Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3225

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
21-000090-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 lid 1 SrArt. 47 lid 1 SrArt. 255 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 302 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen zware mishandeling en hulpeloze toestand brengen van kind

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling en het opzettelijk in hulpeloze toestand brengen van een kind dat hij verzorgde. Het hof heeft het vonnis vernietigd en spreekt verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

De verklaringen van de medeverdachte, die belastend waren voor verdachte, werden door het hof als onbetrouwbaar beoordeeld vanwege inconsistenties en het ontbreken van ondersteuning door forensisch-medische rapporten. Verdachte ontkende betrokkenheid en er waren sterke contra-indicaties voor veronachtzaming aan zijn zijde.

Daarnaast kon het hof niet vaststellen dat verdachte het kind in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, mede omdat verdachte zich actief inzette voor medische zorg en contact hield met begeleiders. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat verdachte niet schuldig is bevonden. Het hof verklaarde verdachte en officier van justitie niet-ontvankelijk in hoger beroep voor de vrijgesproken feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen van het kind.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000090-24
Uitspraakdatum: 21 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel , zittingsplaats Zwolle , van 22 december 2023 met parketnummer 08-087315-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • de bevestiging van het vonnis met uitzondering van de strafoplegging;
  • het vrijspreken van verdachte voor het onder 2 en 4 ten laste gelegde;
  • het veroordelen van verdachte voor het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest;
  • het hoofdelijk toewijzen van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het hoofdelijk opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, met de daarbij passende gijzeling.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. van Reydt, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Volgens de appelschriftuur van 17 januari 2024 richt het hoger beroep zich onder meer tegen de vrijspraak van het onder 2 en 4 ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft per
e-mailbericht van 14 april 2026 meegedeeld dat het hoger beroep zich niet langer meer richt tegen de vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde. Op de zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal voorts gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. Gelet op het vorenstaande en hetgeen is bepaald in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), verklaart het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het onder 2 en 4 ten laste gelegde. Het hof ziet ook zelf geen redenen die een inhoudelijke behandeling van deze feiten noodzakelijk maken en ook is niet gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de behandeling van deze feiten.

Ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 2 en 4 ten laste gelegde. Het hoger beroep is door verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak van het onder 2 en 4 ten laste gelegde.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van zware mishandeling, terwijl hij het misdrijf heeft begaan tegen een kind dat hij heeft verzorgd of opgevoed als behorend tot zijn gezin (het onder 1 primair ten laste gelegde) en het medeplegen van het opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in hulpeloze toestand brengen en laten (het onder 3 ten laste gelegde). De rechtbank heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen, bestaande uit € 7.500,00 aan immateriële schade. Dit bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank heeft ter hoogte van datzelfde bedrag hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:
1.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2022 tot 26 maart 2023 te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2022), welke, verdachte, verzorgt en/of opvoedt als behorend tot zijn gezin, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer botbreuk(en) in de rechter en linker bovenarm(en) en/of de rechter en linker bovenbe(e)n(en) en/of de rechter en linker scheen- en kuitbe(e)n(en), althans het lichaam heeft toegebracht, door één of meermalen (krachtig) aan de arm(en) en/of be(en)n(en), van die [slachtoffer] te rukken en/of te trekken, althans door ander hoogenergetisch en/of samendrukkend geweld uit te oefenen op voornoemde arm(en) en/of be(e)n(en) en/of lichaam;
1. subsidiairhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2022 tot 26 maart 2023 te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2022), welke, verdachte, verzorgt en/of opvoedt als behorend tot zijn gezin, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, één of meermalen (krachtig) aan de arm(en) en/of be(e)n(en), van die [slachtoffer] heeft gerukt en/of getrokken, althans door ander hoogenergetisch en/of samendrukkend geweld uit te oefenen op voornoemde arm(en) en/of be(e)n(en),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meer subsidiairhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2022 tot 26 maart 2023 te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2022), heeft mishandeld door (krachtig) aan de arm(en) en/of be(e)n(en), althans aan het lichaam van die [slachtoffer] te rukken en/of te trekken;
3.dat hij in of omstreeks de periode 21 december 2022 tot 26 maart 2023 te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een kind, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2022), zijnde een baby van 13 maanden tot wiens/wier onderhoud, verpleging of verzorging hij, verdachte, als partner van de moeder en/of als (zelfbenoemd) stiefvader krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, door de vereiste/noodzakelijke/gebruikelijke (adequate) lichamelijke verzorging en/of voeding en/of (inschakeling van) medische hulp en/of medische verzorging te onthouden en/of (aldus) in een situatie gebracht of gehouden die voor de gezondheid van die [slachtoffer] schadelijk was of kon zijn.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair, en meer subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Inleiding
Verdachte krijgt in de loop van 2022 een relatie met medeverdachte [medeverdachte]
(hierna: [medeverdachte] ). [medeverdachte] is daarvoor, in april 2022, vanuit [land]
naar Nederland gekomen. Zij verblijft aanvankelijk in de gemeentelijke opvanglocatie voor
[vluchtelingen] ' [naam 1] ' aan de [adres 1] . Enige tijd nadat verdachte en [medeverdachte] een relatie hebben gekregen, halen zij de toen tien maanden oude dochter van [medeverdachte] , genaamd [slachtoffer] , op. Zij verbleef op dat moment in een pleeggezin in [land] . Vanaf 22 december 2022 verblijven [medeverdachte] en haar dochter [slachtoffer] in de opvanglocatie ' [naam 2] ' aan de [adres 2] . Omdat er grote zorgen zijn over de verzorging van [slachtoffer] en de explosieve relatie tussen [medeverdachte] en verdachte, is er op 24 februari 2023 door de medewerkers van de opvanglocatie een melding bij [Veilig Thuis] gedaan. Vervolgens is ook het sociaal wijkteam ingeschakeld. Omdat [medeverdachte] en [slachtoffer] sinds 12 maart 2023 niet meer in de opvang worden gezien, worden zij op [geboortedag 1] 2023 als vermist opgegeven. Vanwege zorgen over hun veiligheid en gezondheid, en het vermoeden dat zij in de woning van verdachte aan de [adres 3] verblijven, is de politie op 25 maart 2023 naar de woning van verdachte gegaan. Daar treffen zij [medeverdachte] , [slachtoffer] en verdachte aan in een sterk vervuilde woning. [medeverdachte] verklaart dat zij vanaf 12 maart 2023 bij verdachte inwoont. Zij is vervolgens vrijwillig met [slachtoffer] met de politie meegegaan naar de opvang in [plaats 1] .
[slachtoffer] wordt op 27 maart 2023 in het [ziekenhuis] te [plaats 1] onderzocht door forensisch arts in opleiding [persoon 1] , onder supervisie van forensisch arts prof. mr. dr. [persoon 2] . Bij dit onderzoek worden uitwendig diverse bloeduitstortingen en schaaf- en krasletsels bij [slachtoffer] waargenomen, die volgens de artsen verdacht zijn voor toegebracht letsel wanneer een medische aandoening is uitgesloten. [medeverdachte] loopt tijdens dit onderzoek uit het ziekenhuis weg. [slachtoffer] blijft achter bij medewerkers van [Veilig Thuis] . Op 27 maart 2023 stelt de kinderrechter [slachtoffer] onder voorlopig toezicht en wordt een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op 28 maart 2023 oordeelt de kinderrechter dat Jeugdbescherming [locatie] het gezag over [slachtoffer] gedeeltelijk uit kan oefenen ter zake van voor haar noodzakelijk medisch onderzoek en behandeling. [slachtoffer] is vervolgens bij een pleeggezin op een geheime locatie ondergebracht.
