Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3224

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.362.854/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 lid I Verordening (EU) 2015/262
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering afgifte origineel paardenpaspoort na verstrekking duplicaat

In deze civiele zaak vordert appellant, voormalig eigenaar van het paard [naam1], de afgifte van het originele paardenpaspoort dat bij geïntimeerde in bezit was. De zaak betreft een geschil over het paspoort, dat essentieel is voor verkoop en deelname aan wedstrijden.

Appellant had het paard teruggenomen, maar het originele paspoort werd niet overgedragen. Pogingen om een duplicaatpaspoort te verkrijgen werden aanvankelijk afgewezen omdat het originele paspoort nog in omloop was. Later werd door een derde partij een duplicaatpaspoort verstrekt.

De rechtbank wees aanvankelijk de vordering toe, maar vernietigde dit vonnis in verzet omdat niet kon worden vastgesteld dat geïntimeerde het paspoort nog bezat. In hoger beroep stelde appellant dat hij spoedeisend belang had bij het originele paspoort vanwege de inentingen die daarin staan vermeld. Geïntimeerde stelde dat het originele paspoort zijn geldigheid verloor bij verstrekking van het duplicaat.

Het hof oordeelde dat appellant geen rechtens te respecteren belang meer had bij het originele paspoort, nu een vervangend duplicaat was verstrekt. De vordering werd daarom afgewezen. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten, mede vanwege het onnodig instellen van hoger beroep terwijl het duplicaat al was verstrekt.

Uitkomst: De vordering tot afgifte van het originele paardenpaspoort wordt afgewezen omdat een vervangend duplicaatpaspoort is verstrekt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.854/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 333724
arrest in kort geding van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J. van Groningen
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 13 november 2025 in verzet in kort geding tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep met daarin de grieven
• de brief van mr. Reichenbach van 18 december 2025 waarin bezwaar wordt gemaakt tegen een behandeling als spoedappel
• de beslissing van de rolraadsheer waarin het verzoek om behandeling als spoedappel is afgewezen;
• de memorie van antwoord
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 29 april 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

