Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2955

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.365.955/01 en 200.365.955/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige voor weekendverblijf

De kinderrechter in Zwolle heeft op 4 december 2025 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 12 december 2026, waarbij de uithuisplaatsing geldt voor een weekend per twee weken bij pleegouders. De ouders zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, maar het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 12 mei 2026 de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd.

De minderjarige, geboren in 2022, staat sinds december 2024 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI). Er zijn ernstige zorgen over zijn ontwikkeling, waaronder signalen van gedesorganiseerde gehechtheid en een taalachterstand. De ouders kampen met persoonlijke problematiek, waaronder een ontwikkelingsleeftijd van de moeder van maximaal 36 maanden en diverse psychische aandoeningen, waardoor zij intensieve hulp nodig hebben. De GI en raad verwachten dat de ouders zonder ondertoezichtstelling niet altijd de noodzakelijke hulp zullen accepteren.

De uithuisplaatsing in het weekend is niet alleen bedoeld om de ouders te ontlasten, maar ook om het kind zelf rust en herstel te bieden. De pleegouders nemen dan de dagelijkse verzorging en opvoeding over. Het hof benadrukt het belang van continuïteit en structuur voor het kind en wijst het verzoek van de ouders af om de maatregelen te verkorten. De verlenging voor een jaar is passend gezien de aard van de problematiek.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een weekend per twee weken tot 12 december 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.365.955/01 en 200.365.955/02
zaaknummer rechtbank 340302
beschikking van 12 mei 2026
over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1]
in de zaak van

1.[verzoekster] (de moeder)

2. [verzoeker](de vader)
die wonen in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.A. Knobben te Nijverdal
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbenden](de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft op 4 december 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 12 december 2026. De machtiging geldt voor een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur uit de kinderopvang tot zondag 17.00 uur. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige1] is het enige kind van de ouders. [de minderjarige1] is [in] 2022 geboren. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] . [de minderjarige1] woont bij de ouders.
2.2.
De moeder heeft uit een eerdere relatie een zoon [de minderjarige2] , geboren [in] 2011. [de minderjarige2] woont sinds zijn geboorte bij de pleegouders. Zij hebben hem geadopteerd.
2.3.
De ouders hebben [in] 2025 een geregistreerd partnerschap gesloten.
2.4.
[de minderjarige1] staat sinds 12 december 2024 onder toezicht van de GI. Op 26 mei 2025 is een (deeltijd)machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders uitgesproken op basis waarvan [de minderjarige1] één keer per veertien dagen in het weekend twee nachten bij de pleegouders slaapt. Tot die tijd logeerde [de minderjarige1] één keer per veertien dagen één nacht bij de pleegouders.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een weekend per twee weken te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft op 4 december 2025 de beide verzoeken van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 12 december 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt. In het beroepschrift wordt ook gesproken over schorsing. Op de zitting heeft de advocaat van de ouders verklaard dat de ouders niet hebben bedoeld een schorsing van de beslissingen van de kinderrechter te vragen. Het hof hoeft daarop niet te beslissen.
4.2.
De GI wil dat de beslissingen van de kinderrechter in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 2 maart 2026
  • de brief van de raad van 16 maart 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het verweerschrift.
4.4.
De zitting bij het hof was op 14 april 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daar is mee bedoeld dat er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de verzorging en opvoeding weer helemaal zelf op zich kunnen nemen binnen een aanvaardbare termijn. [1] Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar. [2]
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven het kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. [3] De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt. [4]
5.3.
Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] moeten worden verlengd. De beslissingen van de kinderrechter zullen daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof sluit aan bij de overwegingen van de kinderrechter en voegt daaraan het volgende toe.
5.4.
Begin 2025 zijn door [zorginstelling2] signalen van gedesorganiseerde gehechtheid bij [de minderjarige1] gezien. Verder heeft [de minderjarige1] een achterstand in zijn taalontwikkeling en in zijn thuissituatie wordt veel van [de minderjarige1] gevraagd door de persoonlijke problematiek van de ouders. De moeder heeft een ontwikkelingsleeftijd van maximaal 36 maanden. Dit gaat onder andere gepaard met een grote behoefte aan autonomie, egocentrisch denken en met overschatting van zichzelf. Haar leerbaarheid is beperkt. De moeder heeft PDD-NOS, ADHD en een slaapstoornis. Dit betekent dat de moeder veel hulp nodig heeft. Die hulpverlening krijgt zij. Er is twee keer per week hulp in de huishouding, twee keer per week hulp voor moeder persoonlijk en [zorginstelling3] is zes dagen per week aanwezig om de ouders te begeleiden bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . De vader staat op de wachtlijst voor een IQ-test en begeleiding door [zorginstelling1] . In november 2025 werd door [zorginstelling3] gesproken over een hoog risico op toekomstige onveiligheid voor [de minderjarige1] in het gezin. Het is voor het hof gezien deze omstandigheden duidelijk dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
5.5.
De GI verwacht dat de ouders altijd hulpverlening nodig zullen hebben en dat de ouders de noodzakelijke hulp zonder een ondertoezichtstelling niet (altijd) zullen accepteren. In het verleden is ook gebleken dat de ouders adviezen van hulpverleners, zoals het wonen in een ouder-kind huis met continue begeleiding, niet altijd opvolgen. Daarbij is gebleken dat de ouders niet alle hulpverlening aankunnen. De trajecten [traject1] en [traject2] vonden zij te belastend en zijn daarom stopgezet. De ouders zeggen dat zij hulp zullen zoeken waar dat nodig is. Het hof is er niet van overtuigd dat de ouders dit zullen doen en dat zij goed kunnen bepalen wanneer en waarvoor hulp nodig is. Regievoering op de hulpverlening die de ouders nodig hebben voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] is daarom nodig.
5.6.
Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat de uithuisplaatsing niet alleen nodig is voor de ontlasting van de ouders, maar uitdrukkelijk ook voor [de minderjarige1] zelf. In het rapport van [zorginstelling3] van 24 november 2025 staat dat [de minderjarige1] gevoelig is voor de emoties van de ouders. De GI geeft aan dat [de minderjarige1] bij de ouders de hele dag aan moet staan en mee moet in het tempo en de behoeften van de ouders. [de minderjarige1] heeft de weekenden bij de pleegouders nodig om bij te komen en bij te slapen. Tijdens deze weekenden ligt de zeggenschap van de dagelijkse verzorging en opvoeding bij de pleegouders. Er is weinig tot geen contact tussen de ouders en de pleegouders over de invulling van de weekenden. Het initiatief voor de uithuisplaatsing gedurende de weekenden ligt bij de GI en de ouders stemmen hier niet mee in. De moeder heeft tijdens de zitting gezegd dat zij, zodra de machtiging uithuisplaatsing er niet meer zou zijn, het verblijf van [de minderjarige1] bij de pleegouders tijdens de weekenden zal stoppen, omdat zij vindt dat de ouders te weinig tijd met [de minderjarige1] hebben. Het hof wil voorkomen dat de ouders de uithuisplaatsing in de weekenden kunnen stopzetten, want die weekenden zijn nodig om de ouders te ontlasten, en ook voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige1] . Daarnaast heeft [de minderjarige1] belang bij structuur en continuïteit in zijn leven en contact met de pleegouders. Die ziet hij al een groot deel van zijn leven met regelmaat. De noodzaak voor het verlengen van de machtiging is daarom aanwezig.
5.7.
Gelet op de aard van de problematiek is het hof van oordeel dat een verlenging van de maatregelen voor een kortere duur dan een jaar, zoals door de ouders subsidiair is verzocht, niet passend is.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 4 december 2025 over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , geboren [in] 2022;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. C. Coster en
mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:260 lid 1 BW Pro
3.artikel 1:265b lid 1 BW.
4.artikel 1:265c lid 2 BW.