ECLI:NL:GHARL:2026:290

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.360.872/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige met ernstige ontwikkelingsbedreigingen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige1], geboren in 2013. De rechtbank Noord-Nederland had eerder besloten om [minderjarige1] onder toezicht te stellen tot 10 oktober 2026, vanwege ernstige zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Ondanks dat [minderjarige1] weer bij haar moeder woont, oordeelt het hof dat de bedreigingen voor haar ontwikkeling nog steeds aanwezig zijn. De moeder heeft in het verleden geweigerd om samen te werken met hulpverleners, wat de situatie van [minderjarige1] verder compliceert. Het hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen en komt tot de conclusie dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank, maar het hof bevestigt de eerdere beslissing en bekrachtigt de ondertoezichtstelling. Het hof benadrukt het belang van de ontwikkeling van [minderjarige1] en de noodzaak van samenwerking met hulpverleners om haar situatie te verbeteren.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.872/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201745
beschikking van 20 januari 2026
over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R.W. de Gruijl in Rotterdam
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden
en
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI)
die is gevestigd in Leeuwarden
en
[bijzondere curator]
in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [minderjarige1]
die is gevestigd in [plaats1] .

1.Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft, voor zover in deze procedure van belang, [minderjarige1] onder toezicht gesteld tot 10 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft met [naam1] (de vader) een kind: [minderjarige1] . [minderjarige1] is [in] 2013 geboren. De relatie van de vader en de moeder is kort na de geboorte van [minderjarige1] verbroken. [minderjarige1] is bij de moeder blijven wonen.
2.2.
De moeder en de vader hebben het gezamenlijk gezag op 18 februari 2013 laten aantekenen in het gezagsregister. De ouders hebben na hun relatiebreuk een lange (juridische) strijd gevoerd over [minderjarige1] . [minderjarige1] heeft daarom van 7 maart 2018 tot 20 augustus 2019 onder toezicht gestaan van de GI. De rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2020 de moeder alleen met de uitoefening van het gezag over [minderjarige1] belast. [minderjarige1] heeft sinds 2020 geen contact meer met de vader. Zij heeft ook geen contact met haar twee jongere halfbroertjes en haar jongere halfzusje van vaderskant.
2.3.
De moeder heeft met [naam2] (de stiefvader) twee kinderen: [minderjarige2] en [minderjarige3] . [minderjarige2] is geboren [in] 2019 en [minderjarige3] is geboren [in] 2020. De stiefvader en de moeder zijn in november 2022 uit elkaar gegaan. [minderjarige1] heeft sinds 2024 geen contact meer met de stiefvader. [minderjarige2] en [minderjarige3] staan sinds 12 juni 2024 onder toezicht van de GI. Door een beslissing van de rechtbank wonen zij sinds april 2025 bij hun vader.
2.4.
[minderjarige1] is op 10 juli 2025 opnieuw (voorlopig) onder toezicht gesteld van de GI. Op
11 juli 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] verleend en op 12 juli 2025 is zij door de GI uit huis geplaatst in een pleeggezin. Enkele dagen later is [minderjarige1] met machtiging van de kinderrechter overgeplaatst naar een gezinshuis, waar zij op 11 augustus 2025 is weggelopen. De politie heeft vervolgens zoekacties uitgevoerd. [minderjarige1] is tien dagen vermist geweest. Op 20 augustus 2025 heeft de moeder [minderjarige1] verblijfplaats bekendgemaakt. [minderjarige1] is vervolgens bij een tante van moederskant ondergebracht. Van 30 augustus 2025 tot 9 oktober 2025 heeft [minderjarige1] bij de moeder van een vriendin verbleven.
2.5.
Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft het hof drie beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank tot (spoed)uithuisplaatsing van [minderjarige1] vernietigd. Naar aanleiding daarvan heeft de GI [minderjarige1] op 9 oktober 2025 thuis bij de moeder geplaatst. In de thuissituatie is gedurende twintig dagen Ambulante Spoedhulp (ASH) van Jeugdhulp Friesland ingezet.
