hof zal daarom de beslissing van de kinderrechter vernietigen en een andere zorgregeling vaststellen.
5.3.
Vanaf 2023 is de omgang tussen de vader en [de minderjarige] door de GI in eerste instantie stopgezet en later hervat met een veel beperktere omvang. De GI baseerde deze beslissingen op bepaald (negatief) gedrag van [de minderjarige] . Toen uiteindelijk bleek dat dit gedrag kind-eigen was, en dus niet gerelateerd was aan de omgang met de vader, is er vanuit de GI onvoldoende gedaan om de omgang tussen de vader en [de minderjarige] weer uit te breiden. De frustraties die de vader hierover voelde, hebben zich geuit in onwenselijk gedrag richting de GI en andere hulpverleners.
5.4.
In de bestreden beschikking is een zorgregeling vastgesteld die beperkter is dan de vader heeft verzocht en waarbij bovendien voorwaarden zijn gesteld. De regeling laat ook geen ruimte voor verdere uitbreiding. Het hof acht deze regeling niet in het belang van [de minderjarige] . Uit de stukken en wat op de zitting bij het hof besproken is, blijkt dat de vader stappen heeft gezet om aan de gestelde voorwaarden te voldoen. De vader woont meer dan eerst MDO’s bij, heeft zijn gedrag tijdens de omgang aangepast naar wat voor [de minderjarige] passend is en het lukt de vader beter om respectvol met de GI en de andere hulpverleners te communiceren. De omgang met [de minderjarige] lijkt goed te verlopen en er zijn geen nieuwe signalen dat [de minderjarige] zich anders gedraagt vanwege de omgang met de vader.
5.5.
Het is duidelijk dat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is en dat de zorgregeling moet blijven passen bij wat hij aankan. De GI heeft niet toegelicht waarom de omgang met de vader slechts met een paar uren uitgebreid kan worden en zich niet kan uitstrekken tot een weekend. De GI heeft zich immers op het standpunt gesteld dat de door de vader verzochte zorgregeling kan worden vastgesteld, zij het dat de GI daar voorwaarden aan verbonden wil zien en dat de opbouw moet passen bij de behoefte, de ontwikkeling en het tempo van [de minderjarige] . De vader heeft eerder hele weekenden voor [de minderjarige] gezorgd en wil dat opnieuw doen. Hij voert aan dat een langere omgang meer rust voor [de minderjarige] zal brengen, omdat het bezoek en de activiteit nu allemaal op één dag gepland moeten worden en ook op een korte afstand van de woonlocatie van [de minderjarige] , om weer op tijd terug te kunnen zijn. Als de vader [de minderjarige] een of twee nachten in het weekend bij zich heeft, is er meer tijd en ruimte om rustmomenten in te bouwen, zo stelt hij.
5.6.
De GI heeft aan het hof niet duidelijk kunnen maken waarom er zo lang is gewacht met het uitbreiden van de zorgregeling, terwijl dit al sinds 2023 met de vader besproken wordt. De GI verwijst naar de behoefte en het tempo van [de minderjarige] , maar hier worden geen kaders of handvatten aan gegeven, ook niet nadat het hof daar op de zitting naar heeft gevraagd. Het is voor het hof hierdoor moeilijk om voldoende inzicht te krijgen in wat voor [de minderjarige] de meest ideale opbouw van de omgang zou zijn, maar duidelijk is dat uitbreiding van de omgang gelet op het voorgaande al lang had kunnen en moeten plaatsvinden. Het hof acht het dan ook in het belang van [de minderjarige] dat hij een heel weekend bij de vader verblijft, net zoals hij ieder even weekend bij de moeder verblijft. Wel ziet het hof aanleiding om een opbouw vast te stellen naar een heel weekend, zodat [de minderjarige] daaraan kan wennen Het hof bepaalt daarom dat [de minderjarige] met ingang van 19 juni 2026 in de oneven weken in het weekend bij de vader verblijft, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt en op zaterdag (de eerste vier keer) of op zondag (de keren daarna) om 18.00 uur terugbrengt op de woonlocatie van [de minderjarige] .
5.7.
Het hof zal geen verdere voorwaarden aan deze zorgregeling verbinden. De voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld en de aanvullende voorwaarden die de GI in het verweerschrift heeft verzocht vast te stellen, zijn naar het oordeel van het hof onnodig. Het blijft uiteraard belangrijk dat de vader respectvol met de hulpverlening communiceert en zoveel mogelijk aansluit bij MDO’s, zodat hij goed op de hoogte blijft van [de minderjarige] ’s ontwikkeling en mogelijke aandachtspunten. Het hof acht het echter niet noodzakelijk om deze aspecten als voorwaarden aan de zorgregeling te verbinden. Als bij de GI zorgen ontstaan over het gedrag van de vader richting hulpverleners of [de minderjarige] , of over [de minderjarige] als gevolg van de (verruimde) omgang met de vader, dan kan dit via bijvoorbeeld een schriftelijke aanwijzing door de GI worden opgepakt.
5.8.
Ten aanzien van de gevraagde vakantie- en feestdagenregeling overweegt het hof dat er geen reden is aangevoerd waarom beide ouders niet in gelijke mate zulke dagen met hun zoon zouden kunnen doorbrengen. Het hof verwacht dat het in onderling overleg tussen de ouders, de GI en de begeleiding op de kindgroep mogelijk moet zijn om (indien nodig jaarlijks) vast te stellen welke vakantie- en feestdagen er tussen de ouders verdeeld kunnen worden en een gelijke verdeling van deze beschikbare dagen af te spreken.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 augustus 2025, en opnieuw beschikkende:
6.2.
wijzigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 17 november 2020;
6.3.
stelt de volgende verdeling van de zorg van de vader voor [de minderjarige] vast:
regulier:
vanaf 19 juni 2026 haalt de vader [de minderjarige] in de oneven weken op vrijdag op uit school. De eerste vier keer brengt hij [de minderjarige] terug op de woonlocatie op zaterdag om 18.00 uur. Daarna brengt de vader [de minderjarige] steeds terug op de woonlocatie op zondag om 18.00 uur;
vakanties en feestdagen:
de vakantie- en feestdagen worden conform hetgeen in 5.8. is overwogen verdeeld tussen de ouders;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. van Dijk en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 26 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265g lid 2 BW.