Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2973

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.353.603/01 en 200.353.605 en 200.357.372
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 827 RvArt. 1:253a BWArt. 7:266 BWArt. 1:392 BWArt. 1:404 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding

De zaak betreft een hoger beroep over diverse gezags- en zorgregelingen na de echtscheiding van de ouders van twee minderjarige kinderen. De vader verzocht onder meer om vervangende toestemming voor verhuizing naar een andere plaats, wijziging van de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, vakanties en kinderalimentatie. De moeder voerde verweer en stelde onder meer dat de vader niet-ontvankelijk verklaard moest worden in zijn incidenteel hoger beroep.

Het hof oordeelt dat de verhuizing naar de door de vader gewenste plaats niet in het belang van de kinderen is, mede vanwege het risico op contactverlies met de moeder en de afstand van meer dan 100 kilometer. De hoofdverblijfplaats wordt bij beide ouders vastgesteld om gelijkwaardig ouderschap te waarborgen. De zorgregeling blijft zoals vastgesteld door de rechtbank, met een maximale afstand van tien kilometer tussen de woningen bij co-ouderschap, gezien de praktische reisomstandigheden.

De vakantieregeling wordt aangepast en verduidelijkt, waarbij vakanties en feestdagen worden verdeeld volgens een schema dat rekening houdt met de wensen van de ouders en het belang van de kinderen. De vader moet de moeder informeren bij ziekte van de kinderen. De kinderalimentatie wordt herzien op basis van draagkrachtberekeningen, waarbij rekening wordt gehouden met een dienstverband van 0,8 fte voor beide ouders vanaf 1 september 2026. De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel hoger beroep. De overige verzoeken van de vader worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de hoofdverblijfplaats naar beide ouders, bevestigt de zorgregeling bij tien kilometer afstand, past de vakantieregeling aan en herzien de kinderalimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.353.603/01 en 200.353.605 en 200.357.372
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 565348 en 589606)
beschikking van 12 mei 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.G. Kalk,
en
[verweerster] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling,
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Het hof verwijst in zaaknummers 200.353.603 en 200.353.605 voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2025, uitgesproken onder zaaknummer 565348 (hierna ook: de echtscheidingsbeschikking).
1.2
Het hof verwijst in zaaknummer 200.357.372 voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 mei 2025, uitgesproken onder zaaknummer 589606 (hierna ook: de beschikking van 9 mei 2025).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
in zaaknummers 200.353.603 en 200.353.605
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 april 2025;
- het verweerschrift tevens een incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- het raadsrapport van 5 januari 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 12 februari 2026 met één productie;
- een journaalbericht namens de vader van 18 februari 2026 met één productie;
- het herziene raadsrapport van 4 februari 2026;
- een journaalbericht van de moeder van 3 maart 2026 met één productie;
- een journaalbericht van de vader van 3 maart 2026 met één productie en
in zaaknummer 200.357.372
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 juli 2025 en
- het verweerschrift.
2.2
Op 9 maart 2026 hebben een raadsheer en een griffier van het hof met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gesproken. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben verteld wat zij vinden van de verzoeken.
2.3
Vanwege de samenhang tussen de zaken heeft het hof beslist om deze gezamenlijk te behandelen. De mondelinge behandeling heeft op 10 maart 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. Kalk;
- de moeder, bijgestaan door mr. Ouwejan;
- een vertegenwoordiger van de GI en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna ook: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn [in] 2019 met elkaar getrouwd in [plaats1] . Zij zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2014 in [plaats1] en
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 in [plaats1] .
3.2
Zowel de vader als de moeder hebben de rechtbank verzocht om de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Daarnaast hebben zij verzoeken gedaan over onder meer de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderalimentatie en het huurrecht.
3.3
In de tussenbeschikking van 9 december 2024 heeft de rechtbank een beslissing genomen over de zorgverdeling tijdens de kerstvakantie 2024/2025. De rechtbank heeft de beslissing op de overige verzoeken aangehouden.
3.4
In de echtscheidingsbeschikking van 21 januari 2025 heeft de rechtbank als volgt beslist:
“(…)
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd [in] 2019 in [plaats1] ;
4.2.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder;
4.3.
bepaalt dat de moeder met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurster is van de woning aan [adres] in [plaats1] ;
4.4.
stelt de volgende zorgregeling vast:
  • in het geval dat de vader binnen een straal van 10 kilometer van de woning van de moeder in [plaats1] gaat wonen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder (co-ouderschap);
  • in het geval dat de vader op een grotere afstand dan 10 kilometer van de woning van de moeder in [plaats1] gaat wonen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de vader, tenzij de kinderen op vrijdag vrij zijn, in welk geval ze vanaf donderdag uit school bij de vader zijn;
4.5.
stelt de volgende vakantieregeling vast:
  • in het geval dat er sprake is van co-ouderschap verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder en de andere helft bij de vader, in onderling overleg te bepalen;
  • in het geval dat er geen co-ouderschap is, verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :
o
in de zomervakantie: in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de tweede drie weken bij de moeder, en in de even jaren andersom, waarbij de wissel plaatsvindt op zaterdag om 17.00 uur;
o
in de meivakantie: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
o
in de voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;
o
in de herfstvakantie: bij de vader;
o
in de kerstvakantie: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
o
tijdens Pasen: in de oneven jaren bij de moeder, en in de even jaren bij de vader vanaf donderdag uit school tot maandag 19.00 uur;
o
op Hemelvaartsdag: in de oneven jaren bij de moeder, en in de even jaren bij de vader van de woensdag ervoor uit school tot 19.00 uur op Hemelvaartsdag;
o
tijdens Pinksteren: in de even jaren bij de moeder, en in de oneven jaren bij de vader vanaf donderdag uit school tot maandag 19.00 uur;
o
waarbij de vakanties aanvangen op vrijdag uit school en eindigen op zondag om 19.00 uur, en waarbij de regeling voor de meivakantie voorgaat op de regeling voor de feestdagen;
4.6.
verleent de moeder vervangende toestemming voor het verkrijgen van hulpverlening
voor de kinderen van een onafhankelijke derde, waarbij het advies van het CJG leidend zal
zijn;
4.7.
bepaalt dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking
in de registers van de burgerlijke stand:
  • in het geval dat er sprake is van co-ouderschap: een bedrag van € 627,- per maand moet betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
  • in het geval dat er geen sprake is van co-ouderschap: een bedrag van € 710,- per maand moet betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
4.8.
bepaalt dat de vader deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.9.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de
echtscheiding betreft;
4.10.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
(…)”
3.5
Op 12 mei 2025 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarmee het huwelijk van de ouders is ontbonden.
3.6
De ouders werden het onder meer niet eens over de vakantieregeling gedurende het co-ouderschap (verdeling bij helfte in onderling overleg te bepalen). Daarom hebben zij allebei verzoeken ingediend bij de rechtbank. In de beschikking van 9 mei 2025 heeft de rechtbank hierop als volgt beslist:
“(…)
4.1.
bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op de avond voor een schooldag om 19.30 uur bij de moeder in [plaats1] moeten zijn, of in de woning van de vader als die binnen een straal van 10 kilometer van de woning van de moeder in [plaats1] staat;
4.2.
stelt in het geval er sprake is van een co-ouderschapsregeling een vakantieregeling vast waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :
  • de zomervakantie: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren verblijven zij de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. Het wisselmoment vindt plaats op de zondag in de derde week om 17.00 uur;
  • de herfstvakantie: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven bij de vader;
  • de kerstvakantie: in de oneven jaren verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In de even jaren verblijven zij de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. De wissel vindt plaats op zaterdag om 17.00 uur in [plaats1] ;
  • de voorjaarsvakantie: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven bij de moeder;
  • de meivakantie: in de oneven jaren verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In de even jaren verblijven zij de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
  • Pasen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de oneven jaren bij de vader en in even jaren bij de moeder;
  • Hemelvaart: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
  • Pinksteren: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader. In 2025 verblijven zij tijdens de studiedagen na Pinksteren tot de eerstvolgende schooldag in de week van de vader bij de moeder;
  • de vakantieregeling prevaleert boven de regeling voor de feestdagen;
  • de vakanties vangen aan op vrijdag uit school en eindigen op dinsdagochtend naar school;
  • in het geval er een studiedag is op de vrijdag voor de vakantie, vindt de wisseling plaats op de vrijdagochtend om 10.00 uur in [plaats1] ;
  • als er een studiedag is op de dinsdag na de vakantie, vindt de wissel plaats op dinsdagochtend om 10.00 uur in [plaats1] ;
4.3.
bepaalt dat de vader de moeder op de hoogte stelt van ziekte van [de minderjarige1] en/of [de minderjarige2] ;
4.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
(…)”
3.7
Op 10 februari 2026 heeft de rechtbank [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI.

4.Omvang van het geschil

200.353.603/01 en /02, 200.353.604 en 200.353.605
4.1
De vader is in hoger beroep gekomen van de echtscheidingsbeschikking. Ook heeft de vader een schorsingsverzoek ingediend. Hij verzoekt het hof de echtscheidingsbeschikking deels te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:
I. de kinderen hun hoofdverblijf krijgen bij de vader;
II. aan de vader, met ingang van afgifte van de beschikking in hoger beroep, vervangende
toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats2] , danwel tegen
een datum die het hof bepaalt;
III. aan de vader bij een verhuizing naar [plaats2] met de kinderen vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te laten inschrijven op de [basisschool] , alsmede hen in te laten schrijven bij een huisarts- en tandartsenpraktijk in [plaats2] ;
IV. wanneer aan de vader vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen te verhuizen naar [plaats2] een zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de
kinderen en de moeder, inhoudende:
dat de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag na school tot en met zondagavond (dan wel maandagochtend) bij de moeder zijn en dat wanneer de kinderen voorafgaand of aansluitend aan een omgangsweekend een vrije dag hebben het omgangsweekend hiermee wordt verlengd;
ten aanzien van de vakantieverdeling:
  • de kinderen de volledige
  • zomervakantie: eerste drie weken bij de moeder (even jaar), laatste drie weken bij de vader (even jaar), eerste drie weken bij de vader (oneven jaar), laatste drie weken bij de moeder (oneven jaar), met de wissel op de zondag om 17.00 uur op het station [plaats3] of op een nader afgesproken plek;
  • voorjaarsvakantie: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;
  • meivakantie: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader;
  • herfstvakantie: altijd bij de vader;
  • waarbij alle vakanties aanvangen op de laatste schooldag uit school en eindigen op de dag voor de school aanvangt, waarbij de moeder kan aangeven hoe laat de wissel dient te zijn;
ten aanzien van de verdeling van de feestdagen:
  • Pasen: vanaf donderdagmiddag uit school indien de kinderen op Goede Vrijdag vrij zijn, tot en met paasmaandag elk jaar bij de moeder;
  • Hemelvaart: woensdagmiddag uit school tot en met zondag, elk jaar
    bij de vader(begrijpt het hof);
  • Pinksteren: oneven jaar bij de vader, even jaar bij de moeder;
  • waarbij de meivakantie prevaleert boven de feestdagenregeling;
de kinderen wekelijks een vast Facetime-contact hebben met de moeder en dat wanneer de kinderen met de moeder willen bellen de vader dit zal faciliteren;
het halen en brengen als volgt wordt verdeeld, waarbij de vader de reiskosten van de kinderen op zich neemt, de vader de kinderen van [plaats2] met de trein naar [plaats3] brengt, waar de moeder de kinderen ophaalt op een door haar gewenst tijdstip en de moeder de kinderen terugbrengt naar [plaats3] waar de vader de kinderen dan ophaalt;
V. indien aan de vader geen vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen te verhuizen naar [plaats2] het huurrecht van de woning gelegen aan [adres] in [plaats1] aan de vader toe te kennen, waarbij zolang de moeder nog geen andere woonruimte heeft om met de kinderen te verblijven, er sprake zal zijn van een birdnestingregeling waarbij ieder van partijen de helft van de huur alsmede de overige vaste lasten van de woning voldoet;
VI. te bepalen dat wanneer aan de vader het huurrecht van de woning gelegen aan [adres] in [plaats1] wordt toegewezen of wanneer de vader woonruimte vindt binnen een straal van 20 km vanaf de woning gelegen aan [adres] in [plaats1] een zorgregeling vast te stellen inhoudende:
primair: een zorgregeling tussen de kinderen en de moeder van eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot en met woensdagochtend voor school;
subsidiair: een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen twee aaneengesloten weken bij de man verblijven en twee aaneengesloten weken bij de moeder, waarbij de wissel op dinsdag zal zijn;
meer subsidiair: een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen een week bij de vader verblijven en een week bij de moeder, waarbij de wissel op dinsdag zal zijn;
en te bepalen dat de vakanties en de feestdagen als volgt worden verdeeld:
zomervakantie: in de
even jarende eerste drie weken vanaf de laatste schooldag na schooltijd bij de moeder en de laatste drie weken tot dinsdagochtend weer naar school bij de vader en in de
oneven jarende eerste drie weken zomervakantie vanaf de laatste schooldag na schooltijd bij de vader en de laatste drie weken tot dinsdagochtend weer naar school bij de moeder. Met een wissel na drie weken op zondag om 17.00 uur in [plaats1] (of in gezamenlijk overleg op een andere plek);
herfstvakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen in de even en oneven jaren vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden, maar tot de dinsdagochtend als er maandag wel school is, bij de vader;
kerstvakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen in de
even jarenbij de moeder vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden, maar tot de dinsdagochtend als er maandag wel school is en in de
oneven jarenbij de vader onder gelijke condities als bij de moeder;
voorjaarsvakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen in de even en oneven jaren vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden, maar tot de dinsdagochtend als er maandag wel school is, bij de moeder;
meivakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen in de even jaren wordt geheel bij de moeder doorgebracht vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden, maar tot de dinsdagochtend als er maandag wel school is. De meivakantie en eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen in de oneven jaren wordt geheel bij de vader doorgebracht onder gelijke condities als bij de moeder;
Pasen: vanaf donderdagmiddag na schooltijd tot dinsdagochtend weer naar school in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
Hemelvaart: vanaf woensdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend weer naar school in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;
Pinksteren: vanaf donderdagmiddag na schooltijd tot dinsdagochtend weer naar school in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
waarbij de vakantieregeling prevaleert boven de feestdagenregeling;
VII. te bepalen dat wanneer de kinderen hun hoofdverblijf niet bij de vader krijgen en de vader op een grotere afstand dan 20 km komt te wonen de volgende zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen gaat gelden:
de kinderen eens in de twee weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot en met zondagavond bij de vader verblijven, waarbij de vader de mogelijkheid heeft de kinderen op maandagochtend voor schooltijd naar school te brengen in [plaats1] , hetgeen hij dan tijdig vooraf communiceert met de moeder;
wanneer de kinderen een vrije dag of dagen hebben voorafgaand en/of aansluitend aan het omgangsweekend van de vader, dan verblijven zij vanaf de laatste schooldag vanuit school tot de avond van de dag waarop zij weer naar school gaan bij de vader, waarbij de vader de mogelijkheid heeft de kinderen op de schooldag naar school te brengen, hetgeen hij dan tijdig vooraf communiceert met de moeder;
waarbij het halen en brengen van de kinderen als volgt wordt verdeeld: de moeder brengt de kinderen naar het station in [plaats4] waar de vader de kinderen ophaalt, wanneer de kinderen teruggaan naar de moeder brengt vader de kinderen naar het station in [plaats4] (18.55) waar de moeder de kinderen ophaalt;
en de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:
zomervakantie: in de
evenjaren de eerste drie weken vanaf de laatste schooldag na schooltijd bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. In de
onevenjaren de eerste drie weken zomervakantie vanaf de laatste schooldag na schooltijd bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. Met een wissel na drie weken op zondag om 17.00 uur in [plaats1] (of in gezamenlijk overleg op een andere plek);
herfstvakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen: vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden
altijdbij vader;
kerstvakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen: in de
even jarengeheel bij de moeder vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden en in de oneven jaren bij de vader onder gelijke condities als bij de moeder;
voorjaarsvakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen in de
even jarenvanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden bij de moeder en in de
oneven jarenbij de vader onder gelijke condities als bij de moeder;
meivakantieen eventuele aaneengesloten vrije (studie)dagen: vanaf de laatste schooldag na schooltijd tot de eerstvolgende schooldag waarop de kinderen in de ochtend weer naar school gebracht worden
altijdbij de vader;
Pasen: vanaf donderdagmiddag na schooltijd altijd bij de vader tot en met paasmaandag;
Hemelvaart: vanaf woensdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend weer naar school
altijdbij de vader;
Pinksteren: vanaf donderdagmiddag na schooltijd tot dinsdagochtend weer naar school in de
even jarenbij de moeder en in de
oneven jarenbij de vader;
waarbij de vakantieregeling prevaleert boven de feestdagenregeling;
VIII. te bepalen dat er een bijzondere curator wordt benoemd;
IX. te bepalen dat de behoefte per kind een bedrag van € 400,- per maand bedraagt;
X. te bepalen dat in een co-ouderschapssituatie de vader inzake de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 112,- per kind per maand dient te voldoen;
XI. te bepalen dat indien er geen co-ouderschapssituatie is en de vader een beperkte zorgregeling met de kinderen heeft de vader een bedrag van € 210,- per kind per maand dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding;
XII. te bepalen dat wanneer de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader krijgen én een ruime zorgregeling met de moeder, de moeder kan bijdragen met een bedrag van € 28,- per kind per maand en bij een zorgregeling van een weekend per 14 dagen van € 50,- per kind per maand.
4.2
De moeder voert verweer en komt op haar beurt in incidenteel hoger beroep. Zij vraagt het hof in het principaal hoger beroep om de verzoeken van de vader af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep om de beschikking ten aanzien van de zorgregeling te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat:
  • de kinderen eens per twee weken van vrijdag na school tot zondagavond 19.30 uur bij de vader zullen verblijven;
  • een vakantieregeling van toepassing zal zijn als door de rechtbank d.d. 21 januari 2025 is beslist ten aanzien van de situatie dat er geen sprake is van co-ouderschap;
  • althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.
200.357.372
4.5
De vader is ook in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 mei 2025 en verzoekt deze beschikking te vernietigen en de verzoeken van hem die I tot en met IV zijn genummerd, toe te wijzen. Om verwarring met de verzoeken van de vader in de zaken onder 200.353.603 en 200.353.605 te voorkomen, vernummert het hof de verzoeken onder 200.357.372 in A tot en met D (in plaats van I tot en met IV). De vader verzoekt het hof onder A. een vakantie- en feestdagenregeling op te nemen, zoals hij ook in verzoek VI (200.353.603) heeft gedaan. Daarnaast verzoekt de vader om te bepalen dat:
B. aan de vader vervangende toestemming wordt verleend voor de duur van 24 maanden om gedurende de vakanties dat de kinderen bij de vader verblijven met hen op vakantie te gaan naar de Alpenlanden of Scandinavië, waarbij de vader de moeder uiterlijk vier weken van tevoren zal informeren waar (land, regio) hij wanneer met de kinderen verblijft;
C. wanneer de vader voor het werk naar het buitenland moet en deze week samenvalt met een week waarin de kinderen bij de vader zijn, deze week verschoven wordt, in die zin dat deze week wordt omgewisseld met de week erna (waarin de kinderen bij de moeder zouden zijn), zodat er een blok van vier weken ontstaat waarin de kinderen eerst twee weken bij moeder zijn en daarna twee weken bij vader, waarna het vaste weekritme weer hersteld is, waarbij de vader deze mogelijkheid maximaal twee keer per jaar heeft;
D. het hof het hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking tegelijk behandeld met het hoger beroep tegen de beschikking van 9 mei 2025.
Ook heeft de vader een grief gericht tegen de informatieregeling die de rechtbank onder 4.3 van haar beslissing heeft opgenomen. Hoewel de vader hieraan geen verzoek in hoger beroep heeft verbonden, zal het hof deze grief wel beoordelen.
4.6
De moeder voert verweer en zij vraagt het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze af te wijzen.
Beslispunten in hoger beroep
4.7
Op 2 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Bij deze mondelinge behandeling zijn het schorsingsverzoek van de vader (200.353.603/02) en het verzoek van de vader (onder VIII) om een bijzondere curator te benoemen (200.353.604) behandeld. Het hof heeft op 17 juni 2025 een beschikking gegeven. Hierin heeft het hof beide verzoeken afgewezen. Het hof heeft in diezelfde beschikking de raad verzocht om het lopende beschermingsonderzoek uit te breiden met een onderzoek naar onder meer de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de door de vader verzochte verhuizing (200.353.603/01).
4.8
De moeder heeft op 12 februari 2026 haar incidenteel hoger beroep ingetrokken. Het hof zal de moeder daarvoor niet-ontvankelijk verklaren.
4.9
Aan het hof liggen nog de volgende verzoeken voor:
- de vervangende toestemming verhuizing, inschrijving school, huis- en tandarts;
- de hoofdverblijfplaats;
- het huurrecht;
- de zorgregeling;
- de vakantie- en feestdagenregeling;
- de vervangende toestemming voor vakanties;
- de informatieregeling en
- de kinderalimentatie.

5.De motivering van de beslissing

Gezagsbeslissingen
Wat staat in de wet?
5.1
De rechter kan bij een echtscheidingsbeschikking ook een beslissing nemen over het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgverdeling, de informatie en raadpleging over de kinderen en de kinderalimentatie. [1] Geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. [2] De rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing nemen over de uitoefening van het ouderlijk gezag, zoals bijvoorbeeld bij een voorgenomen verhuizing van een ouder met de kinderen en een daarbij passende zorgregeling. [3]
Vervangende toestemming verhuizing
5.2
De vader stelt dat het in het belang van de kinderen is dat zij met hem naar [plaats2] verhuizen. De ouders hadden altijd het plan maar tijdelijk in [plaats1] te blijven om daarna met de kinderen naar de [streek] te verhuizen. De kinderen voelen zich meer dan vertrouwd in [plaats2] . Zij hebben daar veel tijd doorgebracht en doen dat nog steeds. Ook de kinderen hebben de wens om in [plaats2] te wonen en zij volharden daarin. Het oordeel van de rechtbank dat het risico op contactverlies met de moeder groot is als de kinderen naar [plaats2] verhuizen, is onjuist. De kinderen zullen juist rust krijgen in [plaats2] en kunnen vanuit die rust werken aan het herstel en het bestendigen van hun relatie met de moeder, aldus de vader. Doordat de ouders altijd al van plan waren om met de kinderen naar de [streek] te verhuizen en de kinderen onrust ervaren in [plaats1] , is er een noodzaak tot verhuizing, aldus de vader.
5.3
Het hof is van oordeel dat de verhuizing naar [plaats2] niet in het belang van de kinderen is en dat hiervoor geen noodzaak is. Het hof legt dat hierna uit.
In het gesprek dat de raadsheer met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] heeft gevoerd, hebben zij – los van
elkaar – duidelijk verteld dat zij met de vader in [plaats2] willen wonen. Hoewel de kinderen in hun wens volharden, is het hof van oordeel dat de verhuizing naar [plaats2] voor de kinderen niet het beste is. In het rapport van de raad staat dat de kinderen onvoldoende kunnen overzien wat de verhuizing zal betekenen voor hun ontwikkeling en hun contact met de moeder. Het hof volgt de raad hierin. Het hof vindt het voor de ontwikkeling van de identiteit van de kinderen belangrijk dat zij zowel met de vader als met de moeder goed contact hebben. Op dit moment is het contact met de moeder niet goed. De kinderen zijn zeer afwijzend richting de moeder: de kinderen kunnen aan anderen bijna niets positiefs over de moeder vertellen en zij laten hun afwijzing merken door bijvoorbeeld naar de moeder te schreeuwen dat zij de moeder niet vertrouwen of dat zij hun leven verpest. Over de vader zijn de kinderen alleen maar positief. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de raad uitgelegd dat mensen in het algemeen nooit alleen maar positief of alleen maar negatief zijn over hun ouders. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kunnen echter geen nuances meer maken. Dat gaat ten koste van hun eigen ontwikkeling. Om weer een goede balans te kunnen vinden, is het belangrijk dat de kinderen regelmatig bij beide ouders kunnen zijn, aldus de raad.
Als de kinderen met de vader in [plaats2] gaan wonen, is de fysieke afstand tussen de moeder en de kinderen groot. Dat beperkt de mogelijkheden om regelmatig en laagdrempelig bij zowel de vader als de moeder te zijn. Met de afstand tussen [plaats1] en [plaats2] van meer dan 100 kilometer is het bijvoorbeeld niet mogelijk dat de kinderen na school even bij de moeder gaan eten en is het voor de moeder ingewikkeld om een middag naar een (muziek)uitvoering te komen. Met de raad verwacht het hof dat een verhuizing naar [plaats2] het verbeteren van (de kwaliteit van) het contact tussen de moeder en de kinderen verder zal bemoeilijken. De raad heeft in het raadsrapport benoemd dat hierbij zelfs een risico op een volledige contactbreuk met de moeder bestaat. Het hof deelt deze zorg van de raad. De verwachting van de vader dat vanuit de rust in [plaats2] weer ruimte zal ontstaan voor meer en beter contact met de moeder, volgt het hof niet. Het hof is van oordeel dat de verhuizing naar [plaats2] juist belemmerend zal werken in de verbetering van het contact tussen de moeder en de kinderen en daarmee van invloed zal zijn op de invulling van het ouderschap van de moeder. Daarbij weegt het hof ook mee dat hulp nodig is om het contact tussen de moeder en de kinderen te verbeteren en dat een verhuizing naar [plaats2] de inzet van hulp en de (praktische) uitvoerbaarheid van hulp kan bemoeilijken, los van de vraag of er (systeem)hulp geboden moet worden waarbij de kinderen en beide ouders zijn betrokken, zoals de raad adviseert, of dat uitsluitend hulp nodig is tussen de moeder en de kinderen, zoals de vader meent. Het hof weegt nog het volgende mee. Het uitgangspunt is dat, ook na de breuk, de ouders uitvoering geven aan hun rol als verzorgers en opvoeders op basis van gelijkwaardig ouderschap. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben daar recht op. Zoals de raad op de zitting noemde: beide ouders hebben de dochters veel te bieden. Als het hof nu de toestemming zou verlenen aan de vader om naar [plaats2] te verhuizen, bestaat het risico dat gelijkwaardig ouderschap niet meer zal worden nagestreefd of kan worden bereikt vanwege de grote geografische afstand. Die afstand maakt dat de zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen ongelijk zullen worden verdeeld tussen de ouders. Het hof zal daarom het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats2] te verhuizen (onder II), afwijzen. Deze beslissing is ook in overeenstemming met het advies van de GI op de mondelinge behandeling. De GI heeft benadrukt dat de kinderen klem zitten (in een loyaliteitsconflict) en dat het in deze complexe scheidingsprocedure vooral belangrijk is dat het hof een duidelijke beslissing neemt.
5.4
De vader heeft onder III en IV voorwaardelijke verzoeken gedaan, namelijk in het geval dat het hof vervangende toestemming aan hem zou verlenen voor de verhuizing naar [plaats2] . Omdat het hof geen vervangende toestemming aan de vader verleent, komt het hof niet toe aan de beoordeling van deze verzoeken.
Hoofdverblijfplaats
5.5
De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem wordt bepaald. De kinderen ervaren onrust bij de moeder en zij voelen zich door de moeder onvoldoende gehoord. De vader was altijd het meest beschikbaar voor de kinderen en heeft altijd een grote rol gehad in de opvoeding en verzorging van de kinderen. Daarom is het onbegrijpelijk dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft bepaald, aldus de vader.
5.6
Het hof overweegt als volgt. De raad heeft het hof in overweging gegeven om – in het geval dat de co-ouderschapsregeling in stand blijft – geen hoofdverblijfplaats toe te wijzen of om te bepalen dat een kind haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader en een kind bij de moeder. Het hof zal dit advies niet overnemen. Het hof is van oordeel dat het – vanwege het loyaliteitsconflict van de kinderen – niet in hun belang is als de één bij de moeder en de ander bij de vader haar hoofdverblijfplaats heeft. Dit zou – onbewust – een gevoel van ongelijkheid tussen de kinderen kunnen veroorzaken. In dit geval vindt het hof het ook niet in het belang van de kinderen om geen hoofdverblijfplaats toe te wijzen. Zoals hierna zal worden besproken, zal het hof een zorgregeling bepalen waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in gelijke mate bij de vader als bij de moeder verblijven. Om tot uitdrukking te brengen dat de vader een even grote rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft als de moeder, zal het hof de hoofdverblijfplaats bij de beide ouders bepalen. Ten overvloede merkt het hof daarbij op dat het voor deze beslissing niet relevant is op welk adres de kinderen nu staan ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en dat deze beslissing ook niet meebrengt dat hierin een wijziging zou moeten komen.
Het huurrecht van de woning
5.7
Omdat de vader de beslissing over het huurrecht van de woning aan [adres] in [plaats1] (hierna ook: de huurwoning) in zijn verzoeken verbindt aan de invulling van de zorgregeling zal het hof eerst over het huurrecht oordelen.
5.8
De rechter kan in geval van een echtscheiding op verzoek van de echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. [4]
5.9
De vader stelt dat zijn belang bij het verkrijgen van het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de moeder. De vader voert hiervoor aan dat hij niet in aanmerking voor komt een (andere) sociale huurwoning, omdat hij een te hoog inkomen heeft. De moeder daarentegen wel. Mogelijk kan de moeder ook urgentie krijgen. Daarbij heeft de moeder een langere inschrijvingsduur bij Woningnet dan de vader. Het is daarom voor de moeder eenvoudiger om andere woonruimte te krijgen in [plaats1] dan voor de vader. De moeder heeft gemotiveerd weersproken dat zij een urgentieverklaring kan krijgen.
5.1
Het hof overweegt als volgt. Het inkomen van de vader is hoger dan dat van de moeder. Daarbij heeft de moeder gesteld – en dat is door de vader niet betwist – dat de vader over een behoorlijk vermogen beschikt. Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat de vader financieel meer mogelijkheden heeft om andere woonruimte te huren of te kopen. Het hof is daarom van oordeel dat het belang van de moeder bij het huurrecht van de huurwoning zwaarder weegt. Het hof zal het verzoek van de vader om te bepalen dat hij huurder wordt van de huurwoning (onder V) afwijzen.
5.11
De grief van de vader over ‘birdnesting’ behoeft geen beoordeling, omdat de vader voorwaardelijk heeft verzocht hierover te oordelen, namelijk voor het geval het huurrecht aan de vader zou worden toegekend.
Zorgregeling
5.12
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat uitsluitend in het geval dat de vader binnen een straal van tien kilometer van de huurwoning gaat wonen een co-ouderschapsregeling geldt. De vader stelt dat, gezien de gespannen woningmarkt, hij de mogelijkheid moet krijgen binnen een straal van twintig kilometer te mogen zoeken naar woonruimte. Ook voert de vader aan dat bij de vaststelling van de zorgregeling rekening moet worden gehouden met de wens van de kinderen om meer dan de helft van de tijd bij de vader te verblijven.
5.13
Het hof is van oordeel dat de zorgregeling zoals de rechtbank die heeft vastgesteld in de situatie dat de vader in de buurt woont, in stand moet blijven. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is het voor de ontwikkeling van de kinderen belangrijk dat zij regelmatig bij beide ouders kunnen zijn. De raad heeft op de mondelinge behandeling aan het hof geadviseerd dat zij bij beide ouders veel tijd moeten kunnen doorbrengen, omdat ieder van hen veel te bieden heeft aan de kinderen. Net als de raad vindt het hof dat de huidige zorgregeling, waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader zijn, het meest in hun belang is. Deze regeling loopt al een geruime tijd en geeft de kinderen daardoor stabiliteit en voorspelbaarheid. Het hof vindt dat belangrijk, omdat de kinderen sinds de echtscheiding veel onrust en spanningen hebben meegekregen. De (subsidiaire) regeling waarbij de kinderen twee weken aaneengesloten bij de vader en daarna bij de moeder verblijven, vindt het hof in dit geval niet passend. Zoals de raad op de mondelinge behandeling aan het hof uitlegde, is het onduidelijk wat het met de kinderen zal doen als zij zowel de moeder als de vader twee weken niet zien, waarbij het hof de kwetsbaarheid van de relatie tussen de moeder en de kinderen op dit moment, meeweegt. Dat deze regeling de vader in de gelegenheid stelt om makkelijker (en vaker) met de kinderen op vakantie (naar het buitenland) te gaan, zoals hij stelt, vindt het hof van minder belang.
Het hof is van oordeel dat in de huidige omstandigheden, waarbij de vader met de kinderen alleen met het openbaar vervoer en de fiets reist, de maximale afstand tussen de woningen van de ouders in geval van co-ouderschap tien kilometer moet zijn. Het hof vindt het voor de kinderen belangrijk dat zij niet te lang onderweg zijn als zij van de ene ouder naar de andere ouder reizen en dat hun sociale activiteiten (sport, muziek, vrienden) vanuit beide ouders goed bereikbaar zijn. Het hof zal de verzoeken van de vader onder VI voor zover het de zorgregeling betreft, afwijzen.
5.14
De vader heeft onder VII verzocht om een zorgregeling vast te stellen, in het geval dat het hoofdverblijf niet bij hem wordt bepaald en hij op een grotere afstand dan twintig kilometer komt te wonen. De vader heeft op de mondelinge behandeling aan het hof verteld hij sinds september 2025 in [plaats5] woont, op vier kilometer afstand van de huurwoning van de moeder en dat hij daar met de kinderen kan verblijven. Hoewel de vader niet weet hoelang hij daar kan blijven, is er naar het oordeel van het hof op dit moment een redelijk bestendige woonsituatie. De co-ouderschapsregeling die het hof voor de kinderen belangrijk vindt, kan dus worden uitgevoerd. Het hof vindt het niet wenselijk om een beslissing te nemen voor een mogelijk toekomstscenario waarvan onbekend is of dit zich zal voordoen en zo ja, wanneer. In de tussentijd kunnen namelijk omstandigheden die van belang zijn voor de zorgregeling, zoals de verhouding tussen de ouders en de leeftijd van de kinderen, wijzigen. Op het moment dat zich wel een wijziging voordoet in de woonsituatie van de vader die mogelijk van invloed is op de (uitvoering van de) zorgregeling, kan de vader op dat moment met de moeder hierover in overleg gaan of – als dat nodig is – een verzoek hierover aan de rechter voorleggen. Het hof zal het verzoek onder VII afwijzen.
5.15
De vader is het niet eens met het onderdeel van de beschikking van de rechtbank van 9 mei 2025 waarin zijn verzoek is afgewezen om de zorgregeling tijdelijk te wijzigen als de vader voor zijn werk in het buitenland is. Net als de rechtbank vindt het hof het belangrijk dat de zorgregeling zo duidelijk en voorspelbaar mogelijk is. Hierin past naar het oordeel van het hof niet een vastlegging van een tijdelijke wijziging op een nog onbepaald moment, zoals de vader die verzoekt. Daarbij weegt het hof mee dat de vader één tot twee keer per jaar gedurende een werkweek voor zijn werk naar het buitenland moet, zodat de invloed hiervan voor de uitvoering van de totale zorgregeling beperkt is. Het hof is van oordeel dat als de vader in het buitenland is gedurende de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen hij zelf opvang moet regelen. Hij zou de moeder kunnen vragen of de kinderen een aantal dagen langer bij haar kunnen zijn of – zoals de vader op de mondelinge behandeling vertelde – zijn ouders kunnen vragen om bij de kinderen te zijn. Het hof zal het verzoek onder III afwijzen.
5.16
De vader is het niet eens met het onderdeel van de beschikking van de rechtbank van 9 mei 2025 waarin de rechtbank heeft bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op de avond voor een schooldag om 19.30 uur bij de moeder in [plaats1] moeten zijn, of in de woning van de vader als die binnen een straal van tien kilometer van de woning van de moeder in [plaats1] staat. De vader stelt dat de vader en de kinderen hierdoor in hun bewegingsruimte worden beperkt – en dit niet voor de moeder geldt – en dat dat een onaanvaardbare inmenging in zijn gezinsleven is.
Het hof is van oordeel dat – zoals de moeder ook aanvoert – de strekking van de beslissing helder is. Het is de bedoeling dat de kinderen op de avond voor een schooldag in de omgeving van de school zijn, zodat zij niet in de ochtend van de schooldag nog een verre reis moeten maken of in de avond voor de schooldag laat terugkomen. De moeder heeft aangevoerd dat de vader niet de bedoeling van deze beslissing volgt, maar de letterlijke bewoordingen waardoor [de minderjarige1] – volgens de vader – niet naar vioolles kon en de kinderen niet konden meedoen aan de avondvierdaagse. Het hof onderschrijft de uitleg van de moeder over de bedoeling van de beslissing van de rechtbank. Omdat de vader vasthoudt aan zijn uitleg waardoor de kinderen door hem beperkt worden in hun mogelijkheden om deel te nemen aan sociale activiteiten, zal het hof de beslissing aanpassen. Het hof zal onderdeel 4.1 van deze beschikking vernietigen en beslissen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op de avond voor een schooldag om 19.30 uur bij de moeder in [plaats1] moeten zijn, of bij de woning van de vader als die binnen een straal van tien kilometer van de woning van de moeder in [plaats1] staat.
Vakantie- en feestdagenregeling
5.17
De vader is het wel eens met de door de rechtbank in de beschikking van 9 mei 2025 vastgestelde verdeling van de zomer-, herfst- en voorjaarsvakantie, voor zover daarin is bepaald wanneer de kinderen bij welke ouder verblijven. Maar, de vader wil dat deze verdeling wordt uitgebreid met de vrije (studie)dagen van de kinderen als deze direct voorafgaand of aansluitend aan deze vakanties zijn. Verder vraagt de vader om te bepalen dat de kinderen de volledige mei- of kerstvakantie bij de vader of de moeder zijn, omdat de kinderen gewend waren om ook in die vakanties een langere tijd op vakantie te gaan. Ook wil de vader een wat duidelijkere beslissing voor de feestdagen. De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil in verband met het risico van vervreemding niet dat de kinderen te lang van haar verwijderd zijn. Daarbij wil zij niet dat de kinderen steeds en te lang op vakantie gaan met de vader. Anders komen de kinderen (te) kort voor aanvang van school pas weer terug van een vermoeiende reis.
5.18
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking beslist dat – als er co-ouderschap is – de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld in onderling overleg te bepalen. Omdat niet in geschil is dat het de ouders niet is gelukt om dat in onderling overleg te af te spreken, en de rechtbank op 9 mei 2025 een andere beslissing heeft genomen over de vakanties en feestdagen, zal het hof onderdeel 4.5, eerste streepje, vernietigen.
Ten aanzien van de zomervakantie heeft de vader niet uitgelegd in hoeverre zijn verzoek verschilt van de beslissing die de rechtbank heeft gegeven. Het hof leest hierin slechts een andere formulering, die volgens het hof niet meer duidelijkheid geeft dan de rechtbank heeft gedaan. Ook anderszins vindt het hof een andere beslissing niet in het belang van de kinderen. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank over de zomervakantie in stand houden.
Ten aanzien van de herfstvakantie (volledig bij de vader) en de voorjaarsvakantie (volledig bij de moeder) heeft de vader verzocht om die uit te breiden met een eventuele studiedag. De rechtbank heeft dit echter al zo bepaald. Het hof begrijpt uit de toelichting en het verzoek van de vader dat hij deze vakanties niet alleen wil uitbreiden met de studiedagen die voor of na de vakanties zijn, maar ook nog met de dag dáárvoor, zodat de kinderen na schooltijd al direct bij de ouder zijn bij wie zij die vakantie zullen doorbrengen. Het hof is van oordeel dat met de beslissing die de rechtbank heeft gegeven, de vader (of de moeder) al voldoende ruimte heeft om met de kinderen op vakantie te gaan. Dat de vader nóg eerder met de kinderen richting de vakantiebestemming zou kunnen willen vertrekken, vindt het hof geen reden om de regeling verder uit te breiden. Als de kinderen, volgens de co-ouderschapsregeling de week voorafgaand aan de herfstvakantie al bij de vader zijn, heeft hij de mogelijkheid om zelf te bepalen wanneer hij met de kinderen vertrekt. Als zij die week voorafgaand aan de herfstvakantie juist bij de moeder zijn, dan vindt het hof het van belang dat zij die tijd gewoon bij de moeder kunnen doorbrengen, voordat zij een ruime week op vakantie met de vader zijn. Dit belang geldt uiteraard andersom ook als de kinderen de voorjaarsvakantie bij de moeder doorbrengen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie in stand laten.
Ook de beslissingen van de rechtbank over de kerst- en meivakantie zal het hof in stand houden. De vader heeft gesteld dat de kinderen gewend waren om langer aaneengesloten op vakantie te gaan en dat dit nu niet meer kan. Het hof overweegt dat de situatie voor de kinderen (en de ouders) sinds de scheiding van de ouders is veranderd, waaronder de manier waarop vakanties worden doorgebracht. Het hof vindt het in het belang van de kinderen dat zij zowel in de kerstvakantie als in de meivakantie een week met ieder van de ouders kunnen doorbrengen. Naar het oordeel van het hof weegt dit belang zwaarder dan de mogelijkheid van een ouder om gedurende twee aaneengesloten weken met de kinderen op vakantie te gaan.
Voor wat betreft Pasen volgt het hof de stelling van de vader dat er onduidelijkheid kan ontstaan bij de ouders over welke dagen onder Pasen vallen. De vader heeft gesteld dat Goede Vrijdag ook hieronder wordt verstaan. De moeder heeft dit niet weersproken. Het hof zal beslissen dat de kinderen vanaf donderdag uit school tot dinsdagochtend naar school in de even jaren bij de moeder zijn en in de oneven jaren bij de vader. Dit geeft zowel de vader als de moeder de mogelijkheid om – als zij dat willen – met de kinderen een paar dagen op vakantie te gaan. Omdat dit steeds een beperkt aantal vrije dagen zijn, is de periode dat zij de andere ouder niet zien ook beperkt zodat het door de moeder (in algemene zin) geformuleerde risico van vervreemding zich hier niet voordoet.
In lijn met het voorgaande zal het hof voor wat betreft Hemelvaart beslissen dat de kinderen vanaf woensdagmiddag na school tot maandagochtend in de oneven jaren bij de moeder verblijven en in de even jaren bij de vader.
Ten aanzien van Pinksteren heeft de vader in zijn verzoek opgenomen dat de kinderen in de even jaren van donderdagmiddag tot dinsdagochtend bij de moeder verblijven en in de oneven jaren bij de vader. Uit de toelichting in zijn beroepschrift leidt het hof af dat de vader echter bedoeld heeft te verzoeken vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot dinsdagochtend naar school. Het hof zal dit verzoek onder verwijzing naar het oordeel over Pasen toewijzen.
Doorlopende vervangende toestemming vakanties
5.19
De vader is het niet eens met het onderdeel van de beschikking van de rechtbank van 9 mei 2025 waarin de rechtbank het verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor vakanties binnen Europa heeft afgewezen.
5.2
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe. Hoewel de vader zijn verzoek meer gespecificeerd heeft door zijn verzoek om vervangende toestemming te beperken tot de Alpenlanden of Scandinavië acht het hof dit nog steeds niet voldoende concreet. Het hof is van oordeel dat van de vader mag worden verwacht dat hij – als hij met de kinderen op vakantie wil – aan de moeder voldoende kenbaar maakt waar hij naar toe gaat, wanneer en voor welke periode. Het hof ziet geen aanleiding ervan uit te gaan dat de moeder snel haar toestemming zal onthouden. Wel is het duidelijk geworden dat de moeder goed geïnformeerd wil worden zodat zij in staat is een inschatting te maken of er risico’s voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan een voorgenomen reis verbonden zijn en ook of zij hen kan bereiken als dat nodig is. Het hof wijst het verzoek (B) af.
Informatieregeling
5.21
De vader is het niet eens met het onderdeel van de beschikking van de rechtbank van 9 mei 2025 waarin de rechtbank heeft bepaald dat de vader de moeder op de hoogte stelt van ziekte van [de minderjarige1] en/of [de minderjarige2] . De vader vindt dat hij bij een niet-spoedeisende medische situatie niet verplicht is om de moeder meteen hiervan op de hoogte moet brengen. De vader zal uiteraard, wanneer (één van) de kinderen ziek is geweest, de moeder hierover informeren.
5.22
Het hof is van oordeel dat als [de minderjarige1] en/of [de minderjarige2] ziek is/zijn, de vader de moeder hiervan op de hoogte moet stellen en niet pas achteraf, net als de moeder de vader hiervan op de hoogte moet stellen.
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat dit bij goed ouderschap hoort. Omdat de vader – net als bij de rechtbank – dit nog steeds niet onderschrijft, zal het hof dit onderdeel van deze beschikking in stand laten (bekrachtigen).
Kinderalimentatie
5.23
De ouders zijn verplicht om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen (kinderalimentatie). De kinderalimentatie wordt bepaald aan de hand van de kosten van de kinderen (de behoefte) en het deel van het inkomen van de ouders dat beschikbaar is om hierin te voorzien (de draagkracht). [5]
Ingangsdatum
5.24
De rechtbank heeft beslist dat de vader met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 627,- per maand moet betalen aan de moeder als kinderalimentatie. Deze ingangsdatum is tussen de ouders niet in geschil. Het hof zal dan ook uitgaan van deze datum, 12 mei 2025.
Behoefte: de kosten van de kinderen
5.25
De vader is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 826,- per kind per maand. De vader stelt dat dit € 400,- per kind per maand zou moeten zijn. Bij de vaststelling van de behoefte moet in dit geval niet worden aangesloten bij de NIBUD normen, omdat het gezin altijd sober heeft geleefd, aldus de vader.
5.26
Het hof ziet in hetgeen de vader heeft gesteld geen aanleiding om af te wijken van de tabelbedragen uit het Rapport Alimentatienormen. Dat de ouders in de periode 2014 tot 2016 weinig hebben gewerkt, is niet van belang. Immers, het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen na scheiding wordt berekend op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit het jaar 2023 is en dat oordeel is tussen de ouders niet in geschil. Het hof zal daar dan ook vanuit gaan. Dat de moeder in 2023 een overzicht heeft gemaakt van bepaalde kosten van de kinderen, waaronder van hun kleding en hobby’s, vindt het hof ook geen aanleiding om af te wijken van het Rapport Alimentatienormen omdat dit maar een deel van de kosten betreft. De vader stelt dat er minder dan € 826,- per kind per maand werd uitgegeven, maar het hof is van oordeel dat de vader – in het licht van de betwisting door de moeder – dat onvoldoende heeft onderbouwd. De moeder heeft aangevoerd dat zij als gezin heel vaak (de moeder stelt zelfs twaalf keer per jaar) op vakantie naar het buitenland gingen, dat het reizen van en naar de vakantiebestemming kostbaar was en dat de moeder de laatste jaren met de kinderen ook naar een ‘normale’ vakantiebestemming ging. Ook hadden de kinderen dure hobby’s zoals vioolles en tennis. De vader heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Het hof zal dan ook – net als de rechtbank – uitgaan van de behoefteberekening volgens de tabelbedragen uit het Rapport Alimentatienormen. De vader heeft nog verzocht om inzage in de bankafschriften van de moeder omdat hij dan de behoefte van de kinderen kan onderbouwen, aangezien de moeder de vaste lasten voor de kinderen voldeed, en de vader van zijn bankrekening de overige vaste lasten voor het gezin. De vader heeft dit verzoek bij zijn verweerschrift in het incidenteel hoger beroep opgenomen, als aanvullend verzoek in het principaal hoger beroep. De vader heeft geen goede reden gegeven waarom hij dit verzoek niet in het beroepschrift heeft opgenomen. Het hof is van oordeel dat dit te laat is en zal het verzoek afwijzen wegens strijd met de goede procesorde.
5.27
De rechtbank heeft het tabelbedrag bepaald op € 730,- per kind per maand in 2023. De vader heeft tegen deze tabelberekening geen grief geformuleerd, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Na indexatie bedraagt de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in 2025 € 826,- per kind per maand en in 2026 € 864,- per kind per maand.
Draagkracht
5.28
De vader heeft gesteld dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht ten onrechte heeft gerekend met het fulltime salaris van de vader en een parttime salaris (0,6 fte) van de moeder. De moeder is verantwoordelijk om alles in het werk te stellen om haar verdiencapaciteit volledig te benutten en om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Als er sprake is van een co-ouderschapsregeling, dan is het redelijk dat de draagkracht van beide ouders berekend wordt aan de hand van een inkomen gebaseerd op een dienstverband van 0,8 fte, aldus de vader.
5.29
Het hof overweegt als volgt. De ouders hebben ieder een gelijk aandeel in de zorg voor de kinderen. Ook moeten zij ieder bijdragen in de kosten van de kinderen. In deze situatie is het hof van oordeel dat beide ouders dezelfde mogelijkheid – in tijd – moeten hebben om bij de kinderen te zijn. Het hof vindt een aanstelling van 0,8 fte voor beide ouders hierbij passend, zoals de vader heeft gesteld. Het hof gaat hiermee voorbij aan het verweer van de moeder dat tijdens hun huwelijk de vader altijd fulltime werkte en zij parttime. Dat dit tijdens het huwelijk zo was, maakt niet dat na de echtscheiding niet mag worden verwacht dat dit kan wijzigen. De moeder heeft verder aangevoerd dat zij niet in staat is om meer te werken. Zij is uitgeput door de echtscheiding en zij wil zo veel mogelijk bij de kinderen zijn, aldus de moeder. Het hof begrijpt dat de situatie rond de kinderen en de echtscheiding(sprocedure) veel van haar vergen, maar het hof vindt dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij beperkt is in haar mogelijkheden om meer te werken.
5.3
Het hof vindt dat zowel de vader als de moeder de tijd moet worden gegeven om hun dienstverband aan te passen. Het hof acht het daarom redelijk om met ingang van 1 september 2026 uit te gaan van een gewijzigd inkomen dat gebaseerd is op 0,8 fte. Voor de bepaling van de draagkracht zullen dus twee periodes zijn: van 12 mei 2025 tot 1 september 2026 en vanaf 1 september 2026.
5.31
Voor de periode van 12 mei 2025 tot 1 september 2026 blijft de door het rechtbank vastgestelde draagkracht van de vader en de moeder hetzelfde. Het hof verwijst naar de berekening hiervan in de echtscheidingsbeschikking.
5.32
De draagkracht per 1 september 2026 zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
5.33
De vader heeft een berekening van zijn draagkracht overgelegd die gebaseerd is op 0,8fte. [6] De moeder heeft – behalve tegen de toepassing van 0,8fte waarop het hof hiervoor heeft beslist – geen verweer gevoerd tegen deze berekening. Het hof zal daarom uitgaan van deze gegevens.:
- bruto arbeidsinkomen € 4.889,- per maand
- Individueel Keuze Budget € 807,- per maand
- ingehouden pensioenpremie € 372,- per maand
- aanvullende pensioenpremie € 7,- per maand
- algemene heffingskorting
- arbeidskorting
- inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader is in 2026 € 4.084,- per maand. De draagkracht van de vader is 70% van [4.084 - (0,3 x 4.084 + 1.365)] = € 1.046,-. [7] Het hof komt op een iets lager bedrag aan draagkracht uit dan waar de vader zelf vanuit gaat omdat het hof rekent met de tarieven voor 2026 (en de vader met de tarieven voor 2025).
5.34
Voor de berekening van de draagkracht van de moeder voor periode vanaf 1 september 2026 zal het hof aansluiting zoeken bij haar jaaropgave 2025. De moeder had in 2025 een bruto jaarinkomen van € 38.350,- op basis van 0,6 fte. Uitgaande van een dienstverband van 0,8 fte hanteert het hof een inkomen van € 51.133,- bruto per jaar (waarin al rekening is gehouden met onder meer vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en ingehouden pensioenpremie). Het hof zal geen rekening houden met een kindgebonden budget. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking overwogen dat de ouders het erover eens zijn dat de moeder geen kindgebonden budget ontvangt gelet op het vermogen dat zij heeft. Dit is in hoger beroep niet in geschil. Het hof zal dus uitgaan van de volgende gegevens:
- € 51.133,- bruto per jaar
- algemene heffingskorting
- arbeidskorting
- inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder is in 2026 € 3.561,- per maand. De draagkracht van de moeder is 70% van [3.561 - (0,3 x 3.561 + 1.365)] = € 790,-. [8]
Draagkrachtvergelijking
5.35
De draagkracht van de ouders samen (€ 1.046 + € 790) € 1.836,- is voldoende om te voorzien in de behoefte van de kinderen (€ 864 x 2) € 1.728,-. Dit betekent dat de vader een deel van (€ 1.046 / € 1.836 x € 1.728 =) € 984,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (€ 790 / € 1.836 x € 1.728 =) € 744,- per maand.
Zorgkorting
5.36
Het oordeel van de rechtbank dat voor de vader een zorgkorting geldt van 35 % bij een co-ouderschapsregeling is in hoger beroep niet in geschil. Het hof zal daarom ook dat percentage toepassen. Bij een behoefte van € 1728,- per maand is de zorgkorting dus € 604,- per maand.
Bijdrage van de vader
5.37
In de periode van 12 mei 2025 tot 1 januari 2026 blijft de kinderalimentatie die de vader aan de moeder betaalt, zoals door de rechtbank is bepaald, € 627,- per maand. Per kind bedraagt dit € 313,50 per maand.
5.38
Omdat de bijdrage op grond van de wet jaarlijks indexeert, bedraagt de kinderalimentatie in de periode van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 € 327,92 per kind per maand.
5.39
Met ingang van 1 september 2026 moet de vader in totaal (€ 984 - € 604 =) € 380,- per maand aan kinderalimentatie moeten betalen, dus € 190,- per kind per maand. [9]
5.4
Net als de rechtbank zal het hof bepalen dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen.

6.Draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de vader en de moeder en van de verdeling van de kosten van de kinderen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7.Kindbrieven

De raadsheer van het hof die met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft gesproken, heeft met hen afgesproken dat zij een brief zullen krijgen over uitspraak van het hof.

8.De beslissing

Het hof:
in zaaknummers 200.353.603/01 en 200.353.605
beschikkende in het
principaal hoger beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:
8.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2025 voor zover het de beslissing over de hoofdverblijfplaats betreft (4.2.) en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijf bij zowel de moeder als de vader hebben;
8.2
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2025 voor zover het de beslissing over het huurrecht betreft (4.3.);
8.3
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2025 voor zover het de beslissing over de zorgregeling betreft onder het eerste streepje (in het geval dat de vader binnen een afstand van tien kilometer van de woning van de moeder gaat wonen 4.4.);
8.5
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2025 voor zover het de beslissing over de vakantieregeling betreft (4.5.) en in zoverre opnieuw beschikkende: stelt de vakantieregeling vast zoals hierna onder 8.11 is bepaald;
8.6
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 januari 2025 voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft (4.7.) en, in zoverre opnieuw beschikkende:
  • bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 12 mei 2025 tot 1 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een bedrag van € 313,50 per kind per maand zal betalen;
  • bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een bedrag van € 327,92 per kind per maand zal betalen;
  • bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 september 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een bedrag van € 190,- per kind per maand zal betalen;
  • de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
8.7
verklaart de onder 8.1, 8.5 en 8.6 uitgesproken beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
8.8
wijst de verzoeken van de vader voor het overige af;
beschikkende
in het incidenteel hoger beroep:
8.9
verklaart de moeder niet-ontvankelijk;
en
in zaaknummer 200.357.372
beschikkende in hoger beroep:
8.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 mei 2025 voor zover het de beslissing over de aanwezigheid om 19.30 uur betreft (4.1.) en, in zoverre opnieuw beschikkende:
- bepaalt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op de avond voor een schooldag om 19.30 uur bij de moeder in [plaats1] moeten zijn, of bij de woning van de vader als die binnen een straal van 10 kilometer afstand van de woning van de moeder in [plaats1] staat;
8.11
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 mei 2025 voor zover het de beslissing over de vakantieregeling bij co-ouderschap betreft (4.2.) en, in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt een vakantieregeling vast als volgt:
  • de zomervakantie: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren verblijven zij de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. Het wisselmoment vindt plaats op de zondag in de derde week om 17.00 uur;
  • de herfstvakantie: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven bij de vader;
  • de kerstvakantie: in de oneven jaren verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In de even jaren verblijven zij de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. De wissel vindt plaats op zaterdag om 17.00 uur in [plaats1] ;
  • de voorjaarsvakantie: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven bij de moeder;
  • de meivakantie: in de oneven jaren verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In de even jaren verblijven zij de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
  • Pasen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven vanaf donderdag uit school tot dinsdagochtend naar school in de oneven jaren bij de vader en in even jaren bij de moeder;
  • Hemelvaart: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven vanaf woensdag uit school tot maandagochtend naar school in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
  • Pinksteren: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven van vrijdagmiddag na school tot dinsdagochtend naar school in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;
  • de vakantieregeling prevaleert boven de regeling voor de feestdagen;
  • de vakanties vangen aan op vrijdag uit school en eindigen op dinsdagochtend naar school als in deze beslissing niet een ander wisselmoment is bepaald;
  • in het geval er een studiedag is op de vrijdag voor de vakantie, vindt de wisseling plaats op de vrijdagochtend om 10.00 uur in [plaats1] ;
  • als er een studiedag is op de dinsdag na de vakantie, vindt de wisseling plaats op dinsdagochtend om 10.00 uur in [plaats1] ;
8.12
verklaart de in 8.10 en 8.11 uitgesproken beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
8.13
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 mei 2025 voor het overige;
8.14
wijst de verzoeken van de vader voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en E.H. Schijven- Bours, bijgestaan door de griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken door mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 827 lid 1 onder Pro c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
2.Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
3.Artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
4.Artikel 827 lid 1 onder Pro f Rv in combinatie met artikel 7:266 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
5.Artikel 1:392 BW Pro in combinatie met artikel 1:404 BW Pro
6.Productie 20 bij beroepschrift
7.Bijlage: draagkrachtberekening vader
8.Bijlage: draagkrachtberekening moeder
9.Bijlage: verdeling kosten kinderen