Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3053

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
200.362.928
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:610a BWArt. 7:618 BWArt. 7:671 lid 1 onder a BWArt. 7:672 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over herkwalificatie overeenkomst als arbeidsovereenkomst en vergoedingen bij onregelmatige opzegging

Werker verrichtte werkzaamheden vanaf 1 januari 2025 via zijn vennootschap RET voor werkgever op basis van een overeenkomst van opdracht. Werkgever zegde deze overeenkomst op 20 mei 2025 op, waarna werker stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst die onregelmatig was opgezegd. De kantonrechter kwalificeerde de overeenkomst als arbeidsovereenkomst en kende vergoedingen toe.

Werkgever stelde in hoger beroep dat er geen arbeidsovereenkomst was en dat de opzegging rechtmatig was. Het hof oordeelde dat ondanks de constructie via de vennootschap, de feiten wezen op een arbeidsovereenkomst, mede gelet op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. De opzegging was onregelmatig omdat deze zonder instemming of toestemming van het UWV plaatsvond.

Het hof stelde het loon bij naar een reëel bedrag van € 10.945 bruto per maand, lager dan de overeengekomen fee, en kende een billijke vergoeding van € 10.000 toe, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 32.835 en een transitievergoeding van € 2.432,22. Het subsidiaire verzoek van werkgever tot terugbetaling werd afgewezen. Beide partijen werden veroordeeld in hun proceskosten.

Uitkomst: Het hof kwalificeert de overeenkomst als arbeidsovereenkomst, oordeelt dat de opzegging onregelmatig was en kent vergoedingen toe aan werker.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.928
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, 11786813
beschikking van 18 mei 2026
in de zaak van
[werkgever] B.V. ( [werkgever] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. B. Anik
en
[werker]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. N. Poggenklaas

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[werkgever] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, op 19 september 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking [1] ). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift, tevens beroepschrift van [werker]
  • het verweerschrift tegen het beroepschrift van [werker]
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 april 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[werker] heeft vanaf 1 januari 2025 werkzaamheden uitgevoerd voor [werkgever] . Hij deed dat op basis van een overeenkomst tussen zijn vennootschap RET Administratie & Advies B.V. (hierna kortweg RET) en [werkgever] , die door beide partijen werd aangeduid als een overeenkomst van opdracht. [werkgever] heeft de overeenkomst op 20 mei 2025 opgezegd. In de schriftelijke bevestiging daarvan meldde [werkgever] dat een opzegtermijn van drie maanden geldt en deed zij een voorstel voor de afwikkeling.
2.2
[werker] stelde zich daarna op het standpunt dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met [werkgever] die niet rechtsgeldig is opgezegd. Hij legt zich neer bij het ontslag maar maakt aanspraak op betaling van diverse vergoedingen (voor onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en een billijke vergoeding).
2.3
De kantonrechter heeft [werker] gelijk gegeven op het punt van de kwalificatie van de overeenkomst en zijn financiële aanspraken grotendeels toegewezen op basis van een lager loonbedrag dan de fee die maandelijks aan RET werd betaald.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep van [werkgever] is dat het hof de bestreden beschikking vernietigt, de verzoeken van [werker] alsnog afwijst en hem veroordeelt tot terugbetaling van wat op grond van de bestreden beschikking is betaald. Als wèl sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan dient [werker] volgens haar ook te worden veroordeeld tot terugbetaling van teveel betaald loon vanaf 1 januari 2025, een bedrag van ruim
€ 28.000.
[werker] maakt in hoger beroep juist aanspraak op hogere bedragen voor onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en de billijke vergoeding.
2.3.
Het hof beslist dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die onregelmatig is opgezegd. Het hof kent voor de gevolgen daarvan andere bedragen toe dan de kantonrechter. [werkgever] is niet-ontvankelijk in haar subsidiaire verzoek. Dat oordeel licht het hof hierna toe, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de feiten
3.1.
[werkgever] heeft zes kantoren in Nederland, waaronder een in [plaats1] . Voor dat kantoor zocht zij via een recruiter een full time registeraccountant met tekenbevoegdheid die twee jongere medewerkers op dat kantoor kon begeleiden. [werker] , geboren in 1962, werkte op dat moment via zijn vennootschap RET bij [X Finance] die zijn fee aan RET betaalde. [werker] was geïnteresseerd in een overstap maar stelde daaraan voorwaarden, waaronder het aangaan van een opdrachtovereenkomst met zijn vennootschap. Partijen zijn het eens geworden over een door [werker] opgestelde opdrachtovereenkomst met nadere afspraken die [werker] heeft genoteerd in zijn e-mail van 16 oktober 2024. Die e-mail hoort als bijlage bij de overeenkomst van opdracht.
3.2
Partijen hebben onder meer afgesproken:
-zij hebben geen arbeidsovereenkomst en [werker] mag daar achteraf ook geen beroep op doen
-de overeenkomst gaat in op 1 januari 2025 en eindigt van rechtswege op 1 januari 2026, partijen hebben de intentie vijf jaar samen te werken en nemen een opzegtermijn van 3 maanden in acht. In de e-mail staat dat “we niet bij elkaar (blijven) als we elkaar niet meer leuk vinden. We hebben dit niet nader besproken. Hieronder mijn voorstel:
In het kader van het beëindigen van de samenwerking stel ik voor om een opzegtermijn van 3 maanden aan te houden. Of in wederzijds overleg een kortere periode.”
-de werkzaamheden worden naar verwachting gedurende 46 weken per jaar full time verricht waarbij [werker] 3 dagen per week vanuit [plaats1] werkt en 2 dagen vanuit kantoor [plaats2] of in zijn woonplaats
-de opdrachtnemer dient zich bij de werkzaamheden te houden aan verplichtingen die volgen uit de wet, de statuten van [werkgever] , het directiereglement, directiebesluiten en aanwijzingen van de directie
-RET stelt [werker] ter beschikking voor het werk en mag zonder toestemming van [werkgever] geen ander daarvoor inzetten. Ook mogen zonder toestemming van [werkgever] geen diensten voor derden worden verricht
-RET ontvangt een opdrachtvergoeding per jaar exclusief btw en zal dit in maandelijkse termijnen factureren. In de € 13.455 per maand is begrepen een gedeeltelijke compensatie van € 500 per maand voor extra reistijd naar kantoor [plaats1]
-daarnaast heeft RET aanspraak op een autokostenvergoeding van € 1.449 exclusief btw per maand, waarin begrepen € 500 voor de extra kilometers
- [werker] heeft recht op 28 vakantiedagen per jaar en 10 extra dagen als compensatie voor extra reistijd naar [plaats1]
-er geldt een relatiebeding voor de duur van twee jaar met betrekking tot klanten van [werkgever] en daarop is een boete gesteld.
3.3
[werkgever] liet op 20 mei 2025 mondeling weten de opdracht te willen beëindigen. In de schriftelijke bevestiging daarvan wees [werkgever] op de opzegtermijn en deelde zij mee te willen overleggen over de afwikkeling.
Daarop reageerde een advocaat namens [werker] met de stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die niet rechtsgeldig kan worden opgezegd zonder instemming van [werker] of toestemming van het UWV. [werker] stelde voor een minnelijke regeling te treffen met de volgende inhoud. De overeenkomst eindigt per 15 juli 2025, tot die datum wordt [werker] vrijgesteld van werk met behoud van loon en daarna ontvangt hij € 78.487,50 bruto beëindigingsvergoeding (5½ maanden loon plus de transitievergoeding). Daarbij komt nog een vergoeding voor juridische kosten van € 3.000 plus btw en € 41.300 autokosten. Als over het verleden nog belastingen en/of premies moeten worden afgedragen, komt dat voor rekening en risico van [werkgever] .
[werkgever] heeft [werker] op 27 mei 2025 bericht dat het niet gewenst is dat hij nog op een van haar vestigingen komt of de werkzaamheden verricht die met zijn vennootschap zijn overeengekomen. Diezelfde dag heeft [werkgever] bij aangetekende brief het standpunt en de eisen van [werker] verworpen.
Partijen zijn allebei van mening dat de overeenkomst op 27 mei 2025 is geëindigd.
3.4
[werker] heeft met een verzoekschrift aan de kantonrechter van 9 juli 2025 aanspraak gemaakt op een vergoeding voor onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Bij brief van 20 augustus 2025 heeft hij zijn aanspraak verhoogd.
3.5
Per 1 september 2025 heeft [werker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een ander accountantskantoor waarmee hij, volgens de in hoger beroep overgelegde salarisspecificatie over september 2025, € 8.640 bruto per maand verdient inclusief vakantietoeslag maar exclusief emolumenten, waaronder een auto van de zaak met recht van privégebruik.
de bezwaren van partijen tegen de beschikking van de kantonrechter
3.6
[werkgever] komt met haar eerste drie beroepsgronden (door haar aangeduid als ‘grieven’) vanuit verschillende invalshoeken op tegen de kwalificatie van de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst. Met grief 4 betwist zij dat zij onregelmatig heeft opgezegd en met grief 5 de gehanteerde opzegtermijn. De grieven 6, 7 en 8 zijn gericht tegen de toewijzing van de transitievergoeding, de billijke vergoeding en de proceskostenveroordeling. Daarbij voert [werkgever] aan dat de aanspraak die [werker] maakt op de arbeidsrechtelijke vergoedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Als wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan verzoekt [werkgever] subsidiair [werker] te veroordelen tot terugbetaling van wat [werkgever] vanaf januari 2025 teveel aan loon heeft betaald.
3.7
[werker] vindt dat de kantonrechter bij het bepalen van het maandloon dat past bij een arbeidsovereenkomst ten onrechte is uitgegaan van € 10.367,75 bruto. Hij betoogt met zijn eerste grief dat dit € 14.904 bruto per maand moet zijn, inclusief 8% vakantietoeslag en de autokostenvergoeding. Op basis van dat bedrag dienen ook de transitievergoeding en de onregelmatigheidsvergoeding te worden berekend (grieven 2 en 3). Hij wenst met grief 4 ook een hogere billijke vergoeding dan is toegewezen, maar vermindert zijn oorspronkelijke verzoek op dit punt tot € 55.000.
3.8
Het hof zal deze bezwaren thematisch bespreken. Maar nu al moet worden vastgesteld dat [werkgever] , die in de procedure bij de kantonrechter verweerder was en toen geen eigen verzoek heeft ingediend, niet voor het eerst in hoger beroep een tegenverzoek kan doen. [2] Daarom is zij niet-ontvankelijk in haar subsidiaire verzoek.
de kwalificatie van de overeenkomst: wel een arbeidsovereenkomst
3.9
Voor zover [werkgever] bezwaar maakt tegen de door de kantonrechter toegepaste methode voor kwalificatie van de rechtsverhouding is dat, in het licht van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [3] , onvoldoende gemotiveerd. Overeenkomstig die vaste rechtspraak zijn eerst de overeengekomen rechten en plichten geïnventariseerd en zijn vervolgens in de kwalificatiefase de verschillende ‘Deliveroo-criteria’ [4] afgewogen waarbij volgens de kantonrechter de uitkomst moest zijn dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter concludeerde:
“3.17. Kenmerkend voor de overeenkomst zijn hier de aard en de omvang van de
werkzaamheden, waarbij het werk van [werker] volledig was ingebed in de organisatie en
hij fulltime werkzaam was. Evenmin had [werker] de vrijheid om zelf te bepalen wanneer
en waar hij zijn werkzaamheden zou uitvoeren. [werker] had de verplichting zelf de
werkzaamheden uit te voeren en minimaal drie dagen per week aanwezig te zijn op kantoor
van [werkgever] . Het stond [werker] ook niet vrij om zonder toestemming van [werkgever]
werk te verrichten voor andere opdrachtgevers.
[werkgever] heeft erop gewezen dat zij met meerdere accountants een overeenkomst van
opdracht heeft en dat zij daar voor kiest om de pieken op te vangen. De overeenkomst met
[werker] is daar juist niet voor bedoeld, gelet op de intentie de werknemers te begeleiden
tot (register) accountant, waarvoor minimaal 5 jaar was gerekend en de spilfunctie die [werker]
had op kantoor.
Van enig ondernemerschap of het lopen van commercieel risico door [werker] is niet
gebleken. Zo ontving [werker] maandelijks een vaste beloning waarbij [werker] geen
enkel ondernemersrisico liep. Zowel intern en extern trad hij naar buiten onder de vlag van
[werkgever] .
3.18.
Het feit dat partijen (doelbewust) een constructie hebben opgezet waarbij niet [werker]
maar zijn B.V. als contractspartij is aangeduid en zij ook op die wijze de facturering
hebben laten verlopen, staat hier niet in de weg om de overeenkomst te kwalificeren als
arbeidsovereenkomst. Duidelijk is namelijk dat die constructie enkel vanuit fiscaal
aantrekkelijk oogpunt is aangegaan en partijen zich er ook van bewust waren dat in
werkelijkheid sprake zou kunnen zijn van een arbeidsovereenkomst. Ook het artikel in de
overeenkomst dat partijen niet bedoeld hebben een arbeidsovereenkomst aan te gaan en dat
[werker] zich daar achteraf ook niet op zou mogen beroepen, bevestigt dit. Tijdens de
mondelinge behandeling is daarnaast gebleken dat partijen ten tijde van de
onderhandelingen over de overeenkomst spraken over het risico dat de overeenkomst als
arbeidsovereenkomst zou worden gekwalificeerd en wie dan het risico zou dragen van de af
te dragen werkgeverslasten. Dat partijen geen arbeidsovereenkomst wilden sluiten maakt
geen verschil, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:610 BW Pro.”
3.1
Volgens [werkgever] heeft de kantonrechter onvoldoende aandacht gegeven aan het feit dat [werker] alleen wilde komen werken als [werkgever] opdracht zou geven aan zijn vennootschap die voor de werkzaamheden en het gebruik van de leaseauto zou factureren met btw. Over de hoogte van de fee is ook door [werker] onderhandeld, mede in verband met de reistijd. [werkgever] zelf had geen voorkeur voor de vorm van opdracht; zij wil geen organisatie van zzp’ers zijn en de vacature werd voorafgaand aan de inzet van RET ook vervuld door een werknemer. Er was eind 2024 echter schaarste op de arbeidsmarkt waardoor [werkgever] met de eisen van [werker] heeft ingestemd. Partijen waren zich bewust van het risico dat de belastingdienst, met aangekondigde controles vanaf 2025, anders over de kwalificatie kon denken en hebben voor de volledigheid het risico daarvan bij [werkgever] neergelegd.
3.11
Daarnaast voert [werkgever] met betrekking tot de door de kantonrechter getoetste ‘Deliveroo-criteria’ nog het volgende aan:
a. a) aard en duur van de werkzaamheden:
langdurige structurele samenwerking kan ook binnen een opdrachtrelatie.
b) wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald:
feitelijk kwam en ging [werker] wanneer hij wilde en de werkzaamheden zijn onderworpen aan wet- en regelgeving.
c) inbedding van werk en [werker] bij [werkgever] :
de kantonrechter hecht hier teveel waarde aan gelet op het feitelijke werk in vijf maanden.
d) de al dan niet bestaande verplichting tot persoonlijke uitvoering van het werk:
de overeenkomst sluit inzet van gekwalificeerde personen niet uit.
e) de totstandkoming van het contract:
[werker] is een hoog gekwalificeerde professional die zelf de vorm van opdracht initieert met zijn al langer bestaande vennootschap, op dezelfde wijze waarop hij vóór [werkgever] werkzaam was bij [X Finance] .
f) de wijze waarop de beloning is bepaald, de hoogte ervan en hoe die wordt uitgekeerd:
[werker] heeft, gebruik makend van zijn maatschappelijke positie, bedongen dat in de beloning alle kosten van RET werden opgenomen. RET factureerde maandelijks met btw en [werkgever] betaalde het factuurbedrag aan RET, pertinent niet aan [werker] zelf.
g) ondernemerschap:
Met het verbod om voor anderen te werken behoudens toestemming van [werkgever] werd beoogd conflictsituaties met klanten of relaties te voorkomen.
3.12
In hoger beroep doet [werker] beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW en hij stelt dat [werkgever] dat vermoeden niet heeft weerlegd.
In reactie op de stellingen van [werkgever] over de Deliveroo-criteria merkt [werker] nog op:
- over punt b): [werker] diende zich ook te houden aan de gedragscode van [werkgever] . [werkgever] bepaalde aan welke opdrachten hij moest werken en sprak hem erop aan als hij afwezig was. Hij kreeg ook inhoudelijke aanwijzingen.
- over punt d): aan RET is geen andere persoon dan [werker] verbonden of gelieerd.
- over punt e): de overeenkomst is niet het gevolg van door [werker] gepleegde acquisitie. Hij is slechts ingegaan op aanhoudende pogingen van [werkgever] om hem binnen te halen.
- over punt f): het is evident dat slechts vanuit fiscaal oogpunt is gekozen voor de constructie van factureren met btw. Daarbij is de maandelijkse vergoeding vast, ongeacht de verrichte werkzaamheden. [werker] was in financiële zin volledig afhankelijk van [werkgever] waar hij full time werkte. Een andere tekenbevoegde accountant in dienst van [werkgever] verdiende per maand inclusief vakantiegeld en dertiende maand € 10.367,75 bruto en de vergoeding voor [werker] bedroeg inclusief vakantiegeld en overige emolumenten € 13.445. Dat geringe verschil rechtvaardigt niet dat dit zou wijzen op opdracht. Hier komt bij dat [werkgever] dit zelf een partnersalaris noemde en [werker] leidt hieruit af dat hij meer zou gaan verdienen dan andere tekenbevoegde accountants.
- over punt g): dat [werker] geen ondernemersrisico had blijkt ook uit het feit dat [werkgever] de maandelijkse vergoeding betaalde als [werker] vrije uren opnam. Zijn onkosten werden vergoed en hij heeft geen investeringen hoeven doen.
3.13
Het hof constateert dat [werker] zijn huid duur verkocht heeft. Dat ‘slechts vanuit fiscaal oogpunt is gekozen voor factureren met btw’ levert een voordeel op voor hemzelf, zoals hij aan het slot van de mondelinge behandeling heeft toegelicht, maar niet valt in te zien wat het voordeel van de ‘constructie’ voor [werkgever] was. [werkgever] diende de facturen van RET te voldoen, hield daarop geen loonbelasting en premies in maar droeg wel het onder 3.10 slot bedoelde risico.
[werker] was zich in het kader van de door hem gewenste opdracht ook bewust van het risico dat hij liep bij langere ziekte of arbeidsongeschiktheid. Hij ging er, zoals hij ter zitting verklaarde, van uit dat bij kortdurende ziekte de maandelijkse fee werd doorbetaald, maar hij verwachtte niet dat [werkgever] twee jaar ziekte zou doorbetalen. Maar voor dat risico hoefde hij zich niet te verzekeren, omdat hij kon terugvallen op de mogelijkheid van vervroegd pensioen.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [werker] welbewust en goed geïnformeerd heeft gekozen voor een opdrachtovereenkomst aan zijn vennootschap, en pas toen [werkgever] die opdracht eerder wilde beëindigen dan hij verwachtte, de bescherming van een arbeidsovereenkomst inriep en toen vond dat vanaf dag één sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Die draai mag weinig sympathiek en opportunistisch overkomen omdat [werker] aldus van twee walletjes eet, maar dat neemt niet weg dat op grond van alle feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bekeken, toch sprake is van een arbeidsovereenkomst.
3.14
Het gaat hier om het verrichten van kernwerkzaamheden van [werkgever] , voor de volledige werktijd, waarvoor [werker] (of zijn vennootschap) geen ondernemersrisico draagt, welke werkzaamheden hij persoonlijk moet verrichten, zonder vrijelijk acquisitie te kunnen plegen voor andere opdrachten, waarbij een vaste maandelijkse beloning wordt betaald ongeacht het aantal werkelijk gemaakte uren en met inbegrip van het recht op betaalde vakantiedagen, en zonder dat is afgesproken dat bij (kortdurende) ziekte geen recht op loonbetaling bestaat. Daarbij is aangewezen waar [werker] moet werken (ook al heeft [werkgever] aanwezigheid niet afgedwongen) en werd verwacht dat [werker] aanwijzingen zou opvolgen.
Dit alles wijst, mede gelet op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW, op een arbeidsovereenkomst. Daaraan doet onvoldoende af wat [werkgever] onder 3.10 en 3.11 heeft aangevoerd.
partijen hadden alleen een arbeidsovereenkomst, geen inleen / uitzendovereenkomst
3.15
[werkgever] heeft nog aangevoerd dat, als er al een arbeidsovereenkomst is tussen haar en [werker] , die overeenkomst een uitzendovereenkomst of een payrollovereenkomst is. RET heeft haar werknemer [werker] in het kader van de uitoefening van haar beroep of bedrijf in opdracht van [werkgever] ter beschikking gesteld voor werkzaamheden bij [werkgever] . Daarmee kan geen arbeidsovereenkomst tussen [werker] en inlener [werkgever] ontstaan, aldus [werkgever] .
3.16
Het hof kan die redenering niet volgen. Als sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werker] kan dat niet tegelijkertijd géén arbeidsovereenkomst zijn omdat [werker] door haar zou zijn ingeleend. Mocht [werkgever] bedoelen dat de onder 3.1 bedoelde overeenkomst is gesloten met RET als uitzendbureau of payrollbedrijf teneinde de bij dat bedrijf in dienst zijnde [werker] aan haar uit te lenen, dan heeft [werkgever] daarvoor onvoldoende gesteld en onderbouwing gegeven.
opzegging is onregelmatig, opzegtermijn is drie maanden
3.17
Omdat [werker] in de opzegging heeft berust en niet om vernietiging van die opzegging heeft verzocht, heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat onregelmatig is opgezegd, aldus [werkgever] .
3.18
[werkgever] ziet dan over het hoofd dat artikel 7:681 lid 1 aanhef Pro en onder a BW de werknemer, wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd zonder zijn instemming of zonder toestemming van het UWV zoals beschreven in artikel 7:671 lid 1 aanhef Pro en onder a BW, een keuze geeft. Die werknemer kan de kantonrechter verzoeken de opzegging te vernietigen òf in plaats daarvan een billijke vergoeding toe te kennen. [werker] heeft gekozen voor de billijke vergoeding en zich dus neergelegd bij het einde van de overeenkomst. Dat betekent dat de opzegging in stand blijft.
In dat geval kan een werknemer ook aanspraak maken op de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van artikel 7:672 lid 11 BW Pro, als de opzegtermijn niet in acht is genomen.
Verzoeken aan de kantonrechter als hier bedoeld moet de werknemer wel indienen binnen twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, aldus artikel 7:686a lid 4 BW.
Daaraan is voldaan nu de overeenkomst op 27 mei 2025 is geëindigd en het verzoek op 9 juli 2025 bij de kantonrechter is ingediend.
