Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3212

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
200.350.855/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:166 BWArt. 2:9 BWEuropese Klokkenluidersrichtlijn 2019/1937
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vermeend onrechtmatig ontslag voorzitter Raad van Commissarissen woningcorporatie

In deze civiele zaak vordert de voormalige voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van woningcorporatie deltaWonen schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de overige commissarissen, die hem volgens hem gedwongen hebben ontslag te nemen nadat hij misstanden aan de orde stelde.

De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de Europese Klokkenluidersrichtlijn en het wettelijk benadelingsverbod ten tijde van de interne melding nog niet van toepassing waren, waardoor de eiser zelf het verband tussen zijn melding en benadeling moet onderbouwen, wat niet is gelukt.

Uit het dossier blijkt dat er geen ernstige onregelmatigheden bij deltaWonen zijn vastgesteld, ondanks uitgebreid onderzoek door de Autoriteit woningcorporaties en een extern bureau. De commissarissen stelden dat er sprake was van een mismatch in de samenwerking met de voorzitter, die zich bemoeizuchtig en wantrouwend opstelde, wat leidde tot spanningen.

De wijze waarop het ontslagproces is verlopen was niet onberispelijk, maar het hof oordeelt dat dit niet leidt tot onrechtmatig handelen of aansprakelijkheid. De vorderingen worden afgewezen en de eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank; eiser wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.855/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 305807
arrest van 19 mei 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaten: mrs. R.H. Stam en W.J. Moll
en

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats1]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats1]

3. [geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats2]

4. [geïntimeerde4]

die woont in [woonplaats3]

5. [geïntimeerde5]

die woont in [woonplaats4]

6. [geïntimeerde6]

die woont in [woonplaats5]
Samen aan te duiden als
de commissarissen
advocaten: mrs. F.J. van Wijk en J.J.D. de Leur

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Na de inleidende dagvaarding in hoger beroep en de memories van grieven en van antwoord, heeft op 10 april 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Omdat nader overleg niet tot een schikking heeft geleid, hebben partijen het hof uiteindelijk gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant] was de eerste paar maanden van 2015 voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van deltaWonen. Volgens hem hebben de overige commissarissen hem gedwongen ontslag te nemen, omdat hij misstanden bij deltaWonen aan de orde heeft gesteld. Hij wil dat de commissarissen worden veroordeeld de schade te vergoeden die hij hierdoor zegt te hebben geleden. Het hof zal hierna kort de feitelijke achtergrond van dat geschil schetsen en daarna een samenvatting geven van de stand van de procedure tot nu toe. Bij de beoordeling zullen ook nadere feiten aan de orde komen. Waar die ter discussie staan, zal het hof dat vermelden.