Er volgen nadere medische onderzoeken, waarbij meerdere botbreuken van wisselende leeftijd bij [slachtoffer] zijn aangetroffen. Volgens de deskundigen is het totale letselbeeld veel waarschijnlijker onder de hypothese van toegebracht letsel dan onder de hypothese van accidenteel letsel. [medeverdachte] en verdachte zijn op 29 maart 2023 aangehouden. Verdachte wordt verweten dat hij samen met [medeverdachte] , [slachtoffer] heeft mishandeld, en dat hij haar in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten.
Het verwijt onder feit 1: het medeplegen van zware mishandeling, terwijl hij het misdrijf heeft begaan tegen een kind dat hij heeft verzorgd of opgevoed als behorend tot zijn gezin
Het hof stelt op basis van het dossier vast dat aan [slachtoffer] op verschillende momenten in tijd, verschillende soorten letsel is toegebracht. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of verdachte hierbij betrokken is geweest. Medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat zowel verdachte als zijzelf even schuldig zijn aan het toebrengen van het ten laste gelegde letsel bij [slachtoffer] . Verdachte ontkent enige betrokkenheid.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]
Vooropgesteld wordt dat in alle strafzaken verklaringen kritisch en zorgvuldig moeten worden bezien. Verklaringen moeten onder meer worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Het is [medeverdachte] die belastend verklaart over verdachte. Daarmee is het beoordelen van haar verklaringen een belangrijk onderdeel in de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.
[medeverdachte] heeft op verschillende momenten een verklaring afgelegd over de wijze waarop het ten laste gelegde letsel volgens haar bij [slachtoffer] is ontstaan. Zo verklaart zij op 29 maart 2023 tegenover de politie dat zij een week daarvoor ruzie kreeg met verdachte en dat zij en verdachte toen tegelijkertijd aan [slachtoffer] trokken omdat [medeverdachte] weg wilde gaan met [slachtoffer] , maar verdachte dit niet wilde. Op 30 maart 2023 verklaart [medeverdachte] tegenover de politie dat zij en verdachte niet één keer, maar vaker aan [slachtoffer] hebben getrokken. [medeverdachte] had [slachtoffer] op die momenten bij haar heupen vast en verdachte had [slachtoffer] onder haar oksels vast. Op 6 april 2023 verklaart [medeverdachte] tegenover de politie dat de enige keer dat het mis ging, de keer was waarop [medeverdachte] en verdachte aan [slachtoffer] hebben getrokken. Ze verklaart ook dat verdachte heel goed met [slachtoffer] was en zich nooit agressief naar haar heeft gedragen. In hetzelfde verhoor verklaart [medeverdachte] dat zij [slachtoffer] allebei hebben geslagen, en daar komt zij even later op terug. Op 8 mei 2023 verklaart [medeverdachte] tegenover de politie dat het per maand twee à drie keer gebeurde dat zij en verdachte beiden hard aan [slachtoffer] trokken. Tegenover de rechtbank verklaart [medeverdachte] op 12 december 2023 dat het trekken vier à vijf keer is gebeurd en dat ze niet met volle kracht heeft getrokken. Het gebeurde ook wel dat verdachte [slachtoffer] bij haar benen vasthield en dat [medeverdachte] [slachtoffer] bij haar armen vasthad. Tegenover de raadsheer-commissaris verklaart [medeverdachte] op 26 februari 2025 dat zij enkele dagen voor de verjaardag van verdachte ( [geboortedag 1] 2023) aan [slachtoffer] heeft getrokken. [medeverdachte] had [slachtoffer] daarbij aan haar heupen vast en verdachte had [slachtoffer] onder haar oksels vast. [medeverdachte] verklaart vervolgens dat het niet vaker is gebeurd dat zij aan [slachtoffer] heeft getrokken.
Hoewel [medeverdachte] in de kern consistent verklaart dat het geconstateerde letsel bij [slachtoffer] is ontstaan doordat verdachte en [medeverdachte] aan [slachtoffer] hebben getrokken, verklaart zij wisselend over hoe vaak zij aan [slachtoffer] hebben getrokken, de wijze waarop zij aan [slachtoffer] hebben getrokken en of zij met of zonder kracht aan [slachtoffer] hebben getrokken. Die wisselingen heeft het hof niet alleen geconstateerd in de op verschillende momenten afgelegde verklaringen, maar ook in de verklaringen zelf. Daarbij komt dat haar verklaring over de wijze waarop het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan niet wordt ondersteund door de verschillende forensisch-medische rapporten die zich in het dossier bevinden. In het meest recente forensisch-medisch rapport van 25 april 2024 (het hof begrijpt: 25 april 2025), opgesteld door [persoon 3] en [persoon 2] , wordt onder meer gerapporteerd dat de door [medeverdachte] geschetste toedracht, te weten het uitoefenen van trekkracht gericht op beide schoudergewrichten dan wel het bovenste gedeelte van de beide bovenarmen, en ter hoogte van beide heupen dan wel het bovenste gedeelte van beide bovenbenen, qua mechanisme geen afdoende verklaring is voor de botbreuken die worden gezien bij [slachtoffer] . Trekken aan armen of benen kan alleen dergelijke breuken veroorzaken als de trekkracht zeer fors en plotseling is.
Doordat [medeverdachte] op essentiële onderdelen inconsistent verklaart, haar verklaringen, gelet op de verschillende forensisch-medische rapporten die zich in het dossier bevinden, onvolledig zijn en haar verklaringen bovendien niet worden ondersteund door ‘objectieve’ bewijsmiddelen, acht het hof de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar. Haar verklaringen kunnen daardoor niet tot het bewijs worden gebezigd.
Conclusie
Feit 1, in alle varianten, spitst zich toe op het (krachtig) aan de armen en benen van [slachtoffer] rukken en/of trekken. Nu enkel [medeverdachte] verklaart dat zij en verdachte aan [slachtoffer] hebben getrokken en het hof haar verklaringen onbetrouwbaar acht, kan het hof niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk aan [slachtoffer] heeft getrokken.
Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.
Het verwijt onder feit 3: het medeplegen van het opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in hulpeloze toestand brengen en/of laten
Van een hulpeloze toestand in de zin van artikel 255 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals onder 3 ten laste gelegd, kan worden gesproken als sprake is van een concreet gevaar voor de gezondheid of het leven van degene tot wiens verzorging de verdachte krachtens wet of overeenkomst verplicht is. Daarvan kan sprake zijn als medische hulp wordt onthouden, terwijl die hulp wel noodzakelijk is. Het opzet van de verdachte dient daarbij onder meer erop gericht te zijn dat de hulpbehoevende in hulpeloze toestand wordt gebracht of gelaten.
De vraag die het hof dient te beantwoorden is of verdachte, samen met [medeverdachte] , [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten door geen medische hulp in te schakelen terwijl zij wisten dat [slachtoffer] medische hulp en/of verzorging nodig had.
Verdachte verklaart onder meer op 29 maart 2023 tegenover de politie dat [slachtoffer] rond de verjaardag van verdachte (op [geboortedag 1] 2023) gezwollen beentjes had. Haar beentjes waren volgens verdachte wat dikker. Hij verklaart hier verder op 8 mei 2023 over dat hij [medeverdachte] ook heeft geadviseerd om naar de dokter te gaan.
Op 30 maart 2023 verklaart verdachte tegenover de politie dat [slachtoffer] op enig moment van de bolderkar is gevallen. Hij verklaart hierover dat [slachtoffer] de volgende dag last had van haar rechterarm. Verdachte heeft toen speciale pijnstillers voor baby’s gekocht. Op 6 april 2023 verklaart hij hier aanvullend over dat hij na het bolderkarincident op het internet heeft gekeken wat hij moest doen. Hij las dat rust en pijnstillers voor baby's goed zijn en dat het dan over zou gaan. Verdachte heeft vervolgens een mitella gemaakt. Die mitella hield haar arm stil. Op 12 december 2023 verklaart verdachte tegenover de rechtbank dat hij [medeverdachte] daarbij wel adviseerde om met [slachtoffer] naar de dokter te gaan. Op de zitting van het hof heeft verdachte zijn verklaring hierover herhaald.