3.19
De kantonrechter is uitgegaan van een overeengekomen tussentijdse opzegtermijn van drie maanden. [werkgever] vindt dat onjuist omdat dit is overeengekomen in het kader van een overeenkomst van opdracht die een arbeidsovereenkomst blijkt te zijn. Dan moet ook de arbeidsrechtelijke opzegtermijn gehanteerd worden, vindt zij.
3.2
Hoewel de wettelijke opzegtermijn voor een werkgever in dit geval één maand zou bedragen [5] , kan die opzegtermijn schriftelijk worden verlengd [6] en dat is wat is gebeurd. Het hof ziet niet in op grond waarvan die overeengekomen opzegtermijn niet zou gelden.
de overeengekomen opdrachtbeloning is terecht vertaald nu het om werknemersloon gaat
3.21
[werkgever] heeft zich op het standpunt gesteld dat, als sprake is van een arbeidsovereenkomst, niet moet worden uitgegaan van het loon dat in het kader van opdracht is overeengekomen, maar van een bij een arbeidsovereenkomst gebruikelijk loon in de zin van artikel 7:618 BW Pro.
De kantonrechter overwoog dat bij een overeenkomst van opdracht de beloning vaak hoger ligt omdat de werker geen ontslagbescherming heeft en diverse andere aanspraken van werknemers niet van toepassing zijn. Partijen hebben onderhandeld over een tarief voor opdracht. Het loon is niet overeengekomen voor een arbeidsovereenkomst. Een werker die heel bewust en tegen beter weten in kiest voor een opdracht met hoge beloning moet niet beloond worden door dat tarief zomaar over te nemen als de overeenkomst een arbeidsovereenkomst is, aldus de kantonrechter die vervolgens is uitgegaan van het hoogste loon dat [werkgever] voor een accountant betaalt. Dat komt met 8% vakantietoeslag en dertiende maand uit op € 10.367,75 bruto per maand. De autokosten rekent de kantonrechter niet mee voor het loon maar wel bij het bepalen van de billijke vergoeding. Die vergoeding voor een door de werknemer zelf aangegane leaseovereenkomst past niet bij een arbeidsovereenkomst, aldus de kantonrechter.
3.22
Volgens [werker] moet worden uitgegaan van een arbeidsloon van € 14.904 bruto per maand: de opdrachtvergoeding van € 13.455 plus de autovergoeding van € 1.449 per maand, exclusief btw. Hij voert aan dat de werkverschaffer verantwoordelijk is voor de kwalificatie en hij daarvan als werknemer geen nadeel mag ondervinden. Verder wijst hij erop dat hij in correspondentie is vergeleken met een salary partner en dat betekent dat hij meer zou moeten verdienen dan een gewone werknemer. Ook voert hij aan dat de bedoeling was dat hij er met de overstap van [X Finance] naar [werkgever] financieel op vooruit zou gaan. Daar ontving zijn vennootschap een fee van € 11.500 per maand en, zo verklaarde [werker] ter zitting, betaalde [X Finance] ook de sociale premies alsof hij in dienst was. Eigenlijk was er een gewoon dienstverband, maar [X Finance] was bereid het loon aan de vennootschap te betalen waardoor [werker] fiscaal voordeel kon behalen. [werker] heeft in hoger beroep een printversie van een verzekeringsbericht van het UWV overgelegd. Daaruit blijkt dat hij in de periode van 1 mei 2024 tot en met november 2024 bij [X Facility Co] B.V. (dus een andere vennootschap dan hij heeft gesteld) werkte op basis van een niet schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en verzekerd was voor WW, ZW en WIA. Het maandelijkse Sv-loon bedroeg volgens dat overzicht € 11.500.
In zijn pleitnotitie merkt [werker] nog op dat het gebruik van artikel 7:618 BW Pro in dit geval onjuist is vanwege de ‘kwalificatieparadox’ [7] . Bij de kwalificatie als arbeidsovereenkomst is immers al vastgesteld dat sprake is van loon.
3.23
Loon in de zin van artikel 7:610 BW Pro is iedere tegenprestatie voor de verrichte arbeid. Maar als, zoals in dit geval, partijen geen arbeidsovereenkomst hebben willen sluiten, hebben zij in de hoogte van de afgesproken tegenprestatie voor het verrichten van een opdracht geen rekening gehouden met bijzondere gevolgen wanneer hun overeenkomst een arbeidsovereenkomst blijkt te zijn. Partijen hebben bij het bepalen van de opdrachtvergoeding aan RET diverse posten meegenomen zoals doorbetaalde vakantiedagen, vakantietoeslag, winstuitkering en doorbetaling bij (in ieder geval kortdurende) ziekte. Daar bovenop zijn extra vergoedingen opgenomen als compensatie voor wat langere reistijd:
€ 500 per maand en 10 extra vakantiedagen per jaar. Voor afdekking van het risico van langere arbeidsongeschiktheid diende [werker] kennelijk zelf te zorgen. Het gaat aldus om een all-in afspraak, waarbij het risico voor eventuele werkgeverslasten (volgens partijen circa 15%) wel bij [werkgever] is neergelegd. Maar in die all-in afspraak is niet de kans verdisconteerd dat [werker] zelf, in strijd met de daarover in hun schriftelijke overeenkomst gemaakte afspraken, bij tussentijdse opzegging aanspraak zou maken op de transitievergoeding en een billijke vergoeding om de enkele reden dat instemming of toestemming voor de opzegging ontbreekt. Het hof acht het redelijk daarmee rekening te houden bij de bepaling van het loon bij een arbeidsovereenkomst.
