Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2931

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.107/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402a BWArt. 22 RvArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep partneralimentatie: geen relevante wijziging omstandigheden voor aanpassing alimentatie

Partijen zijn gehuwd geweest van 1999 tot 2020 en hebben samen drie kinderen. De man heeft daarnaast een minderjarige dochter waarvoor hij kinderalimentatie betaalt. In 2020 sloten partijen een echtscheidingsconvenant met afspraken over partner- en kinderalimentatie.

De man verzocht in 2024 om de partneralimentatie te verlagen tot nihil vanwege vermeende inkomensachteruitgang en gewijzigde gezinssituatie. De vrouw vroeg om verhoging van de alimentatie. De rechtbank wijzigde de alimentatie aanzienlijk ten nadele van de vrouw, waarna beide partijen in hoger beroep gingen.

Het hof oordeelt dat de vermeende wijzigingen, zoals tijdelijke inkomensdaling door ziekte, samenwonen met de partner en kind, en het afsluiten van een pensioenverzekering, geen relevante wijziging van omstandigheden vormen die aanpassing van de alimentatie rechtvaardigen. De man ontvangt inmiddels weer volledig salaris en de pensioenverzekering dekt een pensioengat dat tijdens het huwelijk is ontstaan.

De bijdrage van de man aan de kinderen is conform het ouderschapsplan en vormt geen reden voor aanpassing van de partneralimentatie. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de verzoeken van beide partijen af, waardoor de partneralimentatie ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Het hof wijst de verzoeken tot wijziging van partneralimentatie af wegens het ontbreken van relevante wijzigingen van omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.107/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 240449)
beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster](de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in het hoger beroep,
verweerster in het zelfstandig hoger beroep,
advocaat: mr. W.J.P. Kweens te Nijmegen,
en
[verweerder](de man),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in het hoger beroep,
verzoeker in het zelfstandig hoger beroep,
advocaat: mr. M.T. Kumar te Amsterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 4 juli 2025, verbeterd bij herstelbeschikking van 30 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 4 oktober 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 27 november 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift in het zelfstandig hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 23 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 31 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 1 april 2026 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren partijen aanwezig met hun advocaten, waarbij mr. J.I. Dierkx in plaats van mr. M.T. Kumar optrad. De advocaten van beide partijen hebben het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.
2.3.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de laatste drie journaalberichten van de man. Zij is van mening dat deze in strijd met de goede procesorde zijn ingediend omdat zij eerder ingediend hadden kunnen worden en niet voorzien zijn van een toelichting, en ten aanzien van de twee laatste journaalberichten, omdat deze te laat zijn ingediend. Het hof verwerpt deze bezwaren. Het journaalbericht van 23 maart 2026 is in overeenstemming met de in het procesreglement gestelde termijn ingediend. De strekking van de stukken is duidelijk en zij zijn op de zitting nader toegelicht. De stukken die op 31 maart 2026 en 1 april 2026 zijn overgelegd, zijn weliswaar te laat ingediend, maar deze zijn eenvoudig te doorgronden. Het betreft twee recente salarisstrookjes van de man en een aangifte IB, die van de vrouw afkomstig is en dus al bij haar bekend was. Het hof zal deze stukken meenemen in de beoordeling.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1999 tot [datum] 2020.
3.2.
Partijen hebben samen drie kinderen van nu 26, 24 en 22 jaar oud. De man heeft daarnaast nog een dochter, [de minderjarige] , van nu 11 jaar oud. De rechtbank Gelderland heeft op 10 augustus 2015 de door de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] vastgesteld op € 712,- per maand. De rechtbank heeft daarbij de behoefte van [de minderjarige] bepaald op € 809,- per maand. Die behoefte bestaat uit een basisbehoefte van € 397,- per maand en de netto kosten kinderopvang van € 412,- per maand.
3.3.
Partijen hebben [in] 2020 een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan ondertekend. De inhoud daarvan maakt onderdeel uit van de echtscheidingsbeschikking [in] 2020.
3.4.
Partijen hebben in het echtscheidingsconvenant, voor zover van belang voor de partneralimentatie, de volgende afspraken opgenomen.

