ECLI:NL:GHARL:2026:288

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.357.496/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming van een mentor voor een minderjarige met een verstandelijke beperking en neurologische problematiek

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de benoeming van een mentor voor [betrokkene], een minderjarige met een licht verstandelijke beperking en neurologische problematiek. De moeder van [betrokkene] had in eerste aanleg verzocht om haar en [belanghebbende3] als mentoren te benoemen, maar de kantonrechter had een professionele mentor, Adema Bewindvoering B.V., benoemd vanwege de verstoorde relatie tussen de ouders. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof oordeelde dat de voorkeur van [betrokkene] voor zijn moeder als mentor niet genegeerd kon worden, ondanks de zorgen van de vader over de invloed van de moeder. Het hof stelde vast dat [betrokkene] goed in staat was om zijn voorkeur kenbaar te maken en dat de moeder de hoofdverzorger was geweest. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en benoemde de moeder tot mentor, waarbij het belang van [betrokkene] voorop stond. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten droeg.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.496/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 11482130 en 11482131)
beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.H. Loos-Horstman te Drachten,
die hoger beroep heeft ingesteld in de zaak die gaat om het mentorschap over:
[betrokkene](betrokkene, hierna: [betrokkene] ),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. B. Kooi te Dokkum.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.[belanghebbende1] (de vader),

die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,

2.[belanghebbende2] ( [belanghebbende2] ),

die woont in [woonplaats1] ,

3.[belanghebbende3] ( [belanghebbende3] ),

die woont in [woonplaats1] ,

4.Adema Bewindvoering B.V. (de mentor),

die gevestigd is in Oentsjerk.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 juni 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 28 juli 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 26 augustus 2025 met bijlage(n);
- een brief van de mentor van 1 september 2025;
- het verweerschrift van de vader met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 18 november 2025 met bijlage(n);
- een brief van [belanghebbende2] van 24 november 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 18 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- [betrokkene] met zijn advocaat;
- [belanghebbende3] ;
- de mentor.

3.De feiten

3.1
[betrokkene] is het jongste kind van de vader en de moeder. [belanghebbende2] en [belanghebbende3] zijn de oudere zus en broer van [betrokkene] . [betrokkene] is met 28 weken en 5 dagen prematuur geboren [in] 2007. [betrokkene] heeft als baby een hersenbloeding gehad. Hij heeft een licht verstandelijke beperking en neurologische problematiek. [betrokkene] kan zijn belangen niet zelfstandig behartigen.
3.2
[betrokkene] woont samen met [belanghebbende2] en [belanghebbende3] bij de moeder. Het huwelijk van de vader en de moeder is op 30 juni 2020 ontbonden door echtscheiding. De verstandhouding tussen de ouders is verstoord. Op basis van een beschikking van de rechtbank van 6 april 2021 gold tussen [betrokkene] en zijn vader een zorgregeling van een weekend per twee weken. [belanghebbende2] en [belanghebbende3] hebben al jaren geen contact met de vader. [betrokkene] en de vader hebben elkaar sinds juli 2025 niet meer gezien. Zij hebben wel contact via Whatsapp.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 8 januari 2025, heeft de moeder verzocht haar en [belanghebbende3] tot bewindvoerders en mentoren over [betrokkene] te benoemen. Bij brief, bij de kantonrechter ingekomen op 14 februari 2025, heeft de moeder haar verzoek aangepast