2.6
De raad heeft de rechtbank op 15 oktober 2025 bericht dat zijn verzoek om [minderjarige1] voor de duur van een jaar uit huis te plaatsen binnen het netwerk wordt gehandhaafd. De GI heeft de rechtbank een dag later geadviseerd dit verzoek van de raad af te wijzen. De raad heeft op 30 oktober 2025 het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] ingetrokken.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft, voor zover nu nog van belang, verzocht [minderjarige1] onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2.
De rechtbank heeft dat verzoek van de raad toegewezen en [minderjarige1] onder toezicht van de GI gesteld tot 10 oktober 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank om [minderjarige1] onder
toezicht te stellen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de raad alsnog afwijst.
4.2.
De raad en de GIwillen dat de beslissing tot ondertoezichtstelling van [minderjarige1] in stand blijft. De vader is het met de raad en de GI eens.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, binnengekomen op 27 oktober 2025
  • het verweerschrift van de raad
  • de stukken van de moeder ingediend op 11 november 2025 en 16 december 2025
  • de stukken van de GI ingediend op 5 en 12 december 2025
  • een e-mail van de bijzondere curator van 15 december 2025.
4.4.
[minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de ondertoezichtstelling. [minderjarige1] heeft niet gereageerd. Bij navraag door het hof bleek dat [minderjarige1] de uitnodiging heeft ontvangen, maar ervoor heeft gekozen om de bijzondere curator haar mening aan het hof over te laten brengen.
4.5.
De zitting bij het hof was op 18 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door mr. V. de Roo, een kantoorgenoot van mr. De Gruijl
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • drie vertegenwoordigers van de GI, van wie mr. M. Lautenbach het woord heeft gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen
  • de bijzondere curator (online)
  • de vader (als informant).

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Net als de rechtbank en anders dan de moeder is het hof van oordeel dat aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Het hof kan zich vinden in de motivering van de rechtbank over de ondertoezichtstelling en neemt die motivering - na eigen onderzoek - over. Net als de raad, de GI en de rechtbank heeft het hof grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige1] . De ontwikkelingsbedreigingen die de rechtbank aanwezig oordeelde, bestaan nog steeds en luiden als volgt:
- [minderjarige1] krijgt en/of voelt bij de moeder onvoldoende de ruimte om een eigen identiteit,
mening en gevoelsleven te vormen;
- [minderjarige1] heeft op jonge leeftijd al meerdere verlieservaringen en heftige gebeurtenissen
meegemaakt, waaronder het ontbreken van het contact met de vader, de stiefvader, [minderjarige2] en [minderjarige3] en de plotselinge verhuizing van [minderjarige2] en [minderjarige3] naar hun vader;
- de moeder wijst alle vormen van hulp af, erkent de zorgen over de ontwikkeling van
[minderjarige1] niet en is niet (voldoende) bereid tot samenwerking, waardoor het niet mogelijk is om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige1] .
