Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3238

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
21-003705-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 350 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging en vernielingen jegens broer met gevangenisstraf en schadevergoeding

Verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor bedreiging en twee vernielingen jegens zijn broer, met een voorwaardelijke geldboete en toewijzing van schadevergoeding. In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring en vult het de bewijsconstructie aan met een proces-verbaal van aangifte.

Het hof oordeelt dat de strafoplegging van de politierechter niet passend is gezien de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en zijn onbekende verblijfplaats. Daarom vernietigt het hof het vonnis voor wat betreft de straf en legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op, met aftrek van het voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding van €4.868,51 wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof acht de schade passend bij het bewezenverklaarde en legt een schadevergoedingsmaatregel op om betaling te bevorderen.

Het arrest is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 22 mei 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en toewijzing van schadevergoeding aan benadeelde partij.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003705-25
Uitspraakdatum: 22 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 augustus 2025 met parketnummer 18-267346-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 11 mei 2026 en de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde (kortgezegd: bedreiging en tweemaal vernieling);
  • oplegging van een geldboete van € 1.000,00, waarvan € 500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsman, mr. D.P. Poppe, is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 26 augustus 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,00, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis en vult de bewijsconstructie verder aan, evenals de overwegingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen die door de politierechter zijn gebezigd moeten worden aangevuld, met dien verstande dat daarbij ook wordt opgenomen:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 augustus
2024, opgenomen op pagina 35 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024227288 d.d. 22 augustus 2024, inhoudende als verklaring van [benadeelde]
:
Plaats delict: [adres]
Het hof is van oordeel dat de verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde worden weersproken door de bewijsmiddelen.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee vernielingen en een bedreiging jegens zijn broer. Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft aangever angst aangejaagd en geen respect getoond voor zijn eigendommen.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 10 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof weegt dat in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof naar voren zijn gekomen.
Het hof overweegt dat de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, maken dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zoals verzocht door de raadsman en vragen om oplegging van een geheel onvoorwaardelijke straf. Verder acht het hof om dezelfde reden een geldboete in beginsel niet op zijn plaats. Vanwege het feit dat verdachtes woon- of verblijfplaats onbekend is en mede gelet op het strafblad van verdachte acht het hof een taakstraf evenmin passend. Het hof komt dan ook, anders dan gevorderd door de advocaat-generaal, tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op de zitting van het hof zijn geen omstandigheden gebleken die daaraan in de weg staan.
Gelet op het voorgaande acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.868,51 aan materiële schade ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof gaat uit van de kosten zoals de benadeelde partij deze heeft gevorderd. De kosten zijn onderbouwd met foto’s, facturen en een schaderapport.
Op de zitting van het hof heeft de verdediging vragen opgeroepen over de vordering en de onderbouwing daarvan, te weten waarom enkel screenshots zijn overgelegd, waarom er geen facturen van herstelwerkzaamheden zijn overgelegd en of de schade niet verzekerd is. Verder is naar voren gebracht dat de caravan al 10 jaar oud was en dat het schaderapport pas 7 maanden na het incident is opgemaakt wat de vraag oproept of de genoemde schade in causaal verband staat met het tenlastegelegde. Het hof overweegt dat in de schadebegroting rekening is gehouden met de ouderdom van de caravan. De beoordeelde schade past bij het aan verdachte verweten gedrag. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat de schade nog niet is hersteld en niet is verzekerd. In het licht van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij is het hof van oordeel dat deze door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist.
Verdachte moet de schade vergoeden en de vordering wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.868,51 (vierduizend achthonderdachtenzestig euro en eenenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.868,51 (vierduizend achthonderdachtenzestig euro en eenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 48 (achtenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. A.F. van Kooij en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 mei 2026.