ECLI:NL:GHARL:2026:310

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
21-002130-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak in hoger beroep inzake poging tot moord en brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerder vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte is beschuldigd van het uitlokken van medeplegen van poging tot moord en opzettelijke brandstichting, waarbij levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen te duchten waren. De feiten dateren van de nacht van 19 op 20 augustus 2020, toen de verdachte opdracht gaf aan medeverdachten om brand te stichten aan een vrachtwagen waarin een chauffeur lag te slapen. De brand ontwikkelde zich razendsnel tot een uitslaande brand, met ernstige gevolgen voor de chauffeur, die 65% van zijn lichaam verbrandde en langdurig in coma lag. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk de kans op de dood van de chauffeur heeft aanvaard en dat er sprake was van voorbedachte raad. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarnaast zijn er vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waaronder een schadevergoeding van € 200.000 voor de chauffeur en bedragen voor zijn partner en familieleden. Het hof heeft de vorderingen van andere benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en in sommige gevallen niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002130-22
Uitspraakdatum: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 mei 2022 met parketnummer 05-129781-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] , [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 december 2025 en 20 januari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, hebben aangevoerd.
Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 8] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] door hun advocaat, mr. F.J.M. Hamers, en namens de benadeelde partij [benadeelde 9] , door haar advocaat, mr. M.Ü. Özsüren, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als medeplegen van poging tot moord (feit 1 primair) en medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten is (feit 2 primair) en heeft verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft tevens beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen.
Het hof komt tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging. Het hof komt daarnaast tot een andere beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij de vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) waarin die [benadeelde 10] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in/aan/bij de vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) waarin die [benadeelde 10] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2020 tot en met 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 2] en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door aan [medeverdachte 3] te vragen (tegen betaling) een klus voor hem, verdachte, te (laten) verrichten, te weten het in/bij voornoemde vrachtwagen brand te (laten) stichten en/of die vrachtwagen in brand te (laten) steken, en/of die [medeverdachte 3] (vervolgens) te voorzien van de benodigde informatie (te weten een plattegrond en/of een adres van de locatie waar de brand diende te worden gesticht), en/of die [medeverdachte 3] geld te geven/te betalen;
1. meer subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in/aan/bij de vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) waarin die [benadeelde 10] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest door aan [medeverdachte 3] te vragen (tegen betaling) een klus voor hem, verdachte, te (laten) verrichten, te weten het in/bij voornoemde vrachtwagen brand te (laten) stichten en/of die vrachtwagen in brand te (laten) steken, en/of die [medeverdachte 3] (vervolgens) te voorzien van de benodigde informatie (te weten een plattegrond en/of een adres van de locatie waar de brand diende te worden gesticht), en/of die [medeverdachte 3] geld te geven/te betalen;
2. primair
hij in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat 1] ), immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk motorbenzine, althans een brandbare stof, gesprenkeld/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine, althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen en/of een of meer brandbare stof(fen) in/aan/bij die vrachtwagen en/of een caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en/of voor een of meer (slapende) perso(o)n(en) die zich bevonden in de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen te duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce(e)l(en) van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en/of het bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en/of een caravan en/of een of meer andere goed(eren) in/aan/in de nabijheid van die vrachtwagen;
2. subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in/aan/bij een vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat 1] ), immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun medeverdachte(n) toen aldaar opzettelijk motorbenzine, althans een brandbare stof, gesprenkeld/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine, althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen en/of een of meer brandbare stof(fen) in/aan/bij die vrachtwagen en/of een caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en/of voor een of meer (slapende) perso(o)n(en) die zich bevonden in de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen te duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce(e)l(en) van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en/of het bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en/of een caravan en/of een of meer andere goed(eren) in/aan/in de nabijheid van die vrachtwagen,
welk feit hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2020 tot en met 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 2] en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door aan [medeverdachte 3] te vragen (tegen betaling) een klus voor hem, verdachte, te (laten) verrichten, te weten het in/bij voornoemde vrachtwagen brand te (laten) stichten en/of die vrachtwagen in brand te (laten) steken, en/of die [medeverdachte 3] (vervolgens) te voorzien van de benodigde informatie (te weten een plattegrond en/of een adres van de locatie waar de brand diende te worden gesticht), en/of die [medeverdachte 3] geld te geven/te betalen;
2. meer subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in/aan/bij een vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat 1] ), immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun medeverdachte(n) toen aldaar opzettelijk motorbenzine, althans een brandbare stof, gesprenkeld/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine, althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen, ten gevolge waarvan die vrachtwagen en/of een of meer brandbare stof(fen) in/aan/bij die vrachtwagen en/of een caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en/of voor een of meer (slapende) perso(o)n(en) die zich bevonden in de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen te duchten was en/of er gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce(e)l(en) van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en/of het bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en/of een caravan en/of een of meer andere goed(eren) in/aan/in de nabijheid van die vrachtwagen,
bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest door aan [medeverdachte 3] te vragen (tegen betaling) een klus voor hem, verdachte, te (laten) verrichten, te weten het in/bij voornoemde vrachtwagen brand te (laten) stichten en/of die vrachtwagen in brand te (laten) steken, en/of die [medeverdachte 3] (vervolgens) te voorzien van de benodigde informatie (te weten een plattegrond en/of een adres van de locatie waar de brand diende te worden gesticht), en/of die [medeverdachte 3] geld te geven/te betalen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
De feiten
Het hof gaat bij de beoordeling van het tenlastegelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
In de nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 hebben medeverdachten [medeverdachte 1] (
hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (
hierna: [medeverdachte 2]) brand gesticht aan een vrachtwagen, te weten een [merk] met [kenteken] , die op dat moment geparkeerd stond op het bedrijventerrein van internationaal transportbedrijf [benadeelde 8] aan [straat 1] in [gemeente 1] . [2] [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de vrachtwagen rondom besprenkeld met motorbenzine, waarna [medeverdachte 2] de motorbenzine met behulp van een aansteker en een papieren zakdoekje heeft aangestoken. [3] De brand ontwikkelde zich razendsnel tot een uitslaande brand. [4] De vrachtwagen werd door de brand volledig verwoest. Op het moment van de brand lag [benadeelde 1] (
hierna: [benadeelde 10]) in de vrachtwagen te slapen (
het hof begrijpt: in de slaapcabine). [5] Als gevolg van de brand heeft [benadeelde 10] ernstige brandwonden opgelopen op 65 procent van zijn lichaam. [6] Hij had tweedegraads brandwonden op onder meer zijn hoofd/gezicht, borstkas, buik, benen, armen, handen en rug. De haren van zijn wenkbrauwen en zijn wimpers waren tot op de huid verschroeid en zijn oogwit vertoonde roodheid. Zijn neusharen vertoonden verschroeiing en op zijn gehemelte waren roetdeeltjes aanwezig. Hij heeft langdurig op de intensive care (in coma) gelegen. [7]
Op een foto van de brand, genomen door een persfotograaf, is een grote vuurzee te zien is waarbij de vlammen een hoogte hebben van ongeveer acht meter en (hete) rookgassen zichtbaar zijn. [8]
De brand is overgeslagen naar het bedrijfspand van [benadeelde 8] op [perceel 1] en het pand van [handelsonderneming] op [perceel 2] . De afstand tussen de vrachtwagen en de linkerzijde van het pand van [benadeelde 8] was ongeveer 2,4 meter. Deze zijde van het pand heeft zichtbare brandschade opgelopen.
De gevelplaten waren vervormd en de coating was weggebrand. Links naast het pand van [benadeelde 8] stond een vrijstaand bedrijfspand van [handelsonderneming] met daaraan geschakeld een woning. Tijdens de brandstichting lag de bewoner van deze woning in zijn woning te slapen. De afstand tussen de vrachtwagen en het bedrijfspand was ongeveer 6,2 meter. De wandbekleding van dit bedrijfspand heeft over een afstand van 6,5 meter brandschade opgelopen. Tussen het pand en het hekwerk dat de percelen scheidt, stond een caravan die door de brand is verwoest. De afstand tussen de vrachtwagen en de woning was ongeveer 7,1 meter. De houten schutting naast de woning was voor een groot deel verbrand. De kozijnpanelen boven en onder het raam van de (slaapkamer van de) woning waren verkleurd door de hitte inwerking en de regenpijp die naast het raam zat was gesmolten.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de raadsman

Ten aanzien van feit 1:
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de brandstichting. Volgens de raadsman is al het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte afkomstig uit één en dezelfde bron, te weten de medeverdachte [medeverdachte 3] . Er zijn geen bewijsmiddelen die de verklaring van [medeverdachte 3] ondersteunen. De verklaring van [medeverdachte 3] bevat veel tegenstrijdigheden en onjuistheden en kan daarom niet worden gebruikt voor de bewijsvoering. [medeverdachte 3] heeft geprobeerd om verdachte erbij te betrekken om zo zijn eigen rol mogelijk kleiner te maken. Volgens de raadsman is een alternatief scenario aannemelijk, te weten dat niet verdachte, maar de [vereniging] en [medeverdachte 3] opdrachtgevers van de brandstichting waren.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat als het hof wel bewezen acht dat verdachte de opdrachtgever was van de brandstichting, uit het dossier niet blijkt dat hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op het overlijden van een vrachtwagenchauffeur in de vrachtwagen.
Het dossier biedt onvoldoende bewijs dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop heeft aanvaard. Daarnaast voert de raadsman aan dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van voorbedachte raad, omdat nergens uit het dossier naar voren komt dat het plan om brand te stichten gericht was op de dood van de chauffeur in de vrachtwagen.
Ten aanzien van feit 2:
De raadsman heeft ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 bepleit dat verdachte, gelet op datgene wat ten aanzien van feit 1 is aangevoerd, ook moet worden vrijgesproken van feit 2. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er geen levensgevaar en ook geen gevaar voor de naastgelegen panden te duchten was. Volgens de raadsman was niet voorzienbaar dat er iemand in de vrachtwagen aanwezig was en daarnaast bestond er geen reëel gevaar dat de naastgelegen panden daadwerkelijk zouden afbranden.
Oordeel van het hof
Dat de vrachtwagen in brand is gestoken door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , staat niet ter discussie. De vraag ligt allereerst voor of (ook) verdachte op een of andere manier betrokken is geweest bij deze brandstichting.
Betrokkenheid verdachte?
Verklaring [medeverdachte 3]
Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] , voor wie hij in het verleden heeft gewerkt, hem begin augustus 2020 heeft gevraagd of hij mensen kon vinden om een vrachtwagen in brand te steken. [medeverdachte 3] heeft hiervoor vervolgens [medeverdachte 1] benaderd en een afspraak met hem gemaakt. [medeverdachte 1] wilde het graag doen en vroeg om meer informatie.
Een paar dagen later heeft [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] benaderd om te zeggen dat hij iemand had gevonden die de vrachtwagen in brand wilde steken en [medeverdachte 4] gevraagd naar de gegevens van de vrachtwagen. [medeverdachte 4] had het adres voor hem en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn op Google Maps gaan kijken en zagen een vrachtwagen bij het betreffende adres staan.
Een paar dagen later heeft [medeverdachte 3] opnieuw afgesproken met [medeverdachte 1] . Hij heeft toen verteld dat het ging om een vrachtwagen in [gemeente 1] en hij heeft [medeverdachte 1] via Google Maps laten zien hoe de vrachtwagen eruit zag en waar het bedrijf zat. Het adres had [medeverdachte 3] op een blaadje geschreven toen hij bij [medeverdachte 4] was. Dit blaadje nam [medeverdachte 1] mee of hij nam er een foto van. [medeverdachte 1] vroeg hem om het geld en de benzine te regelen. De volgende dag, de avond voor de brand, heeft [medeverdachte 3] benzine getankt en meegegeven aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij een foto moest sturen als het zover was. Ongeveer twee uur nadat [medeverdachte 1] bij hem vertrok, stuurde hij foto’s van de vrachtwagen die in brand stond. Deze foto’s stuurde [medeverdachte 3] via Signal door aan [medeverdachte 4] .
De dag na de brand is hij tussen 15:00 en 17:00 uur naar [medeverdachte 4] gereden en heeft hij geld gekregen. [medeverdachte 3] had voor dit geld toegezegd dat hij voor mensen zou gaan kijken. [9]
De roepnaam van verdachte is [medeverdachte 4] [10] en volgens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep klopt het ook dat [medeverdachte 3] in het verleden voor verdachte werkzaam is geweest. [11]
Volgens [medeverdachte 3] was het dus verdachte die aldus een rol heeft gespeeld bij de brandstichting, te weten degene die hem heeft gevraagd of hij mensen kon vinden om de vrachtwagen in brand te steken.
Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 3]
Door en namens verdachte is de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 3] ter discussie gesteld. Het hof neemt bij de beoordeling hiervan het navolgende in overweging.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3] , hierna: [medeverdachte 3]) zijn opdrachtgever was. [12] [medeverdachte 3] had hem in de week voor de brandstichting gevraagd een vrachtwagen in [gemeente 1] in brand te steken. [13] Tijdens de eerste ontmoeting vertelde [medeverdachte 3] hem dat het ver buiten de stad was en dat het snel moest gebeuren. De volgende dag ontmoetten zij elkaar opnieuw en toen had [medeverdachte 3] een kladblaadje bij zich met daarop geschreven de bedrijfsnaam, de straatnaam en de plaats [gemeente 1] . [medeverdachte 3] vertelde dat [medeverdachte 1] het papiertje mee zou krijgen als hij de jerrycans kwam halen.
[medeverdachte 1] moest in de avond van 19 augustus 2020 bij [medeverdachte 3] komen. [14]
[medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] gevraagd met hem mee te doen. [15] [medeverdachte 1] had tegen [medeverdachte 2] gezegd dat er een vrachtwagen in brand moest worden gestoken en dat hij hier 500 euro voor zou krijgen. [medeverdachte 2] had in eerste instantie gezegd dat hij niet wilde meehelpen, maar op 17 of 18 augustus 2020 heeft hij toch gezegd dat hij mee zou gaan. [16] Op 19 augustus 2020 heeft [medeverdachte 2] hem in de avond thuis in [plaats 1] opgehaald. [17] Voordat ze naar [gemeente 1] reden, zijn ze eerst gestopt bij [medeverdachte 3] in [gemeente 2] . Daar kreeg [medeverdachte 1] twee jerrycans met vijf liter benzine, kentekenplaten en tie-wraps mee van [medeverdachte 3] . [18] In zijn woning heeft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] op de computer een foto van het bedrijf aangewezen.
[medeverdachte 3] gaf hem een papiertje mee met daarop het adres van het bedrijf waar de vrachtwagens stonden. [19] [medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] gevraagd een foto te maken van de brand. Dit heeft [medeverdachte 1] gedaan en deze foto’s heeft hij naar [medeverdachte 3] doorgestuurd. [20]
Op 21 augustus 2020, de dag na de brandstichting, heeft verdachte rond 14:40 uur gebeld naar telefoonnummer [telefoonnummer] , toebehorend aan [medeverdachte 3] .
De telefoon wordt opgenomen door een man met de naam [medeverdachte 5] (fonetisch). In dit gesprek werd het volgende gezegd:
"
[medeverdachte 4] : luister, ik heb moeder gebeld en gezegd dat ze de sleutel naar mij moet brengen, ik rij nu binnendoor
[medeverdachte 5] : ik rij ook al, ik dacht ik rij naar [plaats 2]
[medeverdachte 4] : ja rij naar [plaats 2] onder de brug
[medeverdachte 5] : oké is goe
[medeverdachte 4] : waar de auto staat
[medeverdachte 5] : oké is goed
[medeverdachte 4] : ik ben er over tien minuten, ik ben vertrokken van... ntv..
[medeverdachte 5] : oké regel regel
Op 21 augustus 2020 om 14:58 uur is het telefoonnummer van [verdachte] onder het bereik van de zendmast aan de [straat 3] in [plaats 2] . [21]
Op 10 april 2021 heeft [medeverdachte 3] vanuit de penitentiaire inrichting waar hij verbleef een telefoongesprek gevoerd met zijn partner [partner] . In dit gesprek is (deels samengevat door de politie) onder meer het volgende gezegd:
“ [medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 4] buiten is. 'Ze' hebben op dezelfde dag een inval bij hem en [medeverdachte 4]
gedaan. (...) maar ze hebben hem niet meegenomen. Heel die fokking zaak draait om hem. (...) Oké, maar ze hebben hem niet meegenomen. Dus ik probeer hem nu te bereiken zodat hij die stukken kan opsturen naar [naam 2] . Zodat ik uh. Zodat ik bij de uh. schorsing kan vragen omdat uh. uh. Omdat het juridisch niet eens om mij ging. En degene om wie het gaat in heel die dossier die is nog buiten. Snap je wat ik bedoel? Dus waarom, dus waarom moet ik binnen blijven. (...) Maar die jongens hebben wel gezegd dat ze van mij benzine hebben gekregen. (...) Ja dus, en omdat ik dan benzine heb gegeven aan die jongens, ben ik medeplichtig. En dan zegt de rechter van, of de officier 'Ja maar we weten dat jij in opdracht van iemand anders handelde' Dat weten ze. Maar die vent loopt buiten?! (...) Aan de andere kant, betekent dat, dat als, als de hoofddader buiten nog loopt, dan dan is mijn rol heel wei ...minuscuul. Dan ja, is het alleen maar gunstig. Snap je wat ik bedoel? Voor mij. (...)
[medeverdachte 3] zegt dat het raar is maar dat hij wel blij is dat [medeverdachte 4] buiten loopt. [medeverdachte 3] zegt dat het
onderzoek helemaal niet zo groot is als hij nog buiten loopt. Lijkt het hem. Hij denkt dat het
alleen maar gunstig voor hem ( [medeverdachte 3] ) is.
[partner] vraagt of [medeverdachte 3] het nummer van [medeverdachte 4] wil hebben. [medeverdachte 3] zegt dat hij het nummer al heeft gekregen van de opa van iemand.
[medeverdachte 3] gaat [medeverdachte 4] vanmiddag bellen. [medeverdachte 4] moet de stukken, van dat ze een inval bij hem
hebben gedaan, naar de advocaat van [medeverdachte 3] sturen. [medeverdachte 3] zegt dat hij dan kan aantonen dat het een groot dossier is en dat het om hem ( [medeverdachte 4] ). Dat ze een inval bij hem ( [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] doen en alleen [medeverdachte 3] meenemen maar hem ( [medeverdachte 4] ) niet. [medeverdachte 3] zegt dat het dan niet klopt. (...) [22]
Op 14 mei 2021 heeft [medeverdachte 3] vanuit de penitentiaire inrichting verschillende
telefoongesprekken gevoerd. In een gesprek met [partner] om 13:18 uur wordt onder meer het volgende gezegd:

[medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 4] buiten loopt en hij ( [medeverdachte 3] ) binnen zit. [partner] vraagt of [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] nog wilde bellen en of hij het nummer van [medeverdachte 4] heeft. [medeverdachte 3] zegt dat hij het nummer van [naam 1] gekregen heeft. [medeverdachte 3] zegt dat hij ( [medeverdachte 4] ?) niet op nam. [medeverdachte 3] zegt dat hij niet met zijn account kan bellen. [medeverdachte 3] zegt dat hij met het account van een ander gaat bellen, die niet af geluisterd wordt. (...)
[partner] vraagt waarom [medeverdachte 3] hem ( [medeverdachte 4] ) wil spreken. [medeverdachte 3] zegt dat hij ( [medeverdachte 4] ) naar [naam 2] moet gaan. hij moet zich melden.
[medeverdachte 3] zegt dat hij ( [medeverdachte 4] ) de waarheid moet gaan vertellen. [medeverdachte 3] zegt dat hij het nergens op vindt slaan. (...) [23]
Vervolgens vond er rond 14:03 uur een gesprek plaats tussen [medeverdachte 3] en zijn vriendin [vriendin] , waarin onder meer het volgende is gezegd:

[vriendin] is verbaasd en zegt dat oompie om 15.00 u. bij haar komt.
[medeverdachte 3] zegt dat zij "hem" meteen naar [naam 2] moet brengen en vraagt of zij het adres weet: ja.
[medeverdachte 3] zegt dat "hij" naar zijn advocaat moet vragen: dat moet.
[vriendin] vraagt: en als "hij" dat niet wil? " [medeverdachte 3] antwoordt dat het moet: vandaag nog want het is belangrijk.
[vriendin] vraagt of [medeverdachte 3] "hem" zelf nog wil spreken. [medeverdachte 3] zegt dat hij om 15.30 uur binnen zit en dat zij moet proberen of "hij" voor 15.00 uur bij haar kan zijn en dat hij dan zal proberen haar te bellen. [vriendin] moet "hem" vandaag meteen naar zijn advocaat [naam 2] brengen.
[vriendin] zegt dat zij dat snapt en zij zal de telefoon aan "hem" geven als [medeverdachte 3] belt. [vriendin] zegt dat "hij" dacht dat [medeverdachte 3] afgeluisterd wordt.
[medeverdachte 3] zegt dat hij zeker te weten afgeluisterd wordt, maar het is goed.
[medeverdachte 3] herhaalt nog een keer dat het belangrijk is dat "hij" naar [naam 2] gaat vandaag. Er wordt dan overlegd over hoe nu verder. (...)
[medeverdachte 3] zegt dat hij om 15.00 u. weer naar haar zal bellen.
[vriendin] zegt dat het goed is, maar oompie kennende zal deze wel later komen. (...)” [24]
Vervolgens belde [medeverdachte 3] rond 15:22 uur opnieuw naar [vriendin] :

[medeverdachte 3] zegt dat hij op iemand anders zijn nummer belde, want zijn telefoon... hij heeft iemand anders zijn account gebruikt.
[vriendin] vraagt of [medeverdachte 3] "hem" wil spreken: ja. [vriendin] zegt dat zij de telefoon op speaker zet. (...)
[medeverdachte 4] (sh) komt aan de telefoon. (...)
[medeverdachte 3] zegt dat hij gisteren de aanklacht gekregen heeft: voorbedachte rade poging tot moord.
[medeverdachte 4] zegt dat hij voor hetzelfde is aangeklaagd.
[medeverdachte 3] noemt [medeverdachte 4] oompie.
[medeverdachte 3] zegt dat het belangrijkste die verzekeringskwestie is en waar hij het met die mannen
(politie) over heeft gehad. [medeverdachte 3] zegt dat die mannen (politie) echt denken dat het om een
moord gaat.
[medeverdachte 4] zegt dat hij [medeverdachte 3] niet goed verstaat. [vriendin] zegt dat de verbinding heel slecht is en dat hij wat minder in de hoorn moet praten.
[medeverdachte 3] zegt dat die mensen, de politie, denken dat het om moord gaat. [medeverdachte 3] zegt dat hij tegen de politie gezegd heeft dat het om een klote verzekering zaak ging.
[medeverdachte 4] : aha.
[medeverdachte 3] : de politie denkt dat het om een moord gaat. [medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 4] zijn verklaring
moet lezen.
[medeverdachte 4] : aha
[medeverdachte 3] zegt dat als [medeverdachte 4] naar de advocaat gaat en zijn verklaring leest dan weet hij precies wat er speelt. Want volgens die kanker politie gaat het om een moord en daarom loopt hij nu te stressen. Het gaat niet om een klote moord: dat zegt de politie. Die mensen zijn ziek geworden.
Surinaams: Ik wil gewoon dat hij die mensen uitlegt waar het om ging. begrijp je? Waar het om ging. Het gaat niet om een klote moord, zegt [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 4] : Surinaams: Want die mannen (politie) zijn bij ons thuis gekomen, vroeg in de ochtend met... AT
[medeverdachte 3] : Ja ik weet het, ik weet het
[medeverdachte 4] : Dezelfde ochtend.
[medeverdachte 3] : Ja weet ik
[medeverdachte 4] : die mannen hebben mij in de boeien geslagen en ons op de grond (beneden
gezet/gebracht) gelegd, ze hebben al onze computers en laptops meegenomen, ze zijn bij de
loods geweest, ze hebben [naam 3] ) ook opgepakt.
(...)
[medeverdachte 3] vraagt wat er op de aanklacht van [medeverdachte 4] staat; poging moord?
[medeverdachte 4] : nee, nee. Witwassen van gelden; ehhh....5 dingen en poging tot doodslag-moord; drugs en nog een paar andere dingen.
[medeverdachte 3] zegt dat heel veel onzin is. waar het hem om gaat is die onzin van poging tot moord.
[medeverdachte 4] zegt dat het heel omvangrijk is en dat ze proberen allerlei dingen aan te kaarten omdat ze niets hebben.
[medeverdachte 3] zegt dat die poging tot moord, maar die klote poging tot moord oompie dat is een
hoofdpijn, dus ga naar de advocaat, vraag die verklaring en vertel de klote waarheid en zeg dat het niet om klote moord gaat. Dat is belangrijk. Dat vraag ik van jou.
[medeverdachte 4] : oké
(...)
[medeverdachte 3] : dat is wat belangrijk. Als de politie blijft denken dat het om moord gaat dan is het nog verder van huis. Snap je?
[medeverdachte 4] : humt... Ja...ja.
[medeverdachte 3] : dus... het enigste wat ik wil is dat jij naar de advocaat gaat en vertel de waarheid.
Snap je?
[medeverdachte 4] : humt.
(...)
[medeverdachte 3] : Sowieso, maar het gekke is dat ze denken dat het om een moordzaak gaat maar dat is kanker onzin. Daarom word ik boos. En de enige die de politie kan vertellen hoe de vork in de steel zit ben jij. Ik heb die mannen vertelt dat ik nooit van mijn leven iemand ga vermoorden. Je weet toch?
[medeverdachte 3] : Maar maak je niet druk, ik ben morgen om elf uur bij....dan zal ik iets op papier
schrijven dan kan je het lezen en hoeven we niet over de telefoon te praten.
[medeverdachte 4] : Oké, regel ik. Kijk. ze luisteren die van mij ook
[medeverdachte 3] : Nee nee, morgen dan bel ik mijn vrouw, video call, dan zal ik iets opschrijven, kan je het lezen. Jij zal dan daarbij moeten zijn om elf uur in de ochtend.
[medeverdachte 4] : Ga je het verslag naar haar sturen?
[medeverdachte 3] : Nee jij zal daar moeten komen, ik zie je morgenochtend.
[medeverdachte 4] : oh oké. [25]
[benadeelde 7] , mede-eigenaar van het bedrijf [benadeelde 8] , heeft op 20 augustus 2020 om 10:00 uur bij de politie aangifte gedaan van brandstichting. [benadeelde 7] verklaart dat [benadeelde 8] vanaf april 2019 tot heden gericht is op vervoer van kleding vanuit Italië naar
Nederland.
[benadeelde 7] verklaart daarbij dat zijn bedrijf eerder te maken heeft gehad met een dergelijke tegenslag. In oktober 2019 is er eveneens een vrachtwagen van zijn bedrijf in brand gestoken in [plaats 6] te Italië . [benadeelde 7] verklaart vervolgens dat hij van de Italiaanse politie heeft begrepen dat [medeverdachte 4] daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden. Hij kent [medeverdachte 4] als de eigenaar van [onderneming] uit [plaats 3] , een ander transportbedrijf in de beperkte branche waarin [benadeelde 8] werkzaam is. [26]
[medeverdachte 1] heeft bij de politie tevens verklaard dat hij in 2019 samen met [medeverdachte 3] en twee Antilliaanse mannen naar Italië is gevlogen. Toen hij op het vliegveld in Italië aankwam, ontmoette hij ook [medeverdachte 4] . In de loop van de avond zijn zij naar een Italiaans restaurant gegaan. Daar hebben ze met zijn vieren wat gegeten. [medeverdachte 4] at niet mee. Na het eten zijn ze naar hun kamer teruggegaan. Vervolgens is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] vertrokken en hebben zij samen een vrachtwagen in brand gestoken. Hij had gehoord dat de andere drie mannen naar een andere vrachtwagen zouden gaan. Na de brand is hij met [medeverdachte 3] terug gereden. Na enige tijd kwamen de andere drie mannen ook terug. De twee Antilliaanse mannen vertelden onder meer dat er bij hen een man uit de vrachtwagen was gekomen die mogelijk zijn voeten had verbrand. De ochtend na de brand belde [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 3] en vertelde hij dat zij snel het land uit moesten. [27]
De politie heeft het bedrijfspand dat in gebruik is bij [onderneming] , gelegen aan [straat 2] te [plaats 2] , doorzocht. Verdachte is de mede-eigenaar van dit bedrijf.
Bij de doorzoeking is een bon van [Pizzeria] te Italië van 14 oktober 2019 aangetroffen. Uit deze bon blijkt dat er in deze pizzeria vijfmaal de servicekosten zijn betaald. Daarnaast zijn er vier maaltijden en vijf drankjes afgerekend. [28]
Verder is uit onderzoek naar vluchtgegevens gebleken dat op naam van verdachte op
8 oktober 2019 om 10:27 uur een vlucht is geboekt voor 13 oktober 2019 vanaf Schiphol naar [plaats 4] , Italië , en enkele minuten later een vlucht van [plaats 4] naar Schiphol voor de avond van 16 oktober 2019 en dat op 15 oktober 2019 om 03:24 uur op naam van verdachte een vlucht is geboekt voor diezelfde middag van [plaats 4] terug naar Schiphol.Op naam van [medeverdachte 3] is op 8 oktober 2019 om 10:30 uur een vlucht geboekt van [plaats 7] naar [plaats 5] , Italië op 14 oktober 2019 voor [medeverdachte 3] en nog twee personen, welke vluchten werden betaald van de bankrekening van [medeverdachte 3] . Op naam van [medeverdachte 1] is op 10 oktober 2019 voor dezelfde vlucht op 14 oktober 2019 van [plaats 7] naar [plaats 5] geboekt, welke vlucht ook is betaald van de bankrekening van [medeverdachte 3] . [29]
Oordeel hof over betrouwbaarheid
Het hof heeft, gelet op het voorgaande, geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 3] te twijfelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verklaring die [medeverdachte 3] bij de politie heeft afgelegd – onder meer – wordt ondersteund door de tapgesprekken van 14 mei 2021 waarin [medeverdachte 3] wijst naar verdachte als opdrachtgever van de brandstichting. Het hof leidt uit die tapgesprekken af dat [medeverdachte 3] met verdachte in contact wil komen en – om dit te realiseren - een afspraak maakt met zijn vriendin om met haar te bellen als verdachte bij haar in de woning is. Hij belt vervolgens via het account van een medegedetineerde, omdat hij zich ervan bewust is dat zijn telefoonlijn door de politie wordt afgeluisterd. In de gesprekken wijst [medeverdachte 3] er meerdere malen op dat verdachte de waarheid moet vertellen, namelijk dat het niet om (poging tot) moord ging. De stem van verdachte wordt door de politie herkend, blijkt uit de vermelding 'sh' (een afkorting voor ‘stemherkenning’).
Het hof overweegt dat het feit dat [medeverdachte 3] zegt dat verdachte de enige is die de politie kan vertellen hoe het werkelijk zit, steun biedt aan zijn verklaring bij de politie dat verdachte de opdrachtgever was. Daarnaast vindt het hof ook steun voor die verklaring in de manier waarop verdachte in het gesprek op [medeverdachte 3] reageert.
De verbazing en de vragen die te verwachten zijn als [medeverdachte 3] tegen verdachte zegt dat hij weet hoe de vork in de steel zit en dat hij naar de politie moet gaan terwijl hij niet weet waar de ander het over heeft, blijven geheel uit. Sterker nog, in plaats van te ontkennen of te vragen waar [medeverdachte 3] het over heeft, reageert verdachte met 'aha’, door te 'hummen' of door bevestigend te antwoorden met 'oké' en ‘Oké, regel ik". Door de verdediging is gesteld dat er een slechte verbinding was en dat verdachte [medeverdachte 3] niet goed kon verstaan. Het hof stelt vast dat in het begin van het gesprek inderdaad wordt gezegd dat de verbinding niet goed is, maar overweegt dat uit de concrete en specifieke reacties van verdachte later in het gesprek niet volgt dat zij elkaar niet hebben kunnen verstaan.
Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat [medeverdachte 3] – zich welbewust van het feit dat zijn telefoongesprekken werden afgetapt – in het gesprek met zijn vriendin valse beschuldigingen heeft geuit in de richting van verdachte om bewijs tegen hem te fabriceren. Uit het telefoongesprek met verdachte komt naar voren dat [medeverdachte 3] bewust gebruik maakte van het account van een medegedetineerde in de veronderstelling dat deze gesprekken niet getapt zouden worden en zich dus onbespied waande. Bovendien maakt het feit dat [medeverdachte 3] enig belang had bij de beschuldigingen in de richting van verdachte niet zonder meer dat zijn verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. In de hiervoor aangehaalde gesprekken beschuldigt hij verdachte namelijk niet expliciet en bovendien pleit hij zichzelf niet vrij, maar belast hij zichzelf juist. Uit de gesprekken volgt dat hij verdachte ertoe wil bewegen het werkelijke motief van de aanslag aan het licht te brengen, namelijk dat de brandstichting niet tot doel had de chauffeur iets aan te doen.
Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat [medeverdachte 3] en verdachte een dag na de brandstichting een afspraak maken om elkaar in [plaats 2] te ontmoeten. Dit past bij de
verklaring van [medeverdachte 3] dat hij een dag na de brandstichting naar verdachte is
gereden en hij daar het voor de brandstichting beloofde geld heeft gekregen.
Daarnaast is [medeverdachte 3] niet de enige die naar [verdachte] wijst. Zo verwijst [benadeelde 7] de ochtend na de brand in zijn aangifte bij de politie ook naar verdachte, die hij kent als eigenaar van [onderneming] , en benoemt hij dat hij van de Italiaanse politie begrepen heeft dat verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor het in Italië in oktober 2019 in brand steken van een vrachtwagen van zijn transportbedrijf. Uit nader onderzoek door de politie naar de juistheid van de inhoud van deze verklaring blijkt dat deze verklaring ondersteund wordt door de hiervoor weergegeven verklaring van [medeverdachte 1] , de vluchtgegevens en de in het bedrijfspand van verdachte aangetroffen bon van de pizzeria. Hoewel het hof zich realiseert dat deze verklaring van [benadeelde 7] geen bewijs oplevert voor hetgeen verdachte thans ten laste is gelegd, blijkt uit het nadere onderzoek door de politie wel dat verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voorafgaand aan het onderhavige feit al eerder contact met elkaar hadden, welk contact volgens [medeverdachte 1] betrekking had op een soortgelijk feit als thans aan verdachte is tenlastegelegd.
Het hof acht, gelet op het voorgaande, de verklaring van [medeverdachte 3] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het alternatieve scenario van de verdediging dat de [vereniging] de opdrachtgever van de brandstichting was en dat [medeverdachte 3] doelbewust verdachte als opdrachtgever heeft aangewezen om zijn eigen rol kleiner te maken, acht het hof met inachtneming van vorenstaande niet aannemelijk geworden.
Rol van verdachte
Vrijspraak van medeplegen
Niet ter discussie staat dat verdachte de brand niet zelf heeft gesticht. Onder feit 1 primair en feit 2 primair wordt verdachte verweten dat hij samen met anderen geprobeerd heeft [benadeelde 10] te vermoorden en brand te stichten aan de vrachtwagen waar [benadeelde 10] in lag te slapen.
Voor bewezenverklaring van het medeplegen aan een strafbaar feit moet komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of na het
strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat het verdachte was die het plan heeft opgevat om de brand te (doen) stichten. Vervolgens heeft hij aan [medeverdachte 3] gevraagd of hij voor de uitvoering van dat plan mensen kon vinden. Verdachte heeft de voor de brandstichting benodigde informatie doorgegeven aan [medeverdachte 3] , die deze informatie vervolgens heeft doorgegeven aan de uitvoerders. Verdachte heeft [medeverdachte 3] de dag na de brand geld gegeven.
Naar het oordeel van het hof is, gegeven vorenstaande, de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onvoldoende komen vast te staan. Er is geen sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering van de brandstichting en de intellectuele bijdrage van verdachte is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht. Het tenlastegelegde onderdeel medeplegen kan dus niet worden bewezen, zodat verdachte wordt vrijgesproken ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde medeplegen van die feiten.
Uitlokking?
Onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair wordt verdachte verweten dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft uitgelokt om [benadeelde 10] te vermoorden en om brand te stichten aan de vrachtwagen waar die [benadeelde 10] in lag te slapen.
Van uitlokking, als bedoeld in artikel 47 lid 1 sub 2 Sr, is sprake als voldaan is aan een vijftal vereisten, te weten:
1) de uitlokker moet willen dat een specifiek strafbaar feit wordt gepleegd en dat een ander dat gaat doen. Hij moet met andere woorden zowel opzet hebben op het uitlokken als op het strafbare feit dat hij of zij uitlokt (dubbel opzet);
2) hij of zij moet die ander op het idee brengen (aanzetten) het strafbare feit te begaan;
3) de uitlokker moet gebruik maken van een of meer uitlokkingsmiddelen;
4) het uitgelokte delict moet zijn gevolgd; en
5) degene die is uitgelokt, moet strafbaar zijn.
Het hof overweegt dat verdachte [medeverdachte 3] heeft gevraagd de vrachtwagen in brand te (laten) steken. Het opzet van verdachte was aldus gericht op het in brand laten steken van de vrachtwagen door een ander. Uit de hierna volgende overwegingen volgt dat het hof van oordeel is dat het opzet van verdachte ook (in voorwaardelijke zin) gericht was op het onder 1 tenlastegelegde feit (poging moord). Verdachte heeft hierbij gebruik gemaakt van meerdere uitlokkingsmiddelen. Zo heeft verdachte [medeverdachte 3] inlichtingen verschaft door hem het adres te geven van het bedrijfsterrein waar de vrachtwagen stond. Daarnaast heeft verdachte een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld. De brandstichting en de poging tot moord zijn daadwerkelijk gevolgd en de uitgelokte mededaders zijn daarvoor ook strafbaar.
Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich door giften en het verschaffen van inlichtingen schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van die feiten.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte noch zijn mededaders de intentie (het volle opzet) hebben gehad om [benadeelde 10] van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat verdachte en/of zijn mededaders de vrachtwagen in brand hebben willen steken met het doel [benadeelde 10] om het leven te brengen.
Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die er (lichtvaardig) van is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, en dus schuld heeft aan het incident, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Bij de beoordeling of in deze zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Aanmerkelijke kans
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 3] brand hebben gesticht aan een vrachtwagen, bestemd voor het internationaal wegvervoer, en uitgerust met een slaapcabine. Naar het oordeel van het hof bestaat bij een geparkeerd voertuig met daarin een slaapcabine nagenoeg altijd een reële, niet onwaarschijnlijke kans dat er iemand in dat voertuig ligt te slapen. De omstandigheid dat in dit geval de vrachtwagen op het afgesloten terrein van een transportbedrijf stond geparkeerd betekent niet dat die kans niet (meer) reëel en onwaarschijnlijk is te achten. Dit is immers geenszins een plek waar het ongebruikelijk is dat vrachtwagenchauffeurs aankomen na (mogelijk) lange ritten te hebben gereden en waar vrachtwagenchauffeurs hun rust kunnen pakken voordat zij weer verder rijden. Integendeel. Ook in het pand van het bedrijf van verdachte en zijn vrouw is tijdens een doorzoeking een slapende chauffeur aangetroffen in de cabine van een vrachtwagen. [30]
De brand die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben gesticht, ontwikkelde zich, door het gebruik van tien liter benzine die op en rondom de vrachtwagen was uitgegoten, razendsnel tot een uitslaande brand en heeft de vrachtwagen volledig verwoest. Het hof is van oordeel dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond dat de persoon die in die slaapcabine lag te slapen, om het leven zou komen.
Bewuste aanvaarding van die aanmerkelijke kans
Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de slapende chauffeur mogelijk niet of niet goed zichtbaar was niet maakt dat het opzet van de verdachte en zijn mededader(s) niet – in voorwaardelijke zin – mede gericht was op zijn dood. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij het uitvoeren van de door hen aangenomen “klus” doelgericht en doelbewust te werk gegaan. Uit niets blijkt dat zij op enig moment zich hebben vergewist van wat de gevaarzetting zou zijn van de plaats waar de vrachtwagen stond geparkeerd en of er mogelijk iemand in de vrachtwagen lag te slapen. Het hof is van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar hun uiterlijke verschijningsvormen zo zeer waren gericht op een snelle en allesverwoestende brandstichting waarbij, gelet op het feit dat zij geen enkele moeite of tijd hebben genomen om zich ervan te vergewissen of zich iemand in de vrachtwagen bevond, daarbij kennelijk alle gevolgen voor lief hebben genomen en dat het niet anders kan dan dat zij daarmee ook de aanmerkelijke kans dat er iemand in de vrachtwagen lag te slapen die door de brand zou kunnen worden gedood, hebben aanvaard.
Verdachte, die wist dat het om een vrachtwagen van een internationaal transportbedrijf ging, heeft bij zijn opdracht aan [medeverdachte 3] ten minste de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat de uitvoerders van die opdracht deze op hun eigen wijze zouden invullen, daaronder begrepen het snel en rücksichtslos in brand steken van de vrachtwagen, al dan niet met een daarin aanwezige chauffeur. Verdachte heeft aldus door op geen enkele wijze voorzorgsmaatregelen te nemen om het risico op een slachtoffer redelijkerwijze te voorkomen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de brand een in die vrachtwagen bevindende persoon zou worden gedood.
Contra-indicaties die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, ontbreken.
Het hof is dan ook van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededaders voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde 10] hebben gehad.
Voorbedachte raad
De vraag die het hof vervolgens moet beantwoorden is of er sprake is van een door verdachte uitgelokte poging tot moord of poging tot doodslag. Bij (poging tot) moord moet worden bewezen dat sprake is van voorbedachte raad.
Het hof stelt daarbij voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte begin augustus 2020 [medeverdachte 3] heeft benaderd om brand te (laten) stichten aan de vrachtwagen. Op dat moment is het plan kennelijk ontstaan. Verder stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] in de week voor de brandstichting door [medeverdachte 3] is benaderd om de vrachtwagen in brand te steken. [medeverdachte 1] heeft dezelfde dag nog [medeverdachte 2] benaderd om hem te helpen. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] weer een afspraak gemaakt met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] had inmiddels verdachte meegedeeld dat hij iemand had gevonden die de vrachtwagen in brand wilde steken en van verdachte het adres gekregen. [medeverdachte 3] heeft vervolgens [medeverdachte 1] laten zien waar het bedrijf zat waar de vrachtwagen in brand moest worden gestoken en hoe de vrachtwagen eruit zag. Op de avond voor de brand is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] langs [medeverdachte 3] in [gemeente 2] gereden om spullen voor de brandstichting op te halen en daarna zijn zij doorgereden naar [gemeente 1] om de vrachtwagen in brand te steken.
Het hof leidt hieruit af dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan van verdachte en de medeverdachten om de vrachtwagen in brand te (laten) steken en dat zij tevens ieder voor zich voldoende de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en dat zij zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. Het hof gaat ervan uit dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd.
Bij deze brandstichting is de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 10] ontstaan.
Nu de aanmerkelijke kans op de dood van die [benadeelde 10] , gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien de aanmerkelijke kans is overwogen, bij het plan, te weten het doelgericht en doelbewust in brandsteken van een vrachtwagen, was inbegrepen, strekt de voorbedachte raad zich ook uit tot de aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde 10] .
Omdat er geen contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan, is het hof van oordeel dat de medeverdachten met voorbedachte raad hebben gehandeld, en is poging tot moord bewezen.
Levensgevaar en/of gevaar voor goederen
Om tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 2 te komen, is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat bij de brandstichting levensgevaar en/of gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar en/of gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 3] en verdachte in de nachtelijke uren opzettelijk brand hebben gesticht aan een vrachtwagen die geparkeerd stond op een industrieterrein. Hierbij hebben zij tien liter benzine gebruikt, waardoor de brand zich razendsnel ontwikkelde tot een grote, uitslaande brand. Door deze brandstichting is [benadeelde 10] die op dat moment in de vrachtwagen lag te slapen, ernstig gewond geraakt. Ook is de lading van de vrachtwagen volledig verloren gegaan. De brand is overgeslagen naar twee bedrijfspanden, te weten het pand van [benadeelde 8] als ook het pand van [handelsonderneming] . Aan het pand van [handelsonderneming] zat een woning geschakeld waarin op dat moment de bewoner lag te slapen en naast dat pand stond een caravan geparkeerd die door de brand is verwoest. Het hof leidt uit de hiervoor vastgestelde feiten tevens af dat er sprake was van (zeer) korte afstanden tussen de vrachtwagen en de bedrijfspanden, de woning en de caravan.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat er een reëel gevaar bestond dat de brand – die ontstond nadat 10 liter motorbenzine rondom de vrachtwagen (met brandstof) is uitgegoten – zou overslaan naar de nabij gelegen panden en andere goederen en dat de vrachtwagen volledig zou uitbranden. Hetgeen ook is gebeurd. Naar het oordeel van het hof was ten tijde van de brandstichting dan ook naar algemene ervaringsregels (razendsnelle en onvoorspelbare verspreiding van vuur) levensgevaar voor de in de vrachtwagen én de in de woning slapende personen en gevaar voor goederen voorzienbaar. Dat het daarbij ging om een bedrijventerrein maakt het voorgaande niet anders.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het door giften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van poging tot moord (feit 1 subsidiair) en het door giften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen te duchten is (feit 2 subsidiair).

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1. subsidiair
[medeverdachte 1] en
/of[medeverdachte 2] in
of omstreeksde nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en
/ofdiens medeverdachte
(n
)voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand
heeft/hebben gesticht
in/aan
/bijde vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) waarin die [benadeelde 10] op dat moment lag te slapen, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit hij, verdachte,
op een of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 01 augustus 2020 tot en met 20 augustus 2020 in
de gemeente [gemeente 2] en/of elders inNederland, opzettelijk heeft uitgelokt door aan [medeverdachte 3] te vragen (tegen betaling) een klus voor hem, verdachte, te
(laten)verrichten, te weten
het in/bijvoornoemde vrachtwagen
brand te (laten) stichten en/of die vrachtwagenin brand te (laten) steken, en
/ofdie [medeverdachte 3] (vervolgens) te voorzien van de benodigde informatie (te weten
een plattegrond en/ofeen adres van de locatie waar de brand diende te worden gesticht), en
/ofdie [medeverdachte 3] geld te geven
/te betalen;
2. subsidiair
[medeverdachte 1] en
/of[medeverdachte 2] in
of omstreeksde nacht van 19 augustus 2020 op 20 augustus 2020 in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een
of meerander
(en), althans alleenopzettelijk brand
heeft/hebben gesticht
in/aan
/bijeen vrachtwagen ( [merk] , [kenteken] ) (die op dat moment geparkeerd stond aan [straat 1] ), immers
heeft/hebben die [medeverdachte 1] en
/ofdie [medeverdachte 2]
)toen aldaar opzettelijk motorbenzine
, althans een brandbare stof, gesprenkeld
/gegooid op/tegen/bij voornoemde vrachtwagen en
/of (vervolgens
) (open
)vuur in aanraking gebracht met voornoemde motorbenzine,
althans met die brandbare stof en/of met een of meer andere brandbare stof(fen) op/aan/bij die vrachtwagen,ten gevolge waarvan die vrachtwagen en
/of een of meerbrandbare stof
(fen
)in
/aan/bij die vrachtwagen en
/ofeen caravan die zich in de nabijheid van die vrachtwagen bevond geheel of gedeeltelijk
is/zijn verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die vrachtwagen bevindende (en op dat moment slapende) persoon (te weten [benadeelde 1] ) en
/ofvoor een
of meer(slapende) perso
(o
)n
(en)die zich bevond
enin de woning in de directe nabijheid van voornoemde vrachtwagen te duchten was en
/ofer gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de belendende perce
(e)l
(en
)van het terrein waarop die vrachtwagen geparkeerd stond (te weten het bedrijfspand van [benadeelde 8] en
/ofhet bedrijfspand van [handelsonderneming] ) en
/ofeen caravan en
/of een of meerandere goed
(eren
)in/
aan/in de nabijheid van die vrachtwagen,
welk feit hij, verdachte,
op een of meer tijdstip(pen)in
of omstreeksde periode van 01 augustus 2020 tot en met 20 augustus 2020 in
de gemeente [gemeente 2] en/of elders inNederland, opzettelijk heeft uitgelokt door aan [medeverdachte 3] te vragen (tegen betaling) een klus voor hem, verdachte, te
(laten)verrichten, te weten
het in/bijvoornoemde vrachtwagen
brand te (laten) stichten en/of die vrachtwagenin brand te (laten) steken, en
/ofdie [medeverdachte 3] (vervolgens) te voorzien van de benodigde informatie (te weten
een plattegrond en/ofeen adres van de locatie waar de brand diende te worden gesticht), en
/ofdie [medeverdachte 3] geld te geven
/te betalen;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

door giften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van poging tot moord
en
door giften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd

en

door giften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om – zo het hof daaraan zou toekomen - bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uitlokken van een brandstichting en een poging tot moord. Verdachte heeft een ander uitgelokt om een vrachtwagen van het concurrerende transportbedrijf [benadeelde 8] in brand te steken. Het gevolg daarvan is geweest dat er een nietsontziende brand is gesticht waarbij de gehele vrachtwagencabine omringd werd door een vlammenzee. Uit niets blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten zich op enig moment ervan hebben vergewist wat de gevaarzetting zou zijn van waar de vrachtwagen stond geparkeerd en of er iemand in de vrachtwagen lag te slapen. Er is sprake geweest van een brandstichting waarbij alle gevolgen voor lief werden genomen en daarmee ook van een poging tot moord van de zich in de vrachtwagen bevindende chauffeur.
De vrachtwagenchauffeur [benadeelde 10] , die op het moment van de brand in de vrachtwagen lag te slapen, heeft de brand ternauwernood overleefd. Hij heeft wel zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel opgelopen. Als gevolg van de brand is zijn lichaamsoppervlakte voor 65 procent verbrand. Hij heeft twee maanden op de intensive care gelegen, waarvan enige tijd in coma. Door onder meer blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen, zal hij voor altijd ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en daarmee in zijn kwaliteit van leven, zo is ook gebleken uit het spreekrecht dat hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft uitgeoefend. [benadeelde 10] is voor de rest van zijn leven aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen en zijn grootste passie, rijden op de vrachtwagen, kan hij naar verwachting nooit meer uitoefenen. De verdachten hebben zijn leven verwoest. De brand heeft niet alleen voor [benadeelde 10] zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare.
Door de grote, uitslaande brand ontstond er niet alleen levensgevaar voor [benadeelde 10] , maar
ook voor een bewoner van een naastgelegen woning die op dat moment ook lag te slapen. Daarnaast was er sprake van gevaar voor de goederen die zich in en in de nabijheid van de vrachtwagen bevonden.
Het hof acht voor deze zeer ernstige feiten geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Daarbij overweegt het hof dat de vrijspraak van het onder feit 1 en 2 primair tenlastegelegde (medeplegen) in dit geval niet strafmatigend werkt. Het hof acht de bewezenverklaarde uitlokking, waarbij anderen voor het karretje zijn gespannen om zo zelf buiten schot te blijven, minstens zo kwalijk.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof rekening met het feit dat sprake is van
eendaadse samenloop.
Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het hof heeft voorts rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen met het instellen van het rechtsmiddel op 23 mei 2022. De verdachte heeft zijn berechting in hoger beroep in voorlopige hechtenis doorgebracht, waardoor de redelijke termijn in hoger beroep zestien maanden bedraagt. Dat betekent dat het hof uiterlijk op 23 september 2023 arrest had moeten wijzen. Aangezien het hof arrest wijst op 20 januari 2026, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met twee jaar en vier maanden.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar passend en geboden is.
In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof deze straf verminderen met één jaar, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, zodat een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar resteert.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven Microsoft Notebook Surface Pro 7 en de Microsoft Notebook Surface Pro X.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade van
€ 200.000 ingediend. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de hiervoor omschreven wijze. Aldus heeft hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden tot vergoeding van de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is.
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op:
- de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij,
- de aard en ernst van het handelen van de verdachte,
- de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder zich dit handelen heeft afgespeeld.
Het hof heeft hierbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde grote gevolgen heeft (gehad) en altijd zal hebben voor de benadeelde partij. De benadeelde partij had brandwonden op 65 procent van zijn lichaam en heeft 63 dagen op de intensive care gelegen. Gedurende deze periode dachten artsen dat hij het niet zou gaan redden en werd zijn familie verzocht afscheid van hem te nemen. Na een langdurig verblijf in het ziekenhuis is hij overgebracht naar een revalidatiecentrum. Er is sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft de benadeelde met chronische pijn. Concluderend hebben de bewezenverklaarde feiten tot gevolg gehad dat langdurige medische behandeling noodzakelijk was, dat de mate van pijn groot is, dat de feiten cosmetische gevolgen hebben gehad en dat dit alles iedere dag zijn weerslag heeft op zijn sociaal leven, zijn tijdsbesteding en zijn werk. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten.
Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Er is immers een diepe inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit. Benadeelde is een volstrekt onschuldig slachtoffer, dat als gevolg van de brand niet alleen ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen, maar ook zijn passie, rijden op de vrachtwagen, nooit meer zal kunnen uitoefenen. Hij zal voor de rest van zijn leven worden geconfronteerd met de gevolgen van de feiten.
Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade op een bedrag van € 200.000.
De verdachte is, net als de mededaders, tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij, partner van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade (affectieschade) van € 17.500 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, BW is bepaald dat als iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht is tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn de 'naasten' opgesomd (limitatief) die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Een van die ‘naasten’ is de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert (sub b).
Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een bestendige affectieve relatie had met het slachtoffer en zij een duurzame en gemeenschappelijke huishouding voerden. Hiertoe overweegt het hof dat uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat zij sinds 2 november 2018 een relatie hebben en dat zij in maart 2019 zijn gaan samenwonen. Uit het voorgaande vloeit dan ook voort dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als levensgezel in de zin van artikel 6:107, tweede lid, sub b, BW.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 10] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 17.500.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij, dochter van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn als 'naasten' eveneens opgesomd degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is (sub d). De benadeelde partij is de dochter van het slachtoffer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 10] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 17.500.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij, de vader van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.000 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
In artikel 6:107, tweede lid, BW zijn als 'naasten' eveneens opgesomd degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is (sub c). De benadeelde partij is de vader van het slachtoffer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, waaruit ook volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij benadeelde [benadeelde 10] , komt het hof tot het oordeel dat de vordering ter zake van geleden affectieschade zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te weten € 15.000.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij, de zus van [benadeelde 10] , heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 15.000 ingediend (schokschade). De rechtbank heeft deze vordering voor een deel toegewezen, te weten tot een bedrag van € 10.000. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen dan wel om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat niet is voldaan aan het confrontatievereiste voor de toekenning van schokschade. De benadeelde werd pas in het ziekenhuis geconfronteerd met de verwondingen van haar broer, nadat zij door haar vader was geïnformeerd over de gebeurtenissen.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering te matigen, omdat het causale verband tussen de confrontatie en de psychische klachten onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (
hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
  • de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad,
  • de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en
  • de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Aan de hand van onder meer deze gezichtspunten dient van geval tot geval te worden beoordeeld of er sprake is van onrechtmatigheid. Hierbij geldt dat niet op voorhand aan één van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als één van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het hof overweegt dat de benadeelde de ochtend na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer is overkomen. De benadeelde is vervolgens naar het ziekenhuis gereden. Op een whiteboard in het ziekenhuis las ze dat haar broer voor 68 procent was verbrand. Ze zag haar broer liggen aan de beademing, ingepakt als een mummie, wetende dat hij over zijn hele lichaam is verbrand, en zijn gezicht vol met witte zalf. Eén dag later was de witte zalf zwart uitgeslagen en het gezicht van haar broer helemaal opgezet. Uit de toelichting van de vordering volgt dat de benadeelde dagelijkse flashbacks heeft gehad van de beelden van haar ernstig verwonde broer en dat zij sinds de confrontatie ernstig beperkt is in haar algemeen functioneren. Door de confrontatie zijn de angststoornis en de posttraumatische stressklachten bij de benadeelde toegenomen. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde een brief van de psycholoog overgelegd.
Het hof stelt op grond van vorenstaande vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de waarneming en de confrontatie met de directe gevolgen van de bewezenverklaarde feiten.
De hof stelt de hoogte van de geleden shockschade naar billijkheid vast (mede gelet op de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel en de verwachting ten aanzien van het herstel) op een bedrag van € 15.000. Het hof heeft daarbij voor zover mogelijk acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in soortgelijke gevallen zijn toegewezen.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de vordering van de benadeelde partij toewijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 38.612,19 ingediend. De rechtbank heeft benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
T.a.v. de beschadigde inboedel in de vrachtwagen:
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering met betrekking tot de beschadigde inboedel in de vrachtwagen aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat deze goederen aanwezig waren in de vrachtwagen en dat zij door de brand verloren zijn gegaan.
T.a.v. de herstelkosten van het terrein/pand:
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering met betrekking tot de belettering van het gebouw aangevoerd dat het causale verband tussen de kosten en de bewezenverklaarde feiten ontbreekt.
T.a.v. de extra kosten omtrent de aanschaf van de nieuwe vrachtwagen:
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering met betrekking tot kosten voor de nieuwe matrassen en aanvullende reparatiekosten aangevoerd dat het causale verband tussen de kosten en de bewezenverklaarde feiten ontbreekt.