NEMEN IN AANMERKING:
(…)
5. Het netto-gezinsinkomen van partijen bedroeg € 10.211,00 per maand. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, kan de behoefte aan levensonderhoud van ieder der partijen worden gelijkgesteld aan 60% van het netto-gezinsinkomen, verminderd met de kosten van kinderen. De kosten van kinderen bedragen € 1.515,-- per maand. Aldus bedraagt de behoefte aan levensonderhoud van ieder der partijen € 5.218,00 netto per maand, gebaseerd op de zogenaamde “Hofnorm". Door partijen is geen behoefteberekening opgesteld.
6. De man geniet inkomen in Duitsland en is derhalve niet in Nederland belastingplichtig. Partijen hebben derhalve gerekend met diens netto-inkomen. Voor de scheiding bedroeg dit inkomen € 8.000,00 per maand. Na de echtscheiding zal dit inkomen, als gevolg van een wijziging in de belastingtariefklasse dalen tot € 7.300,-- netto per maand. De vrouw heeft een netto arbeidsinkomen van € 2.200 per maand. De totale financiële behoefte na echtscheiding aan een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bedraagt € 3.000,00 netto per maand. Deze gegevens zijn voor partijen uitgangspunt geweest bij de vaststelling van de alimentatieverplichtingen. Op basis van die inkomsten en ieders huidige lasten, hebben partijen hun beider draagkracht en behoefte vergeleken, waarbij er tevens een jus-berekening is opgesteld.
(…)
Artikel 1: Partneralimentatie Pro
1.1.
Met ingang van 1 januari 2021 zal de man bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.050,00 bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling per maand aan haar zal
worden voldaan. Dat bedrag zal jaarlijks worden verhoogd met de wettelijke indexering, zoals bedoeld is in artikel 1:402a BW, voor het eerst met ingang van 1 januari 2022.
1.2.
De vrouw verplicht zich jegens de man om haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te
verlenen aan al hetgeen noodzakelijk is teneinde te bewerkstelligen dat de door de man aan haar
te betalen partneralimentatie in Duitsland fiscaal in aftrek te brengen en alle daarvoor noodzakelijke
documenten te ondertekenen.
(…)”
In het ouderschapsplan hebben partijen over de kinderalimentatie de volgende afspraken opgenomen.

Artikel 7 Kinderalimentatie Pro/ Verdeling bijzondere kosten
7.1.
Kosten van de kinderen
Partijen hebben de behoefte van de kinderen vastgesteld op € 1.500,00 per maand (derhalve een
bedrag ad € 500,00 per kind per maand). Deze behoefte is gebaseerd op een laatst genoten netto
gezinsinkomen ad € 10.211,00 per maand.
7.2.
Kinderalimentatie/ bijdrage jong meerderjarige
Met ingang van 1 januari 2021 zal de man maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van (de verzorging en opvoeding van) de kinderen betalen een bedrag ad € 500,00 per kind per maand voldoen.
7.3.
Indexering alimentatie
Deze alimentatie is met ingang van 1 januari 2022 onderworpen aan de wettelijke indexering als
bedoeld in artikel 1:402a BW
7.4.
Meerderjarigheid
Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt tot aan het 21ste jaar wordt de hierboven
vermelde alimentatie in beginsel betaald aan het kind zelf, tenzij het kind nog inwonend is en/of ermee instemt dat de alimentatie aan de verzorgende ouder wordt betaald. Op dit moment hebben de
kinderen aangegeven in te stemmen met betaling aan de vrouw.
7.5.
Kosten na 21 jaar
De ouders zijn overeengekomen dat de (hierboven benoemde) op de man rustende alimentatieplicht
ten behoeve van de respectievelijke kinderen maximaal voortduurt tot het moment dat het kind de
leeftijd 25 jaar bereikt en hij/zij met goed gevolg een studie volgt. Bij het definitief afbreken/afronden van studie eindigt de alimentatieplicht t.b.v. het desbetreffende kind dus ook als de 25-jarige leeftijd
nog niet is bereikt.
7.6.
Bijzondere kosten
Zolang zij de hierboven vastgestelde kinderalimentatie ten behoeve van een kind ontvangt voldoet de
vrouw, naast de normale dagelijkse kosten, onder meer de ziektekostenverzekering, de kosten van
telefonie en bijvoorbeeld tentamentraining. Zodra een kind de vastgestelde alimentatie zelf ontvangt
wordt het geacht zelf voor die kosten zorg te dragen.
Grote kosten, zoals bijvoorbeeld collegegeld, rijlessen en rij-examen voor Florine, schoolexcursies en
bijlessen zullen door partijen bij helfte worden gedragen.”
3.5.
De man is [in] 2023 een geregistreerd partnerschap aangegaan met de moeder van [de minderjarige] . Zij heeft nog twee kinderen, die niet bij haar wonen en die inmiddels meerderjarig zijn en studeren.