3.De feiten

3.1
DeltaWonen is een woningcorporatie uit Zwolle . Deze organisatie beheert ongeveer 15.000 woningen in de gemeenten Zwolle , Kampen en Oldebroek . Bij deltaWonen zijn circa 200 werknemers in dienst.
3.2
Met ingang van 1 januari 2015 is [appellant] benoemd tot voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van deltaWonen. De directeur-bestuurder van deltaWonen, [naam1] , had hierbij een adviserende rol.
3.3
In januari 2015 heeft [appellant] aan de bestuurssecretaris en manager bestuurszaken van deltaWonen, mevrouw [naam2] , en aan de adviseur P&O van deltaWonen, mevrouw [naam3] , vragen gesteld over het in rekening brengen van btw over het honorarium van de commissarissen, over hun Verklaring arbeidsrelatie (VAR) en over de onkostenvergoeding en creditcarduitgaven van [naam1] . [naam2] beantwoordde op 13 januari 2015 de vraag over de btw en verwees daarbij naar een RvC-besluit uit 2012.
3.4
Op 13 februari 2015 vergaderde de selectie- en renumeratiecommissie. Daarvan waren op dat moment [appellant] , [geïntimeerde4] en [geïntimeerde5] lid. De btw over het honorarium en de uitgaven van [naam1] kwamen in deze vergadering niet aan de orde. Op 18 februari 2015 deelde [naam2] een conceptverslag van de vergadering met de leden. Hij verzocht eventuele opmerkingen kenbaar te maken. [appellant] stuurde vervolgens op l maart 2015 een gereviseerde versie van het verslag aan de leden.
3.5
In de eerste week van maart 2015 vonden over het functioneren en de manier van optreden van [appellant] diverse gesprekken plaats tussen (op 4 maart 2015 eerst) [naam1] , [geïntimeerde4] , [geïntimeerde5] en [geïntimeerde3] . Dat leidde tot een vergadering van de commissarissen [geïntimeerde3] , [geïntimeerde2] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde6] , in aanwezigheid van [naam1] en [naam2] op 6 maart 2015. In deze vergadering werd door de aanwezige commissarissen besloten dat voortzetting van de samenwerking met [appellant] niet wenselijk was. Alle commissarissen tekenden een voornemen tot ontslag. [geïntimeerde3] overhandigde dat voornemen die dag aan [appellant] .
3.6
De commissarissen agendeerden vervolgens een vergadering met als onderwerp het ontslag van [appellant] als voorzitter van de RvC. Op 20 maart 2015 vond deze vergadering plaats. Aan het einde daarvan heeft [appellant] zelf zijn ontslag aangekondigd. Dat diende hij vervolgens op 9 april 2015 in.

4.De procedure

4.1
[appellant] heeft gevorderd dat de rechtbank uitspreekt (voor recht verklaart) dat de commissarissen ieder voor zich en ook gezamenlijk onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld en aansprakelijk zijn op grond van een (gewone) onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro jo. artikel 6:166 BW Pro, met veroordeling van ieder van de commissarissen afzonderlijk (en ook gezamenlijk) tot betaling van een schadevergoeding. Die zou dan moeten worden begroot in een afzonderlijke procedure - de zogenaamde schadestaat. Voor het geval dat niet kan worden toegewezen, heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat ieder van de commissarissen tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld en jegens hem aansprakelijk is op grond van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro jo. artikel 2:9 BW Pro. De rechtbank heeft in een vonnis van 24 oktober 2024 deze vorderingen afgewezen.
4.2
De bedoeling van [appellant] met het hoger beroep is dat alsnog toewijzing van zijn vorderingen volgt. Daarbij is de eis vermeerderd. [appellant] vraagt nu ook om een verklaring voor recht die inhoudt dat het voornemen tot ontslag tot stand is gekomen op een wijze die niet voldoet aan de eisen van zorgvuldige en transparante besluitvorming, zoals die gelden binnen het kader van behoorlijk bestuur (governance), en dat daarmee afbreuk is gedaan aan het vertrouwen in de integriteit en onafhankelijkheid van het interne toezicht binnen de woningcorporatie. Tegen deze eisvermeerdering is geen bezwaar gemaakt, en het hof ziet evenmin procedurele belemmeringen. Ook dit deel van de vordering zal daarom worden beoordeeld.
4.3
Deze nieuwe vordering kan echter niet worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de andere zojuist genoemde vorderingen. De beslissing van het hof zal zijn dat het bestreden vonnis in stand blijft. Dat licht het hof hierna toe.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

Uitgangspunten
5.1
De rechtbank heeft bij de beoordeling terecht voorop gesteld dat de Europese Klokkenluidersrichtlijn 2019/1937 ten tijde van de door [appellant] gestelde interne melding nog niet van toepassing was. Ook het wettelijk benadelingsverbod is pas na de gestelde interne melding ingevoerd. Later ingetreden Europese regelgeving heeft niet tot gevolg dat oudere Nederlandse wetgeving op een andere manier ingevuld moet worden. De Europese regelgeving is door Nederland inmiddels geïmplementeerd in een andere wet, maar [appellant] kan daar geen beroep op doen omdat deze niet bestond ten tijde van zijn melding. Hij kan dus ook geen beroep doen op het in die Europese regelgeving opgenomen vermoeden van een verband tussen zijn gestelde en zijn benadeling. Om die reden was ook juist de constatering van de rechtbank dat [appellant] dat verband zelf zal moeten stellen en onderbouwen. Van een ‘bevrijdend verweer’ (waarvan de commissarissen bij gemotiveerde betwisting de bewijslast zouden dragen), is hier geen sprake, en voor een andere verdeling van de bewijslast bestaat ook anderszins geen aanleiding.
5.2
Eveneens terecht heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat het verwijt aan de commissarissen hun handelen in die hoedanigheid betreft, en dat [appellant] om die reden moet onderbouwen dat hun ieder afzonderlijk van hun handelen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Die hoge drempel voor aansprakelijkheid wordt volgens vaste rechtspraak gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij (in dit geval [appellant] ) primair [1] sprake is van handelingen van de rechtspersoon (in dit geval deltaWonen), en door het maatschappelijk belang dat voorkomen moet worden dat bestuurders of commissarissen hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid geldt echter niet als het handelen van de aangesproken bestuurder of commissaris geen verband houdt met zijn of haar hoedanigheid als bestuurder of commissaris. In zo’n geval gelden de gewone, minder strenge eisen van artikel 6:162 BW Pro. [2] Dat is hier echter niet aan de orde.
5.3
Het hof zal hierna concluderen dat de verwijten die [appellant] aan de commissarissen heeft gemaakt, zijn blijven steken in vermoedens en suggesties, en dat het dossier veeleer steun biedt aan het betoog van de commissarissen dat tussen [appellant] en deltaWonen sprake was van een mismatch die ertoe heeft geleid dat partijen vroegtijdig uit elkaar zijn gegaan.
Het verweer: een mismatch
5.4
Voor de beoordeling van de verwijten die [appellant] aan het adres van de commissarissen maakt - maar vooral ook voor de beoordeling van het verweer daartegen -, is de aanloop naar zijn benoeming van belang. Daarin kan namelijk steun worden gevonden voor het betoog van de commissarissen dat zij in actie zijn gekomen nadat zij hadden geconcludeerd dat sprake was van wat zij een mismatch hebben genoemd.
5.5
[appellant] heeft in 2014 een selectieprocedure doorlopen waarin een aantal gesprekken met de selectiecommissie is gevoerd. Die commissie bestond uit [geïntimeerde3] , [geïntimeerde4] en [geïntimeerde5] . Tijdens de procedure hadden zij vooraf op internet informatie over [appellant] gelezen waaruit het beeld oprees van een man die gewend is om als bestuurder de touwtjes in handen te hebben. Tijdens het gesprek met [appellant] is daarom nadrukkelijk stilgestaan bij de vraag of hij in staat zou zijn om vanuit zijn oude rol als bestuurder door te stappen naar de rol van commissaris, dus van een toezichthouder op afstand. De commissieleden hebben toen gezegd dat zij zich konden voorstellen dat dit op basis van wat zij hadden gelezen een moeilijke opgave zou kunnen zijn. [appellant] antwoordde dat hij dit begreep en dat hij zich goed bewust was van wat zijn rol als toezichthouder zou gaan betekenen, in vergelijking met zijn oude rol als bestuurder. Die reactie, in combinatie met zijn motivatie, voorbereiding en presentatie, waren voor de commissieleden doorslaggevend bij hun besluit hem tot voorzitter van de commissarissen te benoemen.
5.6