3.24
Het hof deelt in dit geval niet de opvatting van [werker] dat alleen [werkgever] verantwoordelijk is voor de kwalificatie en dat hijzelf daarvan geen nadeel mag ondervinden. Dit geval kenmerkt zich erdoor dat [werker] het initiatief voor de vorm van het contract met zijn vennootschap nam, geen arbeidsovereenkomst wenste en dat hij beroepshalve geacht wordt op de hoogte te zijn van de fiscale verschillen tussen een ondernemer en een werknemer en risico’s van schijnzelfstandigheid.
[werker] heeft niet betwist wat het hoogst betaalde loon bij [werkgever] is. Nog daargelaten dat [werkgever] heeft betwist dat met hem een functie als salary partner is overeengekomen, heeft [werker] ook niet gesteld en onderbouwd in hoeverre dat binnen het loongebouw van [werkgever] een loonbedrag zou opleveren dat afwijkt van het hoogst betaalde loon van
€ 10.367,75 bruto per maand waarvan de kantonrechter is uitgegaan.
Hier staat tegenover dat eind 2024 kennelijk sprake was van een arbeidsmarkt waarin tekenbevoegde registeraccountants als [werker] moeilijk te vinden waren, hetgeen (zonder standaard cao) prijsopdrijvend pleegt te werken. [werker] heeft aangevoerd dat hij meer wilde verdienen dan hij deed in zijn vorige werkkring en dat zou € 11.500 zijn. Het hof gaat er niet van uit dat dit het overeengekomen bruto maandsalaris bij loondienst is, want daarover is de informatie van [werker] , waaronder het onder 3.22 bedoelde verzekeringsbericht waarin een andere rechtspersoon als werkgever staat, niet voldoende helder en verifieerbaar. Het ontbreken van juiste informatie komt voor risico van [werker] , nu die informatie zich in zijn domein bevindt.
3.25
In de feitelijk door [werkgever] betaalde fee van € 13.445 per maand exclusief btw voor de opdracht is, vanuit het perspectief van [werkgever] , in aanvulling op een loon in het kader van een arbeidsovereenkomst begrepen: een vergoeding voor een verzekering bij niet kortdurende arbeidsongeschiktheid en een vergoeding om, zij het met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, makkelijk van [werker] af te komen zonder transitievergoeding en zonder bescherming tegen ontslag. De waarde daarvan is moeilijk in geld uit te drukken. Het hof schat de prijs daarvoor op € 2.500 bruto per maand. Aldus resteert een bruto all-in maandloon van € 10.945 in het kader van een arbeidsovereenkomst.
beroep op arbeidsrechtelijke vergoedingen niet onaanvaardbaar, toewijzing vergoeding voor onregelmatige opzegging en transitievergoeding
3.26
Gegeven de ‘herkwalificatie’ van de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst valt niet in te zien waarom het beroep van [werker] op arbeidsrechtelijke vergoedingen onaanvaardbaar zou zijn.
Uitgaande van een bruto maandloon van € 10.945 is [werkgever] dan aan [werker] verschuldigd:
  • € 32.835 bruto wegens onregelmatige opzegging (het loon gedurende de opzegtermijn van drie maanden) met wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 en
  • € 2.432,22 bruto transitievergoeding over de periode vanaf aanvang tot 1 september 2025 waarop de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de juiste opzegtermijn zou zijn geëindigd, met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2025.
Het beroep op matiging van de vergoeding voor onregelmatige opzegging stuit af op artikel 7:672 lid 12 BW Pro gelet op de daar genoemde ondergrens van loon over drie maanden.
toewijzing lagere billijke vergoeding
3.27
Omdat [werkgever] de overeenkomst, die een arbeidsovereenkomst blijkt te zijn, heeft opgezegd zonder instemming van [werker] of toestemming van het UWV, heeft [werkgever] ernstig verwijtbaar gehandeld en is zij een billijke vergoeding verschuldigd. De hoogte daarvan dient in relatie te staan tot het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever en de werknemer dient daarvoor te worden gecompenseerd op een wijze die de rechter billijk vindt en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij kan rekening worden gehouden met verschillende gezichtspunten, zoals de inkomsten die de werknemer had verkregen als de arbeidsovereenkomst niet zou zijn geëindigd door het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en de inkomsten die de werknemer inmiddels heeft, of hij een transitievergoeding heeft gekregen en in hoeverre hem zelf een verwijt treft van de ontstane situatie. Uiteindelijk laat de omvang van de billijke vergoeding zich naar zijn aard moeilijk motiveren. De rechter moet in elk geval inzicht geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid, mede in het licht van het partijdebat.
