Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3114

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.363.501
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:450 lid 1 BWArt. 1:451 lid 2 BWArt. 1:452 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging benoeming professionele mentor wegens ongeschiktheid kinderen

De moeder is vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen en is aangewezen op intramurale zorg. De kantonrechter stelde eerder een professionele mentor aan, Goedhart Bewind B.V., nadat eerdere mentorschappen niet effectief bleken.

De zoon en dochter, die eerder zelf de belangen van hun moeder behartigden, voerden verweer tegen de benoeming van de professionele mentor en verzochten zelf als mentor te worden benoemd. Het hof overwoog dat hoewel de moeder in een levenstestament een algemene volmacht aan de dochter gaf, dit niet bindend is indien het belang van de moeder anders vereist.

Diverse professionals verklaarden dat de zoon en dochter een bedreigende houding aannemen en niet in staat zijn tot constructieve samenwerking met zorgverleners, wat leidde tot een onwerkbare situatie. De huidige mentor en bewindvoerder functioneren daarentegen adequaat en stemmen goed af met de zorginstelling.

Het hof concludeert dat het in het belang van de moeder is dat de professionele mentor blijft functioneren en wijst het hoger beroep van de zoon en dochter af. De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de benoeming van Goedhart Bewind B.V. als mentor.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.501
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11961937)
beschikking van 19 mei 2026
in de zaak over de benoeming van een mentor
[verzoekster](de dochter)
die woont in [woonplaats1]
en
[verzoeker](de zoon)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. H. Sala
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in een woonzorgcentrum in [woonplaats2]
en
Officier van Justitie,
arrondissementsparket Midden-Nederland, locatie Utrecht
,
verder te noemen: de officier van Justitie,
en
Goedhart Bewind B.V.(de mentor)
die is gevestigd in Hilversum
en
Wett & Roobe B.V.(de bewindvoerder)
die is gevestigd in Veenendaal
advocaat: mr. C.P. Visser
en
[naam1](de zorginstelling)
gevestigd te [vestigingsplaats]
mr. A. Kiewiet

1.Samenvatting

De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft in zijn beschikking van 6 januari 2026 het verzoek van de Officier van Justitie om een mentorschap in te stellen voor de moeder en Goedhart Bewind B.V. tot mentor te benoemen toegewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft vanaf september 2024 tot [in] mei 2025 verbleven in het UMC Utrecht. Daarvoor heeft zij zes maanden verbleven in een revalidatiecentrum.
2.2.
Bij beschikking van 23 april 2025 heeft de kantonrechter de moeder onder bewind gesteld met benoeming van Wett & Roobe B.V. tot bewindvoerder en een mentorschap ingesteld met benoeming van AvS Mentorschap tot mentor.
2.3.
Het CIZ heeft op 6 mei 2025 besloten dat het noodzakelijk is de moeder op te nemen in een Wzd-geregistreerde accommodatie. Dat is een gedwongen opname in een verpleeghuis. [in] mei 2025 is de moeder overgeplaatst naar een woonzorgcentrum.
2.5.
Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de kantonrechter het mentorschap op verzoek van AvS Mentorschap opgeheven omdat uitvoering van het mentorschap niet goed mogelijk was.

3.De procedure bij de kantonrechter

3.1
De officier van Justitie heeft bij verzoekschrift van 7 november 2025 verzocht (opnieuw) een mentorschap in te stellen met benoeming van Goedhart Bewind B.V. tot mentor. De zoon en de dochter hebben verweer gevoerd tegen dit verzoek.
3.2
De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen en Goedhart Bewind B.V. benoemd tot mentor van de moeder.

