Durateq B.V. voerde verbouwingswerkzaamheden uit aan de woning van geïntimeerde op basis van een aannemingsovereenkomst van 11 maart 2025 met een aanneemsom van €205.203,04. Na betaling van een groot deel van de facturen ontstond een geschil over het tempo van factureren en de voortgang van het werk. Durateq oefende retentierecht uit door de woning af te sluiten, waarna geïntimeerde een kort geding startte.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van geïntimeerde grotendeels toe, waaronder het staken van het retentierecht, het onderbouwen van facturen en het hervatten van de werkzaamheden, met dwangsommen. Durateq ging in hoger beroep. Tijdens het hoger beroep ontbond geïntimeerde de aannemingsovereenkomst, waardoor het spoedeisend belang voor de voorzieningen verviel.
Het hof oordeelde dat de veroordeling tot onderbouwing van de facturen terecht was, omdat Durateq onvoldoende inzicht gaf in de relatie tussen facturering en werkelijke voortgang. Het beroep op meerwerk werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Het retentierecht was inmiddels opgeheven, waardoor hierover geen belang meer bestond. De veroordeling tot voortzetting van het werk werd bekrachtigd tot de ontbinding. Het hof vernietigde het bestreden vonnis vanwege het ontvallen spoedeisend belang, maar liet de veroordeling tot onderbouwing van de facturen tot de ontbinding in stand.