4.Het geschil

4.1.
De man heeft op 25 november 2024 een verzoekschrift tot wijziging van de partneralimentatie ingediend en verzocht de alimentatie met ingang van 1 juni 2024, dan wel 25 september 2024, op nihil te stellen. De vrouw heeft op 21 januari 2025 bij voorwaardelijk zelfstandig verzoek gevraagd de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2023 te verhogen naar € 3.006,- bruto per maand.
4.2.
De rechtbank heeft de partneralimentatie bij beschikking van 4 juli 2025 gewijzigd en bepaald dat de partneralimentatie vanaf de datum van de beschikking € 1.064,- netto per maand bedraagt. Bij herstelbeschikking van 30 september 2025 heeft de rechtbank die beslissing verbeterd en bepaald dat de partneralimentatie € 722,- netto per maand bedraagt.
4.3.
De vrouw is het met deze beslissing niet eens en zij is daarvan met zeven grieven in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof de beschikkingen van de rechtbank te vernietigen en de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze af te wijzen. Daarnaast verzoekt zij het hof na wijziging van haar verzoek, kort samengevat, om de man te veroordelen op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dan wel de artikelen 194 en 195 Rv nadere bewijsstukken te overleggen, haar een termijn te gunnen van zes weken om een deskundige de stukken van de man te laten beoordelen en te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2023 een bijdrage moet voldoen in haar levensonderhoud van € 3.619,- bruto per maand.
4.4.
De man voert verweer en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel dit af te wijzen. Hij komt op zijn beurt zelfstandig met vijf grieven in hoger beroep. Hij verzoekt de (herstel)beschikking van de rechtbank te vernietigen en de partneralimentatie met ingang van [datum] 2023 op nihil, althans op een lager bedrag dan € 722,- netto per maand, te stellen en te bepalen dat de vrouw binnen twee weken de te veel betaalde alimentatie vermeerderd met de wettelijke rente moet terugbetalen. Daarnaast verzoekt de man na wijziging van zijn verzoek te bepalen dat de vrouw op grond van de artikelen 22, 194 en 195 Rv gehouden is inzage te geven in stukken met betrekking tot haar erfenissen en vermogen onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) waarop de vrouw hier niet aan voldoet.
4.5.
De vrouw voert hiertegen verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn zelfstandig hoger beroep.

5.De overwegingen voor de beslissing

In het hoger beroep
5.1.
Het hof acht het hoger beroep van de vrouw gegrond. Het hof zal daarom de beschikkingen van de rechtbank vernietigen en het inleidend verzoek van de man alsnog afwijzen. Het hof legt dit oordeel hierna uit.
Wijziging van omstandigheden
5.2.
Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.3.
De man stelt dat zich een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro heeft voorgedaan. Dat betekent dat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
5.4.
De vraag is vervolgens of de gestelde wijziging van omstandigheden relevant is, in die zin dat de overeenkomst betreffende het levensonderhoud daardoor niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is, op grond van het volgende.
5.5.
De man beroept zich in de eerste plaats op het feit dat zijn inkomen in 2023 is verlaagd in verband met ziekte en omdat zijn werkgever op dat moment financiële problemen had, waardoor zijn salaris niet volledig werd uitbetaald. Het hof is van oordeel dat dit geen relevante wijziging van omstandigheden is op grond waarvan de partneralimentatie op dit moment niet aan de wettelijke maatstaven zou voldoen. Op het moment dat het wijzigingsverzoek is ingediend, maar ook op de door de man verzochte ingangsdatum van
[datum] 2023, lagen deze omstandigheden al in het verleden. De man was ziek tot en met juli 2023. Vanaf augustus 2023 was hij weer volledig aan het werk en sindsdien krijgt dus zijn volledige salaris weer uitbetaald. Van insolventie van de werkgever was [in] 2023 ook geen sprake meer. Het inkomen van de man was op dat moment al hersteld. Dit is dus geen relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de alimentatie gewijzigd kan worden.
5.6.
De man beroept zich vervolgens op het feit dat hij een geregistreerd partnerschap is aangegaan en in gezinsverband is gaan samenwonen met [de minderjarige] en haar moeder. Volgens de man brengt dit met zich dat de behoefte van [de minderjarige] hoger is geworden, zodat zijn aandeel in de kosten van haar verzorging en opvoeding hoger is. Het hof is van oordeel dat het aangaan van een geregistreerd partnerschap op zichzelf geen relevante wijziging van omstandigheden is. De man heeft de financiële consequenties hiervan ook niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank Gelderland heeft bij het berekenen van de behoefte van [de minderjarige] en daarmee bij het vaststellen van de bijdrage van de man in de kosten van [de minderjarige] rekening gehouden met de kosten van kinderopvang. Verder heeft de rechtbank de volledige behoefte van [de minderjarige] ten laste van de man gebracht. De man heeft niet gesteld dat er op dit moment nog kosten voor kinderopvang zijn. De man heeft op de zitting verklaard dat hij bovendien ‘Kindergeld’ uit Duitsland ontvangt voor [de minderjarige] . Dat de behoefte van [de minderjarige] hoger is geworden dan waar de rechtbank Gelderland van is uitgegaan, is dan ook niet aannemelijk gemaakt.
5.7.
De man stelt verder dat hij meer is gaan betalen voor de meerderjarige kinderen van partijen en dat hij daardoor minder draagkracht heeft voor partneralimentatie. Dit wordt door de vrouw gemotiveerd betwist. Het hof is van oordeel dat de bijdrage voor de kinderen van partijen geen relevante wijziging van omstandigheden is. De man stelt immers dat hij € 620,- per kind per maand betaalt voor de jongste twee kinderen en € 500,- per maand voor de oudste en dat hij daarnaast € 110,- per kind per maand opzij zet voor collegegeld. Op grond van de afspraken in het ouderschapsplan moet de man door de indexering op dit moment al € 641,96 betalen. In 2025 was dat € 613,73. Daarnaast is de man op grond van de afspraken in het ouderschapsplan gehouden de helft van het collegegeld van de kinderen te betalen. Het collegegeld bedroeg volgens de man € 2.601,-. Het aandeel van de man hierin komt dan afgerond op € 110,- per maand. De bijdrage van de man aan de kinderen is daarmee in overeenstemming met het ouderschapsplan en geen relevante wijziging van omstandigheden. Daar komt bij dat de man voor het oudste kind van partijen volgens de afspraken in het ouderschapsplan, gelet op zijn leeftijd van 26 jaar, niet langer gehouden is een bijdrage te betalen. Dat de man daar wel voor kiest, mag niet ten nadele van zijn onderhoudsverplichting voor de vrouw komen.
5.8.
De rechtbank heeft het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering aangemerkt als een relevante wijziging van omstandigheden. In hoger beroep is echter gebleken dat de polis die in eerste aanleg is overgelegd geen arbeidsongeschiktheids-verzekering is, maar een pensioenverzekering. De arbeidsongeschiktheidsverzekering is pas op 1 december 2025 ingegaan en de premie daarvan is geen € 400,- per maand maar € 142,29 per maand. Het hof is van oordeel dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering onder deze omstandigheden geen relevante wijziging van omstandigheden oplevert. De man kan deze premie uit zijn vrije ruimte voldoen.
5.9.
De vraag die dan nog resteert, is of de pensioenverzekering die is aangegaan per 1 april 2025 met een premieverplichting van € 400,- per maand een relevante wijziging van omstandigheden is. Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. De man heeft op de zitting verklaard dat hij deze verzekering heeft afgesloten in verband met een pensioengat dat is ontstaan omdat hij in Duitsland is gaan werken en daarom geen aanspraak kan maken op een volledige AOW-uitkering in Nederland. Desgevraagd heeft de man verklaard dat dit pensioengat al is ontstaan tijdens zijn huwelijk. Omdat de man er tijdens het huwelijk niet voor gekozen heeft om een aanvullende verzekering af te sluiten, is het hof van oordeel dat deze verzekering niet ten laste van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw mag komen en dus niet kan gelden als een relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de partneralimentatie gewijzigd moet worden.
5.10.
De man heeft niets gesteld over andere relevante wijzigingen van omstandigheden die tot wijziging van de partneralimentatie kunnen leiden. Dat betekent dat het hof de beschikking van de rechtbank zal vernietigen en het inleidende verzoek van de man alsnog zal afwijzen.
5.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie te verhogen. De vrouw heeft immers zelf geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd die tot wijziging van de partneralimentatie kunnen leiden. De vrouw heeft daarom ook geen belang bij de stukken van de man waarvan zij gevraagd heeft hem te veroordelen deze over te leggen. Het hof zal de verzoeken van de vrouw in zoverre dan ook afwijzen.
In het zelfstandig hoger beroep
5.12.
Het hof komt niet toe aan de grieven in het zelfstandig hoger beroep van de man. Deze grieven zien op de ingangsdatum, de behoeftigheid en de draagkracht. Daar komt het hof pas aan toe bij een relevante wijziging van omstandigheden. Zoals hiervoor is overwogen, doet die situatie zich niet voor.

6.Beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 4 juli 2025, hersteld bij beschikking van 30 september 2025, en opnieuw recht doende:
wijst de verzoeken van partijen in het hoger beroep en het zelfstandig hoger beroep af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.