4.De procedure bij het hof

4.1
De dochter en de zoon zijn het niet eens met de beslissing van de kantonrechter over het mentorschap voor hun moeder en zij komen daarom in hoger beroep.
Naar aanleiding van wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 31 maart 2026 hebben de dochter en de zoon een deel van hun beroepsgronden en verzoeken ingetrokken. De dochter en de zoon vragen het hof nu om in de plaats van Goedhart Bewind B.V. de dochter, anders de zoon, als mentor te benoemen.
4.2.
De officier van Justitie heeft het hof bij brief van 10 maart 2026 laten weten dat hem is gebleken dat er een noodzaak bestond tot het instellen van een professionele mentor vanwege een impasse in de zorg aan de moeder. Het is de officier van Justitie niet gebleken dat de situatie is gewijzigd.
4.3.
De mentor heeft meegedeeld dat hij neutraal wil zijn in deze procedure.
4.4.
De bewindvoerder vraagt het hof de beslissing van de kantonrechter in stand te laten.
4.4
[naam1] vraagt het hof ook het mentorschap in stand te laten.
4.5.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 8 januari 2026
  • het verweerschrift van [naam1] met producties
  • het verweerschrift van de bewindvoerder met producties
  • de brief van de Officier van Justitie van 10 maart 2026
  • het journaalbericht van de dochter en de zoon van 18 maart 2026 met producties
  • het journaalbericht van de dochter en de zoon van 20 maart 2026 met producties
  • het journaalbericht van de bewindvoerder van 20 maart 2026 met producties
  • de pleitnota van de dochter en de zoon
  • de pleitnota van [naam1]
4.6.
De zitting bij het hof was op 21 maart 2026. Aanwezig waren:
- de zoon en de dochter met hun advocaat
- een vertegenwoordiger namens Goedhart Bewind B.V.
- twee vertegenwoordigers van [naam1] met hun advocaat
- de bewindvoerder met zijn advocaat
- de mentor
4.7.
De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak onder nummer 200.355.683 over de benoeming van de bewindvoerder voor de moeder.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW Pro kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.
Op grond van artikel 1:451 lid 2 BW Pro kan mentorschap ook worden verzocht door het openbaar ministerie.
5.2.
In artikel 1:452 BW Pro staat dat de rechter bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende of betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen die benoeming verzetten. Indien daar geen sprake van is en de rechthebbende geen partner heeft dan worden bij voorkeur kinderen, broers of zusters benoemd.
5.3
Vast staat de moeder niet in staat is om haar niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen ten gevolge van haar lichamelijke en geestelijke toestand.
5.4.
De dochter en de zoon bestrijden niet (meer) dat hun moeder vanwege haar medische situatie niet zelfstandig kan wonen en is aangewezen op intramurale zorg, maar zij zijn van mening dat de dochter, en ook de zoon, in staat zijn om de taken van de mentor zelf uit te voeren. Zij stellen dat zij dat ook al deden voor de opname van de moeder in 2024. Uit het [in] 2023 door de moeder en de dochter ondertekende levenstestament waarin de moeder een algemene en medische volmacht geeft aan de dochter om namens haar te beslissen, blijkt volgens de zoon en de dochter dat de moeder er de voorkeur aan geeft dat haar dochter haar belangen behartigt.
5.5.
Het hof overweegt als volgt. Daargelaten dat de door de moeder en de dochter [in] 2023 ondertekende verklaring erg algemeen is geformuleerd en dat de moeder de dochter niet feitelijk aanwijst als gevolmachtigde (niemand wordt aangewezen), heeft de kantonrechter in zijn beschikkingen terecht overwogen dat van een levenstestament/volmacht kan worden afgeweken wanneer dat in het belang is van de rechthebbende. De kantonrechter is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter op dit punt over en voegt daaraan nog het volgende toe.
5.6.
Diverse professionals hebben verklaard dat zij zich door de houding en bejegening van de dochter en de zoon ernstig bedreigd voelen en dat rustig overleg over de moeder met de dochter en de zoon niet mogelijk is. Omdat sprake was van een onwerkbare situatie met de dochter en de zoon heeft de voormalige mentor een verzoek om ontslag ingediend. De dochter en de zoon betwisten dat zij dreigementen uiten, maar gelet op het grote aantal meldingen kan het hof deze niet passeren en ziet het hof dat sprake is van een patroon. De zorginstelling zag zich genoodzaakt om zorgbeveiliging in te zetten als de zoon op bezoek komt bij zijn moeder en de dochter heeft haar moeder inmiddels meerdere maanden niet gezien, omdat de zorginstelling haar de toegang tot de instelling heeft ontzegd. Voor het hof is duidelijk dat de dochter en de zoon niet kunnen samenwerken met de bij de moeder betrokken professionals. Daar komt bij dat in deze procedure ook nader onderbouwd is door [naam1] dat de dochter en de zoon onvoldoende ziekte-inzicht hebben, ook al zien zij inmiddels wel in dat de moeder is aangewezen op intramurale zorg. Dit maakt dat de dochter en de zoon ongeschikt zijn om als mentor te fungeren.
Uit de processtukken en wat op de zitting is besproken, blijkt dat de huidige mentor en de bewindvoerder wel goed in staat zijn om met elkaar af te stemmen en te overleggen met de medewerkers van de instelling waar de moeder verblijft en zo nodig ook met andere professionals die worden ingeschakeld voor de moeder.
5.7.
De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 6 januari 2026 overwogen dat hij erop vertrouwt dat de mentor toewerkt naar een werkbare relatie met de dochter en de zoon van de moeder. De huidige mentor heeft ter zitting toegelicht dat het hem nog niet is gelukt om met de dochter in overleg te komen maar de zoon heeft hij inmiddels wel gesproken. Hij heeft ook gesproken met managers van [naam1] om te bekijken hoe de patstelling met de dochter kan worden doorbroken, want het is volgens hem belangrijk voor de moeder dat de dochter weer bij haar op bezoek kan komen. Duidelijk is geworden dat dit binnen de huidige locatie een gepasseerd station is. Daarom is gesproken over een verhuizing van de moeder naar een andere locatie. Hierover is een gesprek gevoerd met de zoon en in dat gesprek heeft de zoon aangegeven dat deze optie voor hem en zijn zus niet bespreekbaar is en dat zij eerst de uitkomst van dit hoger beroep willen afwachten. De uitlatingen van de zoon aan het einde van dit gesprek zijn opnieuw als zeer bedreigend ervaren door de overige deelnemers.
Vervolgens heeft de mentor in overleg met [naam1] besloten te gaan bekijken of een externe verhuizing mogelijk is om te zorgen dat de dochter weer bij de moeder op bezoek kan komen. De mentor hoopt dat hij dan zelf ook in samenwerking kan komen met de dochter en de zoon. De input van de dochter en de zoon is namelijk waardevol, bijvoorbeeld bij het instellen van medicijnen bij de moeder.
Uit deze toelichting van de mentor leidt het hof af dat de mentor al diverse inspanningen heeft verricht om tot een werkbare relatie te komen met de dochter en de zoon en hij zijn taak voortvarend uitvoert.
5.8.
Alles tezamen in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat het in het belang is van de moeder dat de kantonrechter Goedhart Bewind B.V. tot mentor heeft benoemd. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 januari 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en L. Hamer, bijgestaan door de griffier, en is op 19 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.