3.28
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst zonder opzegging zou hebben voortgeduurd tot 1 januari 2026 en dat, als [werkgever] ontbinding had verzocht, dat verzoek zou zijn afgewezen. Omdat de inkomensschade van [werker] tot 1 september 2025 al gedekt is met de vergoeding voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn, gaat het dan hooguit om vier maanden loon. Het hof deelt dit uitgangspunt.
In hoger beroep heeft [werker] zijn eerste loonspecificatie over september 2025 bij een nieuwe werkgever overgelegd. Hij verdient daar € 8.640 bruto per maand inclusief vakantietoeslag en exclusief overige emolumenten. Daarmee is het inkomensverschil hooguit € 2.305 bruto per maand. De kantonrechter heeft de billijke vergoeding nog verhoogd in verband met de leaseovereenkomst die [werker] voor vier jaar is aangegaan, maar voor zover [werker] die overeenkomst specifiek is aangegaan voor de werkzaamheden bij [werkgever] , heeft hij dat gedaan met de wetenschap dat de overeenkomst in beginsel, behoudens tussentijdse opzegging, na een jaar van rechtswege zou eindigen. Bovendien heeft [werker] bedongen dat in zijn fee van [werkgever] een bedrag is begrepen van € 500 per maand als compensatie voor extra reistijd, welke extra tijd hij vanaf juni 2025 niet meer kwijt is.
Voor een plus op de inkomensschade ziet het hof daarom geen reden. Het hof bepaalt de billijke vergoeding, naar boven afgerond, op € 10.000 bruto. De in hoger beroep verzochte wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf veertien dagen na deze beschikking.
de conclusie en de proceskosten
3.29
De kantonrechter heeft de overeenkomst van opdracht terecht aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Aan [werker] komt een hogere vergoeding toe voor onregelmatige opzegging en voor de transitievergoeding dan de kantonrechter heeft toegewezen, maar een lagere billijke vergoeding.
[werkgever] is in haar subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk.
3.3
[werkgever] is door de kantonrechter terecht aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, nu het om een arbeidsovereenkomst gaat die zij op onjuiste wijze heeft beëindigd.
In het door [werkgever] ingestelde hoger beroep is [werkgever] om dezelfde reden ook aan te merken als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat zij veroordeeld wordt in de proceskosten daarvan.
3.31
[werker] wordt, in het door hem ingestelde incidentele hoger beroep, veroordeeld in de proceskosten omdat hij daarin grotendeels ongelijk heeft gekregen.
3.32
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (zij zijn ‘uitvoerbaar bij voorraad’).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 19 september 2025, met uitzondering van de proceskostenveroordeling, en beslist in plaats daarvan:
- veroordeelt [werkgever] om aan [werker] een billijke vergoeding te betalen van
€ 10.000 bruto, met wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van deze beschikking;
- veroordeelt [werkgever] om aan [werker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 32.835 bruto met wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2025;
- veroordeelt [werkgever] om aan [werker] een transitievergoeding te betalen van
€ 2.432,22 bruto met wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2025;
4.2
verklaart [werkgever] niet-ontvankelijk in haar subsidiaire verzoek;
4.3
veroordeelt [werkgever] in de kosten van het principale hoger beroep, aan de zijde van [werker] vastgesteld op € 373 griffierecht en € 2.580 voor salaris van de advocaat (2 punten, tarief II in hoger beroep);
4.4
veroordeelt [werker] in de kosten van het incidentele hoger beroep, aan de zijde van [werkgever] vastgesteld op € 1.290 voor salaris van de advocaat (0,5 x 2 punten, tarief II in hoger beroep);
4.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst af wat in principaal of incidenteel hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, O.E. Mulder en C.W. Inden, en is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

Voetnoten

1.Gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2025:5440.
2.Artikel 362 in Pro verbinding met artikel 353 lid 1 Rv Pro.
3.Zie o.a. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746
4.Ontleend aan HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443
5.Artikel 7:672 lid 2 BW Pro.
6.Artikel 7:672 lid 7 BW Pro.
7.Hiervoor wordt verwezen naar de noot van Hummel bij ECLI:NL:GHAMS:2025:2339 in TRA 2025/109.