Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2900

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
21-000038-26
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77h SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zedenzaak leidt tot geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, nadat de Hoge Raad het eerdere arrest van het hof had vernietigd en de zaak had terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.

De zaak betreft een zedenfeit waarbij verdachte ontucht pleegde met een minderjarige toen zij 14 jaar was, tegen haar wil. Het hof constateert dat verdachte nog steeds geen schuld erkent en dat een straf noodzakelijk is om herhaling te voorkomen en een signaal af te geven aan de samenleving.

Gezien de ernst van het feit, de persoon van verdachte en zijn eerdere detentie voor andere strafbare feiten, legt het hof een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen op met een proeftijd van één jaar. De opgelegde straf is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en houdt rekening met het voorarrest.

De schadevergoedingsmaatregel blijft ongewijzigd, en de straf is gebaseerd op diverse artikelen uit het Wetboek van Strafrecht die op het moment van het feit van kracht waren.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen met een proeftijd van één jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000038-26
Uitspraakdatum: 24 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2024 met parketnummer 16-002629-22 in de strafzaak tegen
gewezen - na partiële terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 januari 2026 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2024 met parketnummer 16-002629-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

De zaak is partieel teruggewezen door de Hoge Raad. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof voor de terugwijzing, te weten 20 november 2024 en daarna, te weten 24 april 2026, het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 89 voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.G.C. van Riet, hebben aangevoerd.

De procedure

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 19 maart 2024 voor het primair tenlastegelegde feit veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen, namelijk tot € 3.000,- en voor het overige afgewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft bij arrest van 4 december 2024 het vonnis van de rechtbank vernietigd, verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige afgewezen.
De Hoge Raad heeft op 6 januari 2026 het arrest van het hof vernietigd, uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met uitsluiting van de schadevergoedingsmaatregel, en de zaak teruggewezen naar het hof om de zaak ten aanzien van de straf opnieuw te berechten en af te doen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over de straf dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover het ziet op de strafoplegging en doet opnieuw recht.

Oplegging van straf

Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en de raadsvrouw van verdachte, mr. M.G.C. van Riet. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Deze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:
Het hof stelt vast dat in het geval van verdachte al eerder bewezen is verklaard dat sprake is van ontucht met [slachtoffer] toen zij 14 jaar was, tegen haar zin. Dat is een strafbaar feit. Dat zij daar last van heeft gehad dat is gebleken. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat er ook na zoveel jaar een straf moet volgen. Het Nederlandse strafrecht kent verschillende strafdoelen. Enerzijds moet de straf voorkomen dat verdachte nogmaals een dergelijk feit zal plegen, anderzijds is de straf ook een signaal naar de buitenwereld dat dit soort gedrag niet kan. In zijn algemeenheid past een rechterlijk pardon slecht bij zedenfeiten. Dat geldt in deze zaak nog meer, omdat op de zitting is gebleken dat verdachte nog altijd vindt dat hij niks verkeerd heeft gedaan. Het hof gaat dus voorbij aan het verzoek van de raadsvrouw om geen straf op te leggen.
Als wordt gekeken naar wat passend is in dergelijke zaken, dan wordt er vaak een aantal maanden jeugddetentie opgelegd. Het hof maakt zich zorgen over de levensloop van verdachte en wat zich daarin heeft afgespeeld. Verdachte heeft lang vastgezeten in het kader van andere strafbare feiten. Tegelijkertijd ziet het hof ook dat verdachte eindelijk vrij is en met de reclassering aan de slag is. Het hof zal verdachte een geheel voorwaardelijke straf opleggen en acht een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen met een proeftijd van een jaar en met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het ziet op de strafoplegging en doet opnieuw recht;

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. M.B. de Wit en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 april 2026.
Mr. R. Godthelp is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.