5.3
Dat [minderjarige1] kort na de bestreden beschikking weer bij de moeder thuis is geplaatst en [minderjarige2] en [minderjarige3] - door de inspanningen van de GI - inmiddels weer een paar keer heeft gezien maakt het vorenstaande niet anders. Weliswaar heeft het hof in zijn beschikking van
7 oktober 2025 de machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] vernietigd, maar het hof zag toen wel duidelijk ernstige ontwikkelingsbedreigingen voor [minderjarige1] . Het hof overwoog destijds dat er grote zorgen waren over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige1] , in het bijzonder over haar identiteitsontwikkeling. Het hof overwoog dat een patroon naar voren komt, waarbij de moeder [minderjarige1] , 12 jaar oud, belast met de hevige emoties en negatieve gevoelens die de moeder zelf ervaart. Het belang van [minderjarige1] om kind te zijn, en geen bondgenoot van de moeder, lijkt de moeder daarbij uit het oog te verliezen, aldus het hof op 7 oktober 2025. Het hof ziet dat nu, drie maanden later, nog steeds zo. De eerste bevindingen van de bijzondere curator dragen daaraan bij. De bijzondere curator heeft [minderjarige1] inmiddels een paar keer gesproken, waarvan tweemaal bij de moeder thuis. Hoewel de bijzondere curator ziet dat [minderjarige1] blij is dat zij weer bij de moeder woont en het in het dagelijkse leven (thuis, op school, met haar dieren en vriendinnen) fijn heeft, onderschrijft de bijzondere curator de zorgen van de raad en de GI over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige1] . De bijzondere curator benoemt daarbij dat het belangrijk is dat [minderjarige1] haar eigen identiteit kan ontwikkelen. Het verontrust de bijzondere curator dat [minderjarige1] heel zwart-wit denkt. Zij doet heftige uitspraken over de vader en de stiefvader en zegt dat zij absoluut nooit gaat samenwerken met de GI. [minderjarige1] is erg gericht op de moeder, die in haar ogen helemaal goed is, iets wat de bijzondere curator niet zou verwachten bij een meisje van de leeftijd van [minderjarige1] . Haar loyaliteit ligt bij de moeder en zij wijst beide vaders compleet af. In dit verband heeft het hof ook zorgen over de vele krachttermen (‘firma list en bedrog, achterbaks stuk vreten, vieze heksenjacht, machtsmisbruik’) die de moeder ter zitting gebruikte, in ieder geval richting de GI.
5.4
De moeder heeft zich de eerste weken na de thuisplaatsing weliswaar meewerkend opgesteld richting ASH, maar dat geeft het hof nog niet het vertrouwen dat zij vrijwillig gaat meewerken aan de hulpverlening die nodig is om de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige1] te verminderen, juist ook omdat de moeder die bedreiging hardnekkig blijft ontkennen. ASH heeft op 29 oktober 2025 geadviseerd monitoring en ondersteuning door middel van ambulante hulpverlening in te zetten om meer duidelijkheid en stabiliteit te creëren. Naar aanleiding van dit advies wil de GI hulp in de thuissituatie (10 voor Toekomst van het Leger des Heils) en individuele hulp voor [minderjarige1] (bij Fier) inzetten. Ook acht de GI hulpverlening vanuit MDA++ (Multi Disciplinaire Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling) nodig. Het hof acht het ook noodzakelijk dat die, of vergelijkbare, hulp wordt ingezet. Ten tijde van de zitting was het de GI nog niet gelukt om inhoudelijk met de moeder in gesprek te komen over de beoogde hulpverlening, laat staan om deze al op te starten. De GI komt moeilijk met de moeder in contact en van samenwerking is geen sprake. Het wantrouwen van de moeder in de instanties en de GI in het bijzonder is groot. De GI heeft daardoor nog niet de tijd en gelegenheid gehad om te werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Gezien de houding van de moeder tot nu toe blijft het de vraag in hoeverre zij bereid en in staat zal zijn om de samenwerking met de GI alsnog aan te gaan. Het hof acht dat echter in het belang van [minderjarige1] wel nodig. Gebleken is dat de moeder en [minderjarige1] goed contact hebben met de bijzondere curator. De bijzondere curator heeft ter zitting haar bereidheid uitgesproken om te helpen bij het verbeteren van de samenwerking binnen de ondertoezichtstelling. Het hof vindt het belangrijk dat de bijzondere curator haar opdracht, om te onderzoeken wat er nodig is om de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige1] weg te nemen, afmaakt. De bijzondere curator heeft naar eigen zeggen in deze kwestie nog lang niet kunnen doen wat zij als bijzondere curator zou willen en volgens haar ook zou moeten doen.
5.5
Daarom blijft de beslissing van de rechtbank over de ondertoezichtstelling in stand (wordt bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
2 oktober 2025 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] , geboren [in] 2013.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. Leentjes, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en C. Coster, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW