Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.359.516
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 282 lid 4 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en afwijzing verzoek vervangende toestemming schoolinschrijving

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, dat bij de moeder staat ingeschreven. De moeder verzocht om een zorgregeling en vervangende toestemming voor inschrijving van het kind op een andere basisschool, terwijl de vader een eigen zorgregeling en afwijzing van het schoolverzoek vorderde.

De rechtbank stelde een zorgregeling vast en wees het verzoek tot vervangende toestemming af. In hoger beroep betwistte de moeder deze beslissingen en verzocht om een week-op-week-afregeling met wisselmomenten op vrijdagmiddag, alsmede vervangende toestemming voor schoolinschrijving. De vader wilde de hoofdverblijfplaats bij zich en wijziging van wisselmomenten tijdens vakanties en feestdagen.

Het hof oordeelde dat het verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats niet in hoger beroep kan worden gedaan en wees dit af. De reguliere zorgregeling werd grotendeels bekrachtigd, maar het tijdstip van overdracht tijdens vakanties werd gewijzigd naar vrijdag 12.00 uur om spanningen te beperken. Het verzoek tot vervangende toestemming voor schoolinschrijving werd afgewezen omdat het niet in het belang van het kind is om van school te wisselen.

De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof wijzigde het tijdstip van overdracht tijdens vakanties naar vrijdag 12.00 uur, bekrachtigde de overige zorgregeling en wees het verzoek tot vervangende toestemming voor schoolinschrijving af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.516/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586588)
beschikking van 12 mei 2026
inzake
[appellante](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. L.C. de Jong
en
[geïntimeerde](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.M.E. Derks

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1.
Voor het verloop van het geding tot 20 november 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum, waarin over de ontvankelijkheid is beslist.
1.2.
Het verdere verloop blijkt uit:
- een verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. De Jong van 19 februari 2026, met producties;
- een journaalbericht van mr. Derks van 21 maart 2026, met productie.
1.3.
Op 31 maart 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder en de vader waren aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Voorts was een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) aanwezig

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren [in] 2020.
2.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. Beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
2.3.
De voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft
in een vonnis van 15 april 2025 de vorderingen van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats] en tot vaststelling van een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (een zorgregeling) met betrekking tot [minderjarige] , afgewezen.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft verzocht een zorgregeling vast te stellen en haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats] . De vader heeft verzocht een zorgregeling vast te stellen en het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [plaats] af te wijzen.
3.2.
De rechtbank heeft – voor zover hier van belang – een reguliere zorgregeling en een regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld en het verzoek van de moeder om haar voormelde vervangende toestemming te verlenen, afgewezen. Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 24 juni 2025.

4.De voortzetting van de procedure bij het hof

4.1.
In de tussenbeschikking van 20 november 2025 heeft het hof de moeder ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en iedere verdere beslissing aangehouden.
4.2.
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt en verzoekt het hof als zorgregeling vast te stellen dat [minderjarige] :
- primair: om en om een week bij ieder van zijn ouders verblijft, waarbij vrijdagmiddag 12.00 uur als wisselmoment geldt;
- subsidiair: de door haar in eerste aanleg verzochte regeling vast te stellen.
Zij heeft – in haar verweer tegen het incidenteel hoger beroep – verzocht de vakantieregeling te wijzigen en te bepalen dat ook wat betreft de tijdstippen van overdracht tijdens vakanties wordt uitgegaan van vrijdag 12.00 uur, overeenkomstig de week-op-week-afregeling. Verder verzoekt zij het hof haar alsnog vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] op een school in [plaats] in te mogen schrijven.
4.3.
De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank over (de afwijzing van) het verzoek van de moeder tot verlening van vervangende toestemming. Hij is het niet eens met de vastgestelde zorgregeling wat betreft het tijdstip van de wisselingen in de voorjaarsvakantie, de zomervakantie en de herfstvakantie en op Vaderdag en Moederdag. Daarnaast verzoekt hij het hof in hoger beroep alsnog de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
Het verzoek van de vader alsnog te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem zal zijn, is een zelfstandig (tegen)verzoek dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan (artikel 362 wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 282 lid 4 Rv Pro). Op grond hiervan zal het hof dit verzoek afwijzen.
5.2.
De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag uit. In dat geval kan de rechter op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Dit kan onder andere over de zorgregeling gaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.3.
De rechtbank heeft een reguliere zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige] bij de vader verblijft iedere week van maandagochtend tot woensdag 17:00 uur (vóór het eten) en één keer in de veertien dagen vanaf vrijdag 17:00 uur (vóór het eten) tot en met zondag (waarbij de zorgregeling doorloopt tot de volgende woensdagmiddag 17.00 uur). Daarnaast heeft de rechtbank een uitvoerige regeling voor de vakanties en feestdagen vastgelegd.
5.3.
Het is het hof gebleken dat beide ouders in staat zijn [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en op een goede manier invulling geven aan hun ouderschap. Het gaat op zichzelf goed met [minderjarige] , maar hij heeft (logischerwijze) wel te maken met spanningen, ook omdat de communicatie tussen de ouders ondanks hulpverlening moeizaam verloopt. Zij zijn het niet eens over een aantal onderdelen van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling en hebben beiden (aanvullende) verzoeken gedaan tot wijziging daarvan.
5.4.
Het hof stelt voorop dat een vastgestelde zorgregeling altijd een tijdelijk karakter heeft en aan wijzigingen onderhevig kan zijn. Beide ouders willen op dit moment rust en duidelijkheid, maar zij zullen dan wel aan verbetering van hun communicatie moeten werken om knelpunten – die zich in de toekomst steeds zullen voordoen – in onderling overleg te kunnen oplossen en de zorgregeling zo nodig aan te passen. Het hof geeft de ouders daarom in overweging een ouderschapsbemiddelingstraject te volgen. Het hof zal beslissen over de punten die partijen nu nog verdeeld houden en een (basis)regeling vaststellen als hierna vermeld, die volgens het hof op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] is.
5.5.
Het hof ziet in wat de ouders hebben aangevoerd geen redenen om anders te beslissen voor wat betreft de reguliere week- en weekendregeling dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal deze regeling dan ook in stand laten. Een week-op-week-afregeling, zoals de moeder voorstelt, vindt het hof gelet op de leeftijd van [minderjarige] niet in zijn belang. Het hof volgt de raad in zijn advies een dergelijke regeling niet vast te stellen, omdat een periode van vijf dagen of meer waarin [minderjarige] geen contact heeft met de andere ouder te lang is. Een kind van zijn leeftijd heeft onvoldoende besef van tijd en kan een langere termijn niet overzien. Daarbij komt dat voor het hof genoegzaam is komen vast te staan dat de uitvoering van een dergelijke regeling (praktische) problemen oplevert voor de vader in verband met zijn werktijden en dienstrooster, welke uitgangspunten op zich niet in geschil zijn.
Ook wat betreft de regeling voor de vakanties en feestdagen zal het hof niet anders beslissen, zij het dat voor de duidelijkheid en ter beperking van het aantal wisselmomenten zal worden bepaald dat de overdracht van [minderjarige] tijdens de vakanties op steeds dezelfde dag en hetzelfde tijdstip zal plaatsvinden, namelijk op vrijdag om 12.00 uur, overeenkomstig het verzoek van de moeder. De vele wisselmomenten leveren namelijk – zoals ook de raad heeft aangegeven – op dit moment klaarblijkelijk spanningen op voor [minderjarige] . Beide ouders erkennen dat en hebben verteld dat zij minder wisselmomenten willen.
5.6.
Het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats] zal worden afgewezen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om nu van basisschool te wisselen, omdat deze school op dit moment zijn vertrouwde basis is. Wat betreft afstand en reistijd is het niet zodanig belastend voor [minderjarige] om in [woonplaats] op school te blijven dat dit zou moeten worden gewijzigd. Het hof baseert ook dit op het advies van de raad ter zitting.

6.De slotsom

6.1
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen waar die ziet op de overdracht van [minderjarige] tijdens de vakanties en bepalen dat die overdracht steeds op vrijdag om 12.00 uur zal plaatsvinden. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor het overige en het meer of anders verzochte afwijzen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat beide ouders de eigen proceskosten betalen, omdat de procedure over hun kind gaat.

7.De beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2025 ten aanzien van het tijdstip van de overdracht van [minderjarige] tijdens de vakanties en, opnieuw rechtdoende:
7.2.
bepaalt dat de overdracht van [minderjarige] tijdens de vakanties steeds zal plaatsvinden op vrijdag om 12.00 uur;
7.3.
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
7.6.
wijst wat meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar.