Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2961

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.362.381
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beschikking kinderalimentatie en vaststelling draagkracht vrouw

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland over kinderalimentatie en bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie. De man en de meerderjarige dochter zijn in hoger beroep gekomen tegen de vastgestelde alimentatiebedragen en ingangsdata, terwijl de vrouw zowel verweer voert als incidenteel hoger beroep instelt.

De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van € 631 per maand kinderalimentatie voor de minderjarige met ingang van 1 december 2024 en een bijdrage van € 50 per maand door de vrouw aan de meerderjarige dochter vanaf 1 januari 2025. Het hof bevestigt deze bedragen en ingangsdata, waarbij het verzoek van de vrouw om de alimentatie voor de minderjarige met ingang van 1 juni 2024 te laten ingaan wordt gepasseerd.

De man stelde dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft en dat van een fictief fulltime inkomen moet worden uitgegaan. Het hof oordeelt echter dat het feitelijke inkomen van de vrouw leidend is, omdat zij nog niet in staat is fulltime te werken en nog steeds hulpverlening ontvangt. De draagkracht van de vrouw laat slechts een bijdrage van € 50 per maand voor de meerderjarige dochter toe, gelijk aan het bedrag dat zij ook voor de minderjarige kan bijdragen.

De grieven van partijen falen en het hof bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank. De vrouw wordt geacht een totale draagkracht van € 100 per maand te hebben voor beide dochters samen, zonder dat de aanvullende behoefte van de meerderjarige verder hoeft te worden besproken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en bevestigt de vastgestelde kinderalimentatie en bijdrage op basis van het feitelijke inkomen van de vrouw.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.381
(zaaknummer rechtbank Gelderland 444803)
beschikking van 12 mei 2026
inzake
[verzoeker](de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.L. van Olst
en
[verzoekster]( [verzoekster] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.L. van Olst
en
[verweerster](de vrouw)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 september 2025, uitgesproken onder zaaknummer 444803 (de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, ingekomen op 4 december 2025, met bijlagen
  • het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep
  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep
  • een journaalbericht van mr. Aarnoudse van 20 maart 2026 met bijlagen
  • een journaalbericht van mr. Van Olst van 21 maart 2026 met bijlagen
  • een journaalbericht van mr. Van Olst van 26 maart 2026 met bijlage
2.2
De zitting bij het hof was op 31 maart 2026. De man en [verzoekster] waren met hun advocaat aanwezig en de vrouw met haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [verzoekster] , geboren [in] 2006, en [de minderjarige] , geboren [in] 2010 ( [de minderjarige] ). De man heeft de kinderen erkend. [verzoekster] is meerderjarig. Partijen oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige] . De relatie van de ouders is geëindigd in mei 2024.
3.2
De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2024 € 848 per maand aan haar dient te betalen aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] .
[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 februari 2024 een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie zal betalen van € 50 per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] vastgesteld op € 631 per maand met ingang van 1 december 2024 en verstaan dat de vrouw met ingang van 1 januari 2025 als bijdrage in dc kosten van levensonderhoud en studie aan [verzoekster] € 50 per maand zal betalen.
4.2
De man en [verzoekster] zijn in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vrouw alsnog af te wijzen, haar te veroordelen de teveel betaalde alimentatie terug te betalen en te verstaan dat de vrouw met ingang van 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [verzoekster] € 50 per maand zal betalen, met ingang van 1 oktober 2025 € 150 per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 250 per maand.
4.3
De vrouw voert verweer en heeft ook hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof
de man en [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken in hoger beroep dan wel deze af te wijzen en – in het incidenteel hoger beroep – de bestreden beschikking te vernietigen, te bepalen dat de onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] ingaat op 1 juni 2024 en te bepalen dat de door de vrouw te betalen bijdrage voor [verzoekster] primair wordt gesteld op nihil dan wel op € 25 per maand met ingang van 1 januari 2025.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Partijen hebben in hoger beroep geen grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat de behoefte van de kinderen in 2024 – uitgaande van een gezinsinkomen van de ouders van in totaal € 5.733 netto per maand – € 1.398 per maand (€ 699 per kind per maand) bedroeg. Verder heeft de man niet weersproken dat hij volgens de rechtbank draagkracht heeft voor kinderalimentatie van € 965 per maand. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de man niet bijdraagt aan het levensonderhoud van [verzoekster] . Nu daartegen geen grief is gericht gaat ook het hof uit van een draagkracht voor [de minderjarige] van € 965.
5.2
Wat betreft de ingangsdatum voor de door de man te betalen bijdrage voor [de minderjarige] ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de datum zoals bepaald door de rechtbank, 1 december 2024, de eerste van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift. Het (herstelde) verzoek van de vrouw in hoger beroep om als ingangsdatum 1 juni 2024 te hanteren, wordt dan ook gepasseerd.
5.3
Het hof begrijpt uit de gang van zaken in hoger beroep dat 1 januari 2025 als ingangsdatum voor de bijdrage voor [verzoekster] in hoger beroep niet in geschil is.
5.4
De man voert aan (met zijn tweede grief) dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een hogere verdiencapaciteit van de vrouw. De man stelt dat de vrouw geen jonge kinderen hoeft te verzorgen, geen arbeidsbelemmeringen heeft en een zware verantwoordelijkheid heeft om in de kosten van de kinderen te voorzien. Tijdens de relatie was de vrouw ook (meer dan) fulltime werkzaam. Als zij niet haar verdiencapaciteit benut, moet van een fictief inkomen worden uitgegaan, dat volgens de man – op grond van de loonspecificaties van de vrouw in 2025 op basis van 11,5 uur per week (parttime 30,26%) – geëxtrapoleerd naar een fulltime dienstverband kan worden gesteld op een jaarloon van € 41.193.
5.5
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat moet worden uitgegaan van het feitelijke inkomen dat de vrouw nu verdient, omdat zij nog niet in staat is fulltime te werken. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een hectische periode achter zich heeft, voorafgaand aan en na het beëindigen van de relatie met de man, waarbij Veilig Thuis, [naam1] en [naam2] betrokken waren. Zij heeft met [de minderjarige] afwisselend op een drietal campings gewoond en hoge (woon)lasten moeten dragen. Daarbij heeft zij (net als [de minderjarige] en [verzoekster] ) nog steeds behoefte aan hulpverlening, zij het dat dit nu is afgebouwd naar 1,5 uur per week. Gebleken is dat de vrouw sinds 25 augustus 2025 24 uur per week werkt als uitzendkracht, maar daarmee is haar draagkracht nog steeds minimaal.
5.6
De draagkracht van de vrouw laat niet toe dat zij een hogere bijdrage voor [verzoekster] betaalt dan € 50 per maand, zoals partijen bij de rechtbank zijn overeengekomen en de rechtbank dan ook heeft vastgesteld. Dit bedrag komt overeen met de bijdrage (het daarmee overeenstemmende aandeel in de behoefte van) van de vrouw voor [de minderjarige] , tegen welke beslissing de vrouw geen grief heeft gericht. Nu de vrouw ondanks dat zij daartoe niet de draagkracht heeft kennelijk € 50 aan [de minderjarige] kan bijdragen is het hof in lijn met de beslissing van de rechtbank (waartegen niet gegriefd is) van oordeel dat de vrouw geacht wordt een gelijk bedrag van € 50,- beschikbaar te hebben voor [verzoekster] . Het hof zal er daarom in redelijkheid van uitgaan dat de vrouw een draagkracht ten behoeve van de beide dochters heeft van (2x50=) € 100,- per maand, dus € 50 voor [verzoekster] . Op welke wijze zij die realiseert, bijvoorbeeld door het genereren van een hoger inkomen of uit haar vrije ruimte, is aan de vrouw. De aanvullende behoefte (behoeftigheid) van [verzoekster] hoeft daarom niet te worden besproken. Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs als [verzoekster] al enig eigen inkomen zou hebben, een (minimale) behoefte van € 50 het hof zeker reëel voorkomt.

6.De slotsom

De grieven van zowel de man als de vrouw falen of hoeven geen (verdere) bespreking. Het hof zal bepalen dat de bestreden beschikking in stand blijft (wordt bekrachtigd).

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 september 2025;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en E. de Boer, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar.