Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3194

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
200.364.310
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:247 lid 3 BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige onbegeleide omgangsregeling vader en kind vastgesteld door hof

De vader verzocht de rechtbank om een voorlopige omgangsregeling met zijn kind, erkenning, gezag en een informatieregeling. De rechtbank wees het verzoek af en ontzegde de omgang zolang de erkenning en gezagskwesties niet waren beslist.

In hoger beroep stelde het hof vast dat er wel sprake is van family life tussen vader en kind, ondanks het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking vóór de geboorte. De vader had sinds de geboorte regelmatig contact gehad, waaronder negen bezoekmomenten in 2025, die door de moeder eenzijdig werden stopgezet.

Het hof oordeelde dat er geen goede redenen zijn om omgang te ontzeggen en dat de spanningen tussen ouders onvoldoende zijn om het contact te blokkeren. Het hof stelde daarom een voorlopige onbegeleide omgangsregeling van een uur per week vast, waarbij ouders via ouderschapsbemiddeling afspraken maken over tijd en plaats. Deze regeling geldt totdat de rechtbank in de bodemprocedure beslist.

Uitkomst: Het hof stelt een voorlopige onbegeleide omgangsregeling van een uur per week vast tussen vader en kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.310
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 602620)
beschikking van 21 mei 2026
over een voorlopige omgangsregeling met
[de minderjarige1]
geboren [in] 2023
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P.W.M. Franssen
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J. van Elk
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof.

1.Samenvatting

De vader heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige omgangsregeling met [de minderjarige1] . De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 22 januari 2026 beslist dat de vader geen omgang met [de minderjarige1] heeft, zolang nog niet is beslist op zijn verzoeken tot erkenning van [de minderjarige1] , het gezag over [de minderjarige1] en een informatieregeling. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven. Het hof ziet aanleiding om een voorlopige onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige1] vast te stellen van een uur per week en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige1] is geboren [in] 2023.
2.2.
De vader zegt, en de moeder heeft dat bevestigd, dat hij de biologische vader van [de minderjarige1] is.
2.3.
De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige1] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht:
  • hem vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige1] te verlenen
  • hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige1]
  • de moeder te verplichten hem regelmatig te informeren over [de minderjarige1]
  • een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige1] vast te stellen.
3.2.
De rechtbank heeft op 22 januari 2026 alleen beslist over de voorlopige omgangsregeling. Het verzoek van de vader is afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en alsnog een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige1] vaststelt van minimaal een keer per week een uur.
4.2.
De moederis het eens met de beslissing van de rechtbank omtrent de omgang. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 26 januari 2026
  • het verweerschrift
  • de stukken van mr. Franssen ingediend op 4 maart 2026
  • de spreekaantekeningen van de vader
  • de spreekaantekeningen van de moeder.
4.4.
De zitting bij het hof was op 9 april 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
Een kind heeft als er sprake is van ‘family life’ recht op omgang met zijn ouders [1] .
5.2.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.3.
Op de ouder die met het gezag is belast, rust de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen [2] .
Standpunten
5.4.
De vader is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat hij geen ‘family life’ met [de minderjarige1] heeft en daarom geen aanspraak op omgang. Ook is hij het er niet mee eens dat de rechtbank geen voorlopige omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige1] heeft vastgesteld. Tot oktober 2024 heeft de vader contact gehad met [de minderjarige1] . Dat contact is door de moeder abrupt verbroken. De rechtbank miskent in de ogen van de vader dat nog langer uitblijven van contact tussen [de minderjarige1] en haar vader schadelijk is voor haar ontwikkeling. Deze inbreuk op het recht op family life is daarom niet gerechtvaardigd. Er moet zo snel mogelijk omgang komen.
5.5.
De moeder is het eens met de rechtbank dat geen sprake is van ‘family life’. Volgens de moeder was er geen voorgenomen gezinsleven vóór de geboorte van [de minderjarige1] , was er na de geboorte geen structureel contact tussen [de minderjarige1] en de vader en heeft de vader schadelijke uitspraken richting de moeder gedaan. Daarnaast ontbreekt iedere vorm van daadwerkelijke zorg voor [de minderjarige1] , ook in financiële zin. De moeder heeft juist veel moeite gedaan om tot structureel contact tussen de vader en [de minderjarige1] te komen. De moeder heeft die contacten stopgezet omdat dit niet verder kwam dan incidenteel contact: de vader was veel in [land1] en dan bestond het contact uit af en toe videobellen. Ondanks alles heeft de moeder de vader alsnog een kans geboden om zijn verantwoordelijkheid te nemen door negen ontmoetingen met [de minderjarige1] te plannen. Toen de moeder na deze ontmoetingen voorstelde om afspraken over
de omgang en de financiële bijdrage van de vader vast te leggen op papier, gaf de vader
aan zich niet te willen vastleggen. De moeder heeft naar aanleiding daarvan besloten
om de ontmoetingen te stoppen.
Advies raad
5.6.
De raad vindt dat de ouders eerst via ouderschapsbemiddeling met elkaar in gesprek moeten om oud zeer uit het verleden te bespreken, zodat [de minderjarige1] op een ontspannen manier het contact met haar vader kan aangaan. De raad vindt aan de ene kant dat het jammer zou zijn als er geen omgang tussen de vader en [de minderjarige1] zou zijn zolang de procedure bij de rechtbank over de erkenning nog loopt. Aan de andere kant moeten de ouders ook de ruimte krijgen om de omgang in een verantwoord tempo op te bouwen. Al met al adviseert raad om het verzoek van de vader tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling af te wijzen, en dat het de voorkeur heeft dat de ouders in het ouderschapsbemiddelingstraject tot afspraken komen over een voorlopige omgangsregeling.
Wat vindt het hof?
Ontvankelijkheid
5.7.
Het hof moet allereerst beoordelen of de vader ontvankelijk is in zijn verzoek. Hiervoor moet worden voldaan aan twee vereisten:
- de vader is de biologische vader van het kind; en
- de vader staat in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind.
Aan het eerste vereiste is volgens partijen voldaan. Daarover bestaat tussen partijen immers geen geschil. Wel in geschil is de vraag of de vader in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [de minderjarige1] . Er is een nauwe persoonlijke betrekking als er sprake is van (
intended)
family life. Om (
intended)
family lifeaan te nemen, is het biologische vaderschap onvoldoende. Voor het vaststellen van (
intended)
family lifezijn dus feiten en omstandigheden nodig waaruit kan blijken van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [de minderjarige1] . Die omstandigheden kunnen zijn gelegen in de aard van de relatie van de vader en de moeder voor de geboorte, de interesse voor en betrokkenheid bij het kind voor en na de geboorte, de omstandigheden na de geboorte (zoals contacten met het kind), dan wel een combinatie van omstandigheden voor en na de geboorte.
5.8.
Het hof is van oordeel dat in dit geval vóór de geboorte van [de minderjarige1] geen nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan op basis van
intended family life: de vader heeft de moeder tijdens haar zwangerschap meerdere keren laten weten dat hij geen kind met haar wilde, hij is met uitzondering van een bezoek aan het ziekenhuis niet betrokken geweest bij de zwangerschap en hij is niet bij de bevalling aanwezig geweest.
5.9.
Na de geboorte van [de minderjarige1] is er echter wel
family lifetussen de vader en [de minderjarige1] ontstaan. Zo heeft de vader kennis gemaakt met [de minderjarige1] na de bevalling, hebben de ouders gesproken over erkenning van [de minderjarige1] door de vader, en zijn er videobelcontacten tussen vader en [de minderjarige1] geweest in periodes dat de vader in [land1] verbleef. Verder staat vast dat de vader en [de minderjarige1] in de zomer van 2025 negen keer omgang met elkaar hebben gehad - daarvan zijn ook foto’s overgelegd - en dat de moeder dit contact in juli 2025 eenzijdig gestopt heeft. De vader heeft dus vanaf de geboorte veelvuldig contact gehad met [de minderjarige1] . Op basis daarvan is het hof van oordeel dat sprake is van family life. De vader is ontvankelijk in zijn verzoek.
Omgang
5.10.
Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of er goede redenen zijn om de vader omgang met [de minderjarige1] te ontzeggen. Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval.
5.11.
Het hof ziet namelijk sinds de geboorte van [de minderjarige1] een vader met een consistente wens om invulling aan zijn vaderschap te geven. Dat spreekt niet alleen uit de vele contacten die de vader met [de minderjarige1] sinds haar geboorte heeft gehad, maar ook uit de mailberichten van de vader aan de moeder in juli 2025, en de juridische stappen die de vader daarna heeft gezet om de omgang met [de minderjarige1] te kunnen hervatten. Hoewel het hof net als de raad ziet dat er spanningen tussen de ouders zijn, vindt het hof die spanningen onvoldoende reden om in afwachting van verbetering daarin het contact tussen de vader en [de minderjarige1] nog langer te onderbreken. Volgens de vader - en de moeder heeft dat niet weersproken - zijn de bezoekmomenten tussen de vader en [de minderjarige1] op zichzelf namelijk goed en leuk verlopen. Dit blijkt ook uit genoemde foto’s. Zeker nu op de mondelinge behandeling duidelijk is geworden dat de ouders in mei 2026 zullen starten met ouderschapsbemiddeling, ziet het hof voldoende waarborgen dat hervatting van de omgang met [de minderjarige1] op een verantwoorde manier mogelijk is.
5.12.
Onder deze omstandigheden vindt het hof een voorlopige onbegeleide omgangsregeling van een uur per week zoals door de vader ook gevraagd, waarbij de ouders in onderling overleg via ouderschapsbemiddeling het tijdstip en de plaats van de omgang afspreken, het meest in het belang van [de minderjarige1] .

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 januari 2026 en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt een
voorlopigeonbegeleide omgangsregeling, dus totdat de rechtbank in de bodemprocedure over de omgang heeft beslist, tussen de vader en [de minderjarige1] vast van een uur per week, waarbij de ouders in onderling overleg via ouderschapsbemiddeling het tijdstip en de plaats van de omgang afspreken.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, P.B. Kamminga en
L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op
21 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:377a lid 1 BW en volgt ook uit artikel 9 lid 3 IVRK Pro en artikel 24 lid 3 Handvest Pro van de grondrechten van de EU
2.artikel 1:247 lid 3 BW Pro en HR 28 maart 2014, ECLI:NL: HR:2014:748