Verdachte heeft ook verklaard dat hij zich zorgen maakte om [slachtoffer] omdat zij mogelijk, net als [medeverdachte] , besmet zou zijn met het Hiv-virus. Hij vond het belangrijk dat [slachtoffer] daarop getest zou worden, en heeft dat ook met de woonbegeleider gedeeld. De verklaring van woonbegeleider [naam 3] bevestigt dit. [naam 3] verklaart ook dat hij contact had met verdachte omdat [slachtoffer] een afspraak bij de GGD had. Dit heeft verdachte doorgegeven aan [medeverdachte] en verdachte meldt aan [naam 3] dat [medeverdachte] niet wil gaan. Ook leest het hof in het verslag [naam 2] , dat eruit ziet als een logboek van 7 april 2022 tot en met 31 maart 2023 waarin alle contactmomenten tussen de verschillende begeleiders met [medeverdachte] en verdachte zijn bijgehouden, dat verdachte zich op verschillende momenten meldt bij de begeleiding van de opvang met zorgen. Zo zou verdachte onder meer hebben gemeld dat [medeverdachte] een afspraak zou hebben in het ziekenhuis, maar dat zij de afspraken niet serieus neemt, dat [medeverdachte] naar [land] wil en aan hem gevraagd heeft tussentijds op [slachtoffer] te passen en dat [slachtoffer] koorts heeft.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande, kan niet worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten en daar opzet op heeft gehad. De enkele constatering van verdachte dat de beentjes van [slachtoffer] opgezwollen waren, is hiervoor onvoldoende. Uit de verklaringen van verdachte, de verklaring van woonbegeleider [naam 3] en het verslag [naam 2] blijkt niet alleen dat verdachte daar waar hij kon zelf actief handelde naar [slachtoffer] en voor de begeleiders fungeerde als persoon die [medeverdachte] mogelijk wel kon bereiken om de medische afspraken na te komen, maar ook dat hij contact zocht met de begeleiding van [medeverdachte] om zijn zorgen over [slachtoffer] te uiten. Dit zijn stevige contra-indicaties voor veronachtzaming aan de zijde van verdachte.
Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 3 ten laste gelegde.
Nu het hof tot deze slotsom komt, kan het verweer van de verdediging of verdachte überhaupt tot de verzorging van [slachtoffer] krachtens wet of overeenkomst verplicht was, onbesproken blijven. Aan die vraag komt het hof niet toe.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit € 7.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dient te worden, omdat inmiddels is gebleken dat de gevorderde schade (inclusief wettelijke rente) is vergoed. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van het hof
Op verzoek van de verdediging heeft de advocaat-generaal navraag gedaan bij het CJIB en per e-mailbericht van 6 mei 2026 meegedeeld dat de benadeelde partij in de zaak van de medeverdachte schadeloos is gesteld door het voorschotfonds en dat het bedrag, alsmede de wettelijke rente, zijn uitgekeerd in februari 2025.
Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, zoals dat sinds 1 april 2019 geldt, komt de uitkering van het schadefonds niet in mindering op het recht op schadevergoeding van het slachtoffer jegens derden. De aansprakelijke persoon gaat aldus niet vrijuit door het verhaal op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. [1] Het slachtoffer behoudt zijn of haar vorderingsrecht op de verdachte, ook nadat het slachtoffer een uitkering van het schadefonds heeft ontvangen.
Gelet op het vorenstaande, zal het hof de vordering van de benadeelde partij, zoals primair bepleit door de verdediging, dan ook niet afwijzen.
Verdachte is daarentegen niet schuldig verklaard aan het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en 3 ten laste gelegde handelen waardoor de gevorderde schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. A. Meester en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 mei 2026.