[appellant] is eigenaar (geweest) van het paard [naam1] , dat bij [geïntimeerde] op stal stond en door haar werd getraind. [appellant] heeft het paard teruggenomen, maar heeft het paardenpaspoort dat hoort bij [naam1] niet van [geïntimeerde] ontvangen. [appellant] vordert in dit kort geding afgifte van het paspoort, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De feiten
3.1
[appellant] is eigenaar (geweest) van het paard [naam1] .
3.2
In 2021 hebben partijen een afspraak gemaakt voor de verzorging en training van [naam1] door [geïntimeerde] .
3.3
Op 5 juni 2024 heeft [appellant] het paard bij [geïntimeerde] laten ophalen door een transportbedrijf.
3.4
Artikel 23 lid Pro I Verordening (EU) 2015/262 bepaalt als volgt:
“De identificatiedocumenten ( .) voor geregistreerde paardachtigen of voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen worden afgegeven, vergezellen de paardachtigen waarvoor ze zijn afgegeven, te allen tijde (...)”
3.5
[geïntimeerde] had het paspoort [naam1] tot mei 2025 in haar bezit en weigerde
aanvankelijk dit paspoort af te geven.
3.6
[appellant] heeft geprobeerd bij het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek
Nederland (hierna: KWPN) een duplicaat paspoort te verkrijgen, maar deze aanvraag is op 18 december 2024 afgewezen. De inhoud van de beslissing luidt:
“Daar het originele paardenpaspoort en stamboekpapier van bovenstaand paard nog in omloop zijn, kunnen wij u geen duplicaat paspoort verstrekken.”
3.7
[appellant] heeft daartegen bezwaar ingesteld bij de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (hierna RVO). Dit bezwaar heeft niet tot afgifte van een duplicaat paspoort
geleid.
3.8
[geïntimeerde] heeft in juli 2025 de KWPN benaderd om een duplicaat paspoort te
verkrijgen. Deze aanvraag is begin augustus 2025 afgewezen. [geïntimeerde] heeft zich
vervolgens tot RVO gewend.
3.9
RVO heeft de aanvraag afgewezen en schrijft in een e-mail van 11 augustus
2025 het volgende.
“Ik reageer met deze mail op uw telefoontjes van vorige week naar RVO. U vraagt om de toestemming voor de afgifte van een duplicaat paspoort voor het paard [naam1] . Bij mijn collega van juridische zaken heb ik informatie ingewonnen over deze zaak Helaas werkt het niet zo dat u kunt vragen om toestemming voor de afgifte van een duplicaat paspoort. Op basis van de uitspraak van de rechter gaan wij er vanuit dat het originele paspoort nog in omloop is. Er mag geen duplicaat paspoort uitgegeven worden als het originele paspoort nog in omloop is en daarom zullen wij dus niet aan de KWPN doorgeven dat zij een duplicaat paspoort mogen uitgeven.”
3.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard in kort geding en heeft afgifte van het paspoort gevorderd op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 25.000. Nadat [geïntimeerde] verstek had laten gaan, heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, die vorderingen op 31 juli 2025 toegewezen.
3.11
[geïntimeerde] is van dat vonnis in verzet gekomen. Zij heeft gevorderd het verstekvonnis te vernietigen en de vorderingen van [appellant] alsnog af te wijzen. Zij heeft aangevoerd dat zij het paspoort niet meer in haar bezit heeft, omdat zij dat per post heeft verzonden, waarna het is zoekgeraakt.
3.12
De voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft het verstekvonnis op 13 november 2025 vernietigd omdat niet kon worden vastgesteld dat [geïntimeerde] het paspoort nog in haar bezit heeft.
3.13
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat zijn vordering alsnog wordt toegewezen.
Spoedeisend belang
3.14
In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof.
3.15
[appellant] heeft aangevoerd dat hij als eigenaar van [naam1] op grond van de wettelijke bepalingen dient te beschikken over het paspoort van [naam1] . Zonder dat paspoort kan het paard niet worden verkocht of deelnemen aan wedstrijden. Om die reden heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vordering in hoger beroep, aldus [appellant] .
3.16
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] medegedeeld dat het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) haar die ochtend telefonisch had bevestigd dat er op 25 oktober 2025 een duplicaat paspoort voor [naam1] is afgegeven aan [naam2] BV. Verder heeft zij met stukken onderbouwd gesteld dat [naam1] blijkens de FEI database (een database voor internationale wedstrijden) in maart en april 2026 op diverse internationale wedstrijden in Italië is uitgekomen. In die database staat met betrekking tot [naam1] onder ‘Ownerships’ vermeld:
“Since 23/02/2026 [naam2] BV”
3.17
[appellant] heeft vervolgens bevestigd dat op 25 oktober 2025 een duplicaat paspoort voor [naam1] is afgegeven. Hij betwist evenwel dat hij [naam1] aan [naam2] BV heeft verkocht. Het paspoort bevindt zich bij genoemd bedrijf in [plaats] omdat [naam1] daar nog steeds gestald is. [naam2] BV brengt [naam1] voor [appellant] op internationale wedstrijden uit.
3.18
[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij nog steeds belang heeft bij zijn vordering omdat hij het originele paspoort gewoon wil hebben. Daarin staan onder andere inentingen vermeld die [naam1] in het verleden heeft gehad.
3.19
[geïntimeerde] , die heeft herhaald dat zij het originele paspoort niet meer in haar bezit heeft, heeft erop gewezen dat een origineel paspoort zijn geldigheid verliest op het moment dat een duplicaat paspoort wordt verstrekt. [appellant] heeft dat niet weersproken.
3.2
Het hof overweegt dat [appellant] , die al voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank, die plaats vond op 30 oktober 2025 de beschikking heeft gekregen over een vervangend paspoort, geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij zijn vordering tot afgifte van het originele, niet meer geldige paspoort. Van een
spoedeisendbelang bij die vordering in dit kort geding was ten tijde van de uitspraak op het verzet eerste aanleg al geen sprake meer en in hoger beroep is daarvan al helemaal geen sprake.
De vordering van [appellant] zal daarom nu moeten worden afgewezen.
3.21
[appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
3.22
Het hof ziet in de omstandigheid dat [appellant] zowel in zijn hoger beroepdagvaarding, die op 11 december 2025 is uitgebracht, als in de spreekaantekeningen tijdens de mondelinge behandeling heeft verzwegen dat inmiddels een vervangend paspoort is verstrekt, aanleiding om bij de proceskostenveroordeling een extra procespunt volgens het toepasselijke tarief te rekenen. [appellant] heeft het hoger beroep immers onnodig ingesteld.
3.23
Het hof ziet echter geen reden [appellant] in de werkelijke advocaatkosten van [geïntimeerde] in beide instanties te veroordelen, zoals haar advocaat heeft bepleit. De opstelling van [geïntimeerde] was in deze zaak ook niet naar behoren. [geïntimeerde] heeft het kort geding in eerste aanleg over zichzelf afgeroepen doordat zij weigerde het paspoort aan [appellant] af te geven en het ook later niet, althans niet op deugdelijke wijze, heeft geretourneerd.

4.De beslissingHet hof:

4.1
Wijst de vordering van [appellant] af;
4.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 362 aan griffierecht
€ 3.870 aan salaris voor de advocaat van [geïntimeerde] (3 procespunten volgens tarief II);
4.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, J.H. Kuiper en M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
19 mei 2026.