ECLI:NL:GHARL:2026:2966

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.365.479
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 807 RvArt. 1:262 BWArt. 1:262b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen weigering perspectiefonderzoek ondertoezichtstelling minderjarige

De moeder heeft gezag over haar minderjarige kind dat onder toezicht is gesteld en met een machtiging uit huis geplaatst is bij een pleegmoeder. De kinderrechter verlengde de ondertoezichtstelling en besloot op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) dat geen perspectiefonderzoek hoeft te worden uitgevoerd naar de vraag bij wie het kind het beste kan opgroeien.

De moeder is het niet eens met deze beslissing en gaat in hoger beroep bij het hof, stellende dat het besluit onjuist is en dat er wel een perspectiefonderzoek moet plaatsvinden. De GI en pleegmoeder betwisten de ontvankelijkheid van het hoger beroep vanwege het rechtsmiddelenverbod op grond van artikel 807 Rv Pro in samenhang met artikel 1:262b BW.

Het hof oordeelt dat het geschil valt onder artikel 1:262b BW, waartegen geen hoger beroep openstaat behalve in uitzonderlijke doorbrekingsgronden. De moeder voert een doorbrekingsgrond aan, maar het hof volgt dit niet omdat de kinderrechter de juiste wettelijke grondslag heeft toegepast en het geschil niet buiten het toepassingsgebied valt. Het beroep op een doorbrekingsgrond faalt en het hof wijst het hoger beroep af. Iedere partij draagt zijn eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de moeder af wegens het rechtsmiddelenverbod op grond van artikel 807 Rv in samenhang met artikel 1:262b BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.479
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 601992 en 602985
beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster],
die woont in [woonplaats1] ,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S.L. Prass,
tegen
de gecertificeerde instelling
[de GI],
gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
hierna: de GI,
belanghebbenden zijn:
[belanghebbende1]en
[belanghebbende2],
die wonen in [woonplaats2] ,
hierna respectievelijk: de pleegmoeder en de pleegvader,
advocaat: mr. M. Kramer.

1.De feiten

1.1.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] , die is geboren [in] 2013.
1.2.
[de minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI en met een machtiging uit huis geplaatst. Zij woont nu bij haar pleegmoeder (oma moederszijde).

2.De procedure bij de rechtbank

2.1.
De kinderrechter heeft in de beschikking van 16 december 2025 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking) de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 17 december 2026.
2.2.
Ook heeft de kinderrechter in die beslissing, op verzoek van de GI, bepaald dat de GI geen perspectiefonderzoek hoeft te laten uitvoeren naar de vraag bij wie [de minderjarige] het beste kan opgroeien.

3.De procedure bij het hof

3.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over het perspectiefonderzoek. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beschikking van de kinderrechter van 16 december 2025 gedeeltelijk vernietigt en dat het hof bepaalt dat er alsnog een perspectiefonderzoek uitgevoerd moet worden alvorens het perspectief vastgesteld wordt.
3.2.
De GI en de pleegmoeder zijn van mening dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.
3.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de moeder, ontvangen op 27 februari 2026 met producties 1 tot en met 8
  • het verweerschrift van de GI
  • het verweerschrift van de pleegmoeder met producties 1 en 2
  • de brief van de raad voor de kinderbescherming van 17 maart 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • een pleitnota van mr. Prass
  • een pleitnotitie van mr. Kramer
3.4.
Op 8 april 2026 heeft de zitting bij het hof plaatsgevonden. Zoals in de oproepingsbrief aan betrokkenen is medegedeeld, is op die zitting uitsluitend behandeld de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep. Aanwezig waren:
  • mr. Prass
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de pleegmoeder met haar advocaat

4.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
4.1.
Op grond van artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
4.2
Op grond van artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet (rechtsmiddelenverbod).
4.3
Volgens vaste jurisprudentie kan, indien een algeheel rechtsmiddelenverbod geldt, in sommige gevallen toch hoger beroep worden toegelaten en wel voor zover erover wordt geklaagd dat de rechter i) de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, ii) buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of iii) bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
Hoe oordeelt het hof?
4.4.
Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking een beslissing bevat in een geschil die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft en dus valt onder 1:262b BW, waartegen geen hoger beroep mogelijk is.
4.5.
Namens de moeder is op de mondelinge behandeling gesteld dat sprake is van een doorbrekingsgrond. De kinderrechter heeft volgens de moeder ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 1:262b BW, terwijl in de bestreden beschikking artikel 1:262 BW Pro is vermeld. De kinderrechter is volgens de moeder buiten het toepassingsgebied van de betreffende regeling getreden.
4.6.
Het hof volgt de moeder daarin niet. Dat in de bestreden beschikking artikel 1:262 BW Pro is vermeld en niet 1:262b BW berust op een kennelijke verschrijving. Overduidelijk is dat de kinderrechter het verzoek van de GI heeft beoordeeld op grond van artikel 1:262b BW. Niet alleen heeft de kinderechter in de beschikking in bewoordingen vermeld dat het verzoek van de GI een geschil betreft over de wijze waarop de GI de ondertoezichtstelling uitvoert, ook het verzoek van GI was daar expliciet op gericht met verwijzing naar artikel 1:262b BW en zelfs het beroepschrift van de moeder heeft als titel ‘BEROEPSCHRIFT ex art. 1:262b BW gericht tegen de beslissing perspectiefonderzoek uit te voeren’.
4.7.
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking dus artikel 1:262b BW toegepast in een geschil tussen de moeder en de GI over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Op de mondelinge behandeling is namens de moeder gewezen op rechterlijke uitspraken over het perspectiefbesluit en dat dit noopt tot een ruimere rechtsbescherming dan artikel 807 Rv Pro in beginsel biedt. Daar gaat het hof aan voorbij, omdat in deze zaak (nog) geen sprake is van een perspectiefbesluit. Het geschil tussen de moeder en de GI ging enkel over de wijze waarop tot een perspectiefbesluit zal worden gekomen en of in dat kader een specifiek onderzoek zou moeten worden uitgevoerd. De kinderrechter is dus niet buiten het toepassingsgebied van de betreffende regeling getreden.
4.8.
Het beroep op een doorbrekingsgrond slaagt niet en daarom zal het hof het verzoek van de moeder afwijzen.

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.