T.a.v. de extra kosten door wegvallen van het personeel en het ontbreken van de vrachtwagen:
De raadsman heeft ten aanzien van de vergoeding van het retourticket en de hotelovernachting aangevoerd dat deze kosten redelijkerwijs niet aan verdachte kunnen worden toegerekend, omdat het in de risicosfeer ligt van de benadeelde om de juiste personen voor werkzaamheden in te schakelen.
T.a.v. de immateriële schade:
De raadsman heeft ten aanzien van de immateriële schade aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de onderneming rechtstreekse schade heeft geleden.
De raadsman heeft verder verzocht om de vordering te matigen.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De hoogte van de schade bedraagt
€ 29.281,83. De namens de verdachte niet betwiste delen van de vordering komen het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt.
T.a.v. de beschadigde inboedel in de vrachtwagen:
Het hof is van oordeel dat de verdediging de onderbouwde stellingen van benadeelde partij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof ook niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal worden toegewezen.
T.a.v. de extra kosten omtrent de aanschaf van de nieuwe vrachtwagen:
Het hof overweegt dat de door de benadeelde partij aangeschafte vrachtwagen een tweedehands vrachtwagen betreft. Onder het rijklaar maken van deze vrachtwagen, vallen ook de extra reparatiekosten en de kosten voor de aanschaf van nieuwe matrassen. Het hof is dan ook van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen de reparatiekosten van de aangeschafte vrachtwagen en de kosten voor de aanschaf van nieuwe matrassen, en de bewezenverklaarde feiten, zodat de vordering voor dit deel kan worden toegewezen.
T.a.v. de extra kosten door wegvallen van het personeel en het ontbreken van de vrachtwagen:
Het hof is van oordeel dat de verdediging de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij met de betrekking tot de vergoeding van het retourticket en de hotelovernachting onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit deel van de vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de belettering van het gebouw
(€ 811), de externe transportkosten (€ 5.019,36) en de immateriële schade (€ 3.500), is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade door de bewezenverklaarde feiten is veroorzaakt.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder ten aanzien van de immateriële schade dat onvoldoende is gebleken dat het oogmerk bestond om de benadeelde partij zodanig nadeel toe te brengen dan wel dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Deze onderdelen van de vordering vergen nader onderzoek en bewijslevering en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de benadeelde partij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Proceskosten
Het hof zal verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Het hof gaat ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2021 en begroot één punt op € 721 (Tarief III: zaken van een geldswaarde tussen € 20.000 en € 40.000). Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep gaat het hof uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024, wat maakt dat één punt wordt begroot op € 1.571.
Het hof kent ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg twee punten toe en ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep één punt. Het hof zal de tot op heden gemaakte proceskosten in deze vordering dus begroten op in totaal € 3.013.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.500 ingediend. De rechtbank heeft benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ten aanzien van de immateriële schade aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de onderneming rechtstreekse schade heeft geleden.
Oordeel van het hof
De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 BW. Degene die dergelijke schade vordert, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat sprake is van een door de aansprakelijke persoon bestaand oogmerk om zodanig nadeel toe te brengen (artikel 6:106, aanhef en onder a, BW) of dat sprake is van schade in zijn eer of goede naam, dan wel van een aantasting ‘op andere wijze’ in zijn persoon. De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof overweegt dat onvoldoende is gebleken dat verdachte het oogmerk had om de benadeelde nadeel dat niet in vermogensschade bestaat toe te brengen. Gelet op genoemd juridisch kader is datgene wat de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Zo heeft zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.279,52 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om de vordering te matigen.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden in rechtstreeks verband staat tot de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor tot een bedrag van € 3.779,52, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde schade aangaande toekomstige reiskosten, is het hof van oordeel dat een beoordeling, anders dan van inmiddels verwezenlijkte schade, van toekomstig nog opkomende schade dan wel verder oplopende schade een onevenredige belasting van het strafgeding met zich zou brengen. Het hof zal bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de geprognosticeerde schadepost de vordering op dat onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.
Proceskosten
Het hof zal verdachte voorts veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Het hof gaat ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2021 en begroot één punt op € 478 (Tarief I: zaken van een geldswaarde tot € 10.000). Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep gaat het hof uit van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024, wat maakt dat één punt wordt begroot op € 858.
Het hof kent ten aanzien van de proceskosten in eerste aanleg twee punten toe en ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep één punt. Het hof zal de tot op heden gemaakte proceskosten in deze vordering begroten op in totaal € 1.814.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.954,50 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De namens de verdachte niet betwiste vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering in zoverre voor toewijzing gereed ligt.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.615,40 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen dan wel om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat de persoon die de vordering heeft ondertekend, daadwerkelijk bevoegd of gemachtigd was om deze vordering namens de benadeelde partij in te dienen.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat bij de vordering tot schadevergoeding geen stukken zijn gevoegd, waaruit volgt wie de benadeelde partij in rechte mag vertegenwoordigen en een vordering tot schadevergoeding in kan dienen, dan wel daartoe gemachtigd is. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon. Nader onderzoek naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze persoon levert een onevenredige belasting van de strafprocedure op. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.809,65 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.949,33.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de vordering voor het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd, omdat de gederfde winst niet is aan te merken als directe schade.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De hoogte van de schade is niet betwist en bedraagt € 1.949,33. Dit bedrag komt het hof niet onredelijk of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de overige gevorderde schade, te weten de gederfde winst, is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door de bewezenverklaarde feiten is veroorzaakt. Daarom kan de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet worden ontvangen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 30.406,98 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.
Verweer de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd, omdat het voor de bij Movimento Creativo S.R.L. ingekochte kleding en de labels en hangtags van Duesse niet zeker is dat zij in de vrachtwagen lagen tijdens de brand.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. De namens de verdachte niet betwiste vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat de vordering kan worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat verdachte samen met anderen de strafbare feiten heeft gepleegd en dat zij naar civiele maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen als zijn medeverdachte(n) deze al hebben betaald en andersom. Het hof ziet in hetgeen namens verdachte is aangevoerd geen aanleiding om ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid een andere verdeling te hanteren.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 60a, 63, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
13 (dertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslag

Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de Microsoft Notebook Surface Pro 2 (beslagcode FT1.01.01.001) en de Microsoft Notebook Surface Pro X (beslagcode FT 1.01.02.002).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 200.000 (tweehonderdduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200.000 (tweehonderdduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 216 (tweehonderdzestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.000 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 29.281,83 (negenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
3.013 (drieduizend dertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29.281,83 (negenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 maart 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.779,52 (drieduizend zevenhonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
1.814 (duizend achthonderdveertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.779,52 (drieduizend zevenhonderdnegenenzeventig euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 maart 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.954,50 (duizend negenhonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 11] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.954,50 (duizend negenhonderdvierenvijftig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 12] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.949,33 (duizend negenhonderdnegenenveertig euro en drieëndertig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 13] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.949,33 (duizend negenhonderdnegenenveertig euro en drieëndertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2020.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 14] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 30.406,98 (dertigduizend vierhonderdzes euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 14] , ter zake van het 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.406,98 (dertigduizend vierhonderdzes euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 augustus 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Keppels, mr. M.J. Vos en mr. S. Taalman, in aanwezigheid van de griffier mr. M.E. Ruiter en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [persoon] van de [politie] , opgemaakte proces-verbaal,
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 577-578; proces-verbaal van bevindingen, p. 532; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 254; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 417-418.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 254; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 417-418; proces-verbaal forensisch brandonderzoek, p. 554-557; NFI-rapport, p. 1999-2000.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 738-740; proces-verbaal van bevindingen, p. 1935-1938.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 532.
6.Medische verklaringen, productie 3 bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
7.Letselverklaring d.d. 18 april 2021, p. 1957-1961.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1935-1938.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 161, 162, 165-169.
10.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 36.
11.Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2025.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 217; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 322.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 240-242
14.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 252-253.
15.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 240.
16.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 252-254.
17.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 244.
18.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 253-254.
19.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 322-323.
20.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 246.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1128-1129.
22.Tapgesprek TE002, sessie 6, p. 1211-1212.
23.Tapgesprek TE002, sessie 277. p. 1213.
24.Tapgesprek TE004, sessie 3, p. 1214.
25.Tapgesprek TE004, sessie 2, p. 1216-1217.
26.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 7] , p. 577-579.
27.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 324.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 70-73.
29.Proces-verbaal van bevindingen, p. 64-65.
30.Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 2146.