De commissarissen hebben aangevoerd dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan zijn toezegging om de bij zijn rol als commissaris vereiste afstand in acht te nemen, en zich van meet af aan zeer bemoeizuchtig en wantrouwend heeft opgesteld. Volgens hen heeft dat binnen de organisatie tot grote spanningen geleid.
5.7
Dit verweer vindt in belangrijke mate steun in de stukken. Het hof komt daar hierna nog op terug. Op deze plaats is allereerst van belang te herhalen dat voor de beoordeling van de verwijten die [appellant] de commissarissen maakt, niet doorslaggevend is of het verweer van de commissarissen - in zijn woorden - voldoende steun vindt in de feiten (en of daarbij sprake is van tegenstrijdigheden), maar of hij voldoende onderbouwing heeft gegeven aan zijn eigen verwijten aan het adres van de commissarissen. Zoals de rechtbank op goede gronden heeft overwogen, is dat niet het geval. Het hof zal dat nader toelichten aan de hand van (i) de constatering dat meerjarig onderzoek dat is uitgevoerd geen ernstige onregelmatigheden bij deltaWonen aan het licht heeft gebracht en (ii) de gebeurtenissen op en na de vergadering van 13 februari 2015.
Ad (i) De resultaten van het ingestelde onderzoek
5.8
[appellant] heeft op 15 maart 2015 bij de Autoriteit woningcorporaties (de Autoriteit) melding gedaan van mogelijke misstanden en de manier waarop met hem was omgegaan. De Autoriteit startte naar aanleiding daarvan een onderzoek. De commissarissen schakelden op hun beurt (na het voorgenomen ontslag van [appellant] ) bureau Integis in om onderzoek te doen naar de onderwerpen die volgens [appellant] niet juist waren. Het rapport van Integis en de naar aanleiding daarvan genomen maatregelen zijn toegestuurd aan de Autoriteit, die op basis daarvan concludeerde dat het onderzoek kon worden afgerond.
5.9
De minister voor Wonen en Rijksdienst merkte in een Kamerbrief van 7 april 2016 over deze kwestie op dat uit meerjarig onderzoek naar de declaraties van de bestuurder van deltaWonen was gebleken dat in ieder geval in 2012 een keer ten onrechte privékosten zijn gedeclareerd voor een totaalbedrag van € 352. Terugbetaling hiervan heeft in 2015 plaatsgevonden. Voor het overige is er in enkele gevallen sprake geweest van een privébetaling met de bedrijfskaart in een situatie van overmacht, waarbij aansluitend contact is opgenomen met de corporatie en terugbetaling heeft plaatsgevonden. De RvC heeft hieruit geconcludeerd dat het proces van declaratie en controle verbetering behoefde. Daarnaast zou duidelijker omschreven moeten worden wat wel en niet gedeclareerd kan worden. Deze maatregelen zijn doorgevoerd, aldus nog steeds de minister.
5.1
De minister schreef vervolgens dat de Autoriteit op 5 oktober 2015 aan deltaWonen had laten weten dat de RvC naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek adequaat had opgetreden en dat de RvC de juiste maatregelen had getroffen. Daarnaast richtte het onderzoek zich op mogelijke onregelmatigheden ten aanzien van btw in relatie tot de commissarisvergoedingen. De minister:
Integis stelt vast dat de honorering van de commissarissen over de onderzochte periode voldoet aan deze kaders. Wel constateert Integis vóór 2013 een verschil tussen de verantwoording in de jaarstukken en de daadwerkelijke uitbetaling zoals deze uit de administratie blijkt. De feitelijke uitbetaling was overigens lager dan hetgeen is verantwoord in de jaarstukken en daarmee eveneens binnen de norm. Uitbetaling aan alle commissarissen tezamen geeft een verschil van ongeveer € 4.400.- waarvan f 678,- niet verklaarbaar is.
Commissarissen dienen, na een overgangsperiode, dientengevolge omzetbelasting te voldoen over de commissarissenbeloning. Dit brengt met zich mee dat met ingang van 1 januari 2013 commissarissen een factuur kunnen indienen waarmee zij de voor hen geldende vergoeding plus het daarover te betalen bedrag aan omzetbelasting in rekening brengen bij de betreffende corporatie. De VTW adviseert deze werkwijze. In 2013 is volgens het Integis-rapport uil de administratie gebleken dat de btw ook daadwerkelijk vergoed is aan de commissarissen. De Autoriteit woningcorporaties acht de genomen maatregelen voldoende en beschouwde de zaak hiermee als afgedaan. De RvC van Delta Wonen heeft in zijn ogen adequaat opgetreden.
5.11
Dit weerhield [appellant] er niet van om op 23 oktober 2017 een verzoek in te dienen bij het Huis voor Klokkenluiders (het Huis). In het rapport dat Het Huis op 28 maart 2023 uitbracht, werd geconcludeerd dat sprake is geweest van een op redelijke gronden door [appellant] gedane interne melding van vermoedens van misstanden en dat hij ten gevolge van die melding door deltaWonen is benadeeld. Wat van deze (door de commissarissen inhoudelijk bestreden) conclusies ook moge zijn, zij laten onverlet dat het meerjarig onderzoek dat is uitgevoerd geen ernstige onregelmatigheden bij deltaWonen aan het licht heeft gebracht. Tegen deze achtergrond schiet de feitelijke onderbouwing van de stelling van [appellant] tekort dat de commissarissen zich in februari 2015 van hem hebben willen ontdoen om te voorkomen dat hij misstanden op het spoor zou komen en aan het licht zou brengen.
Ad (ii) Vanaf de vergadering van 13 februari 2015 tot aan het ontslag
5.12
Volgens de commissarissen vormde de vergadering van 13 februari 2015 een belangrijk kantelpunt in de onderlinge verhoudingen door de confronterende en kritische houding van [appellant] , maar vooral omdat hij het toegezonden verslag van deze vergadering met een rode pen had bewerkt, teksten op een andere manier had geformuleerd dan besproken en naar eigen inzicht de opbouw van het verslag had aangepast, zonder zich af te vragen waarom het verslag een bepaalde structuur had.
5.13
Zoals hiervoor al is opgemerkt, hebben de commissarissen na deze vergadering onderling over [appellant] gesproken. Uitgaande van wat daarover uit de stukken blijkt, stond in die discussie het gedrag en optreden van [appellant] binnen de organisatie van deltaWonen centraal. Dat gedrag is door [geïntimeerde3] als schofferend en onacceptabel beschreven. Groot belang hechtten de commissarissen daarbij aan de wijze waarop [appellant] secretaris [naam2] had benaderd – wat, dat staat wel vast, bij haar tot huilbuien heeft geleid. Zoals de rechtbank al constateerde, blijkt uit de notulen van de vergadering van 6 maart 2015, die inhoudelijk niet ter discussie staan, dat de manier van communiceren en van werken van [appellant] als reden is besproken om tot het voorgenomen besluit te komen.
5.14
De indruk die hieruit naar voren komt, is er een van conflicterende persoonlijkheden en een daarbij passende, fors uiteenlopende opvatting over een juiste wijze van opereren in een organisatie als die van deltaWonen. Dat beeld is zowel in het mailverkeer direct na het overhandigen van de hiervoor in 3.5 bedoelde brief op 6 maart 2015 als ter zitting bij het hof bevestigd: de commissarissen komen over als voorzichtig en conflictmijdend, terwijl [appellant] overkomt als scherp van toon, recht door zee, gestuurd door een sterk rechtvaardigheidsgevoel en overtuigd van eigen kunnen. Maar in de beleving van de commissarissen ook: solistisch, te weinig op afstand, wantrouwend en sterk oordelend.
5.15
Het is daarom alles bij elkaar genomen aannemelijk dat de commissarissen zodanig zijn geschrokken van de stijl waarin [appellant] is opgetreden, dat zij in het belang van de continuïteit van en rust in de organisatie meenden vroegtijdig afscheid van hem te moeten nemen. De manier waarop zij dat hebben gedaan, verdient niet de schoonprijs, zoals ook ter zitting bij het hof door de commissarissen werd onderkend. Zo is de regel niet in acht genomen dat de commissarissen elk afzonderlijk over het voorgenomen ontslag moeten worden geconsulteerd, en had het op de weg van de commissarissen gelegen om eerst (dus voor de vergadering van 6 maart 2015) met [appellant] in gesprek te gaan over zijn werkwijze als zij daar aanstoot aan namen of als zij zich daarover zorgen maakten. Ook kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de snelheid waarmee de commissarissen tot de conclusie kwamen dat de kritische opstelling en het eigenzinnige optreden van [appellant] als commissaris een onherstelbare vertrouwensbreuk opleverde. Met uitzondering van wat hierna onder 5.18 nog wordt besproken (good governance), ligt dat alles naar het hof begrijpt echter niet aan de vordering van Doeschate ten grondslag. Voor zover dat anders mocht zijn, is de vordering – uitgaande van de strenge eis dat sprake moet zijn van een persoonlijk ernstig verwijt - in de ogen van het hof onvoldoende onderbouwd. Maar ook indien het handelen van de commissarissen langs de lat van de ‘gewone’ onrechtmatige daad zou worden gelegd, valt zonder deugdelijke toelichting, die niet gegeven is, niet in te zien dat (een of meer van) de commissarissen die norm hebben geschonden.
