Voor zover [werkgever] bezwaar maakt tegen de door de kantonrechter toegepaste methode voor kwalificatie van de rechtsverhouding is dat, in het licht van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende gemotiveerd. Overeenkomstig die vaste rechtspraak zijn eerst de overeengekomen rechten en plichten geïnventariseerd en zijn vervolgens in de kwalificatiefase de verschillende ‘Deliveroo-criteria’afgewogen waarbij volgens de kantonrechter de uitkomst moest zijn dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter concludeerde:
“3.17. Kenmerkend voor de overeenkomst zijn hier de aard en de omvang van de
werkzaamheden, waarbij het werk van [werker] volledig was ingebed in de organisatie en
hij fulltime werkzaam was. Evenmin had [werker] de vrijheid om zelf te bepalen wanneer
en waar hij zijn werkzaamheden zou uitvoeren. [werker] had de verplichting zelf de
werkzaamheden uit te voeren en minimaal drie dagen per week aanwezig te zijn op kantoor
van [werkgever] . Het stond [werker] ook niet vrij om zonder toestemming van [werkgever]
werk te verrichten voor andere opdrachtgevers.
[werkgever] heeft erop gewezen dat zij met meerdere accountants een overeenkomst van
opdracht heeft en dat zij daar voor kiest om de pieken op te vangen. De overeenkomst met
[werker] is daar juist niet voor bedoeld, gelet op de intentie de werknemers te begeleiden
tot (register) accountant, waarvoor minimaal 5 jaar was gerekend en de spilfunctie die [werker]
had op kantoor.
Van enig ondernemerschap of het lopen van commercieel risico door [werker] is niet
gebleken. Zo ontving [werker] maandelijks een vaste beloning waarbij [werker] geen
enkel ondernemersrisico liep. Zowel intern en extern trad hij naar buiten onder de vlag van
[werkgever] .