Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3049

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
21-004137-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak diefstal kajuitboot en witwassen fiets wegens onvoldoende bewijs

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal van een kajuitboot, vernieling van diezelfde boot en witwassen van een elektrische fiets. Het hof heeft het vonnis vernietigd en verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

De diefstal van de kajuitboot kon niet worden bewezen omdat verdachte aannemelijk maakte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de boot mocht meenemen, gebaseerd op een gesprek met de havenmeester. Ook was er geen bewijs voor vernieling van de boot. Wat betreft het witwassen van de fiets kon niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de fiets van een misdrijf afkomstig was.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden aan de feiten die de schade zouden hebben veroorzaakt. Het hof bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van diefstal en vernieling van de kajuitboot en witwassen van de fiets wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004137-25
Uitspraakdatum: 13 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2025 met parketnummer 18-044399-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [instelling] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 30 april 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte voor de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken. De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. B.P.M. Canoy, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 12 april 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (kajuit)boot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
1. subsidiair
hij in of omstreeks 12 april 2024 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk (kajuit)boot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij in of omstreeks de periode van 30 september 2022 tot en met 21 november 2024, te [plaats] , althans in Nederland, (van) een fiets (Gazelle Impulse EM C7), althans een of meer voorwerpen
Sub a - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Vrijspraak

feit 1
Verdachte wordt onder feit 1 primair kort gezegd verweten dat hij op 12 april 2024 (samen met een ander) een (kajuit)boot van aangever [benadeelde] heeft gestolen. Uit het dossier volgt dat verdachte de betreffende boot inderdaad heeft weggenomen uit de haven in [plaats] . Verdachte heeft dat ook zelf erkend. Hij heeft daarover bij de politie en ter zitting in hoger beroep verklaringen afgelegd, die erop neerkomen dat hij zag dat - na later bleek de havenmeester - een boot aan de buitenkant van de stijger plaatste, waarna verdachte met hem een gesprek heeft gevoerd. Uit dat gesprek met de havenmeester heeft verdachte begrepen dat het hem vrij stond om de boot mee te nemen. De havenmeester is hierover gehoord door de politie en heeft bevestigd dat een gesprek over de boot heeft plaatsgevonden. Daarbij zouden, volgens de havenmeester, verdachte en medeverdachte de naam van aangever hebben genoemd en de havenmeester dacht dat zij de boot in opdracht van aangever kwamen ophalen.
Verdachte heeft stellig ontkend dat hij de naam van aangever wist, laat staan dat hij deze heeft genoemd.
Verder heeft de havenmeester over de boot verklaard dat er al jaren niet meer met de boot werd gevaren, dat hij de ligplaats sinds december 2023 had opgezegd, dat aangever zijn boot toen al had moeten weghalen maar dit niet heeft gedaan en dat hij de boot naar een andere locatie had verplaatst wegens onderhoud aan de steigers. Daarnaast verklaart de havenmeester dat het een erg oude boot betrof met niet veel waarde en dat het mogelijk nog meer kost om van de boot af te komen. De gang van zaken rond het gebruik, de afspraken omtrent de ligplaats en de waarde van de boot is door aangever (die ter zitting in hoger beroep als benadeelde partij het woord heeft gevoerd) met klem tegengesproken.
Het hof constateert dat verdachte en de havenmeester ieder een verschillende lezing hebben over de precieze inhoud van het gesprek dat zij hebben gevoerd. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij naar aanleiding van dat gesprek in de (gerechtvaardigde) veronderstelling verkeerde dat hij de boot mee mocht nemen, niet onaannemelijk in het licht van voornoemde verklaringen en de omstandigheid dat verdachte uit eigen beweging eind juli 2024 over de boot aan een politieagent heeft verteld en met trots vertelde dat hij deze had geverfd toen de agent de boot inspecteerde. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat de verklaring van de havenmeester niet alleen door verdachte, maar op andere onderdelen ook door aangever wordt weersproken. Alles overziend komt het hof tot de conclusie dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had op het moment dat hij de boot wegnam. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Onder 1 subsidiair wordt verdachte verweten dat hij de boot heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Het hof stelt vast dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor het vernielen, beschadigen en/of onbruikbaar maken van de boot. Wat betreft het wegmaken van de boot, stelt het hof vast dat verdachte de boot op enig moment heeft verplaatst nadat hij deze aan een politieagent had getoond. Dat verdachte dit wederrechtelijk heeft gedaan en met het opzet om de boot weg te maken, kan uit het dossier echter niet worden afgeleid. Het hof zal verdachte daarom ook van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.
feit 2
Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een elektrische Gazelle fiets. Uit het dossier blijkt dat de politie oeen controle heeft uitgevoerd naar het framenummer van de betreffende fiets en dat deze als gestolen geregistreerd bleek te staan. De politie heeft contact gehad met de wettelijke erfgename van het echtpaar van wie de fiets is gestolen. Zij zouden destijds
€ 200,00 van de verzekering voor de (diefstal van de) fiets hebben ontvangen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de fiets 2 of 3 jaar eerder op straat heeft gekocht voor 75 euro, dat hij niet wist dat deze gestolen was en dat hij de fiets aan zijn dochter heeft gegeven. Zijn dochter heeft dit bevestigd en heeft verklaard dat er toen ook sleutels van het hoefijzerslot en de batterij bij de fiets zaten. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte zijn eerdere verklaring aangevuld, in die zin dat hij de fiets op Koningsdag op straat op een markt heeft gekocht. Het ging om één van de oudste modellen van elektrische fietsen en de fiets verkeerde bovendien niet in goede staat, aldus verdachte.
Het dossier bevat buiten de verklaring van verdachte geen andere gegevens over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte de fiets heeft gekregen, in welke staat de fiets toen verkeerde en of de door verdachte gestelde prijs in het licht daarvan wel of niet redelijk was. Naar het oordeel van het hof kan daarom op grond van het dossier niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de fiets van misdrijf afkomstig was. Het hof zal verdachte daarom eveneens van het onder 2 tenlastegelegde vrijspreken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.750,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 mei 2026.