5.16
Die conclusie trekt het hof ook als juist mocht zijn dat de commissarissen ervan op de hoogte zijn geweest dat [appellant] niet alleen een kritische houding aannam, maar ook onderzoek meende te moeten doen naar mogelijke misstanden ten aanzien van factureringen en betalingen. Het staat daarbij niet vast dat zij over die kennis beschikten: de commissarissen ontkennen het, en het blijkt niet evident uit brieven, mails (met name niet die direct vanaf 6 maart 2015 gewisseld zijn) of verslagen. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat daarbij relevant is dat [appellant] herhaaldelijk heeft verklaard tegen [naam2] te hebben gezegd dat hij zijn vragen over de btw over het honorarium van de commissarissen en over de creditcarduitgaven van [naam1] persoonlijk in een vergadering van de RvC op 20 maart 2015 ter sprake wilde brengen, en dat hij die niet van tevoren bekend wilde maken. Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant] opgemerkt dat eerder, in de vergadering van 13 februari 2015, inderdaad niet over misstanden is gesproken.
5.17
Voor zover alle afgelegde verklaringen over het verloop van de gebeurtenissen tegenstrijdigheden bevatten, zijn die niet van dien aard dat over het voorgaande anders moet worden geoordeeld. Zoals gezegd, zijn er ook geen steekhoudende argumenten aangevoerd ter onderbouwing van het verwijt dat een of meerdere commissarissen afzonderlijk toch onrechtmatig tegenover [appellant] hebben gehandeld.
Strijd met good governance?
5.18
In dit hoger beroep heeft [appellant] nog gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat het voornemen tot ontslag tot stand is gekomen op een wijze die niet voldoet aan de eisen van zorgvuldige en transparante besluitvorming, zoals die gelden binnen het kader van behoorlijk bestuur (governance), en dat daarmee afbreuk is gedaan aan het vertrouwen in de integriteit en onafhankelijkheid van het interne toezicht binnen de woningcorporatie. Hoewel dat besluitvormingsproces blijkens het voorgaande bepaald niet onberispelijk kan worden genoemd, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende rechtens te respecteren belang bij een dergelijke verklaring voor recht. Van onrechtmatig handelen van (een of meer van) de commissarissen is immers niet gebleken en daarmee is ook de weg naar schadevergoeding (immateriële schadevergoeding inbegrepen) voor [appellant] niet begaanbaar. Bovendien is het van het voorgenomen ontslag door de commissarissen uiteindelijk ook niet gekomen. Tegen die achtergrond is de enkele behoefte aan genoegdoening onvoldoende voor toewijzing van deze vordering.
Geen nadere bewijsvoering
5.19
Voor nadere bewijsvoering ziet het hof gelet op het voorgaande geen ruimte – te minder omdat [geïntimeerde3] , [naam1] en [naam2] al onder ede over de zaak zijn gehoord.
De conclusie
5.2
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
5.21
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 23 oktober 2024;
6.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van de commissarissen:
€ 517,47 aan (€ 144,47 exploitkosten en € 373,- griffierecht)
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van de commissarissen (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, P.S. Bakker en P.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
19 mei 2026.

Voetnoten

1.Vgl. concl. A-G Timmerman, rn. 4.8 en 4.12– 4.13 voor HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881.
2.Vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, rov. 3.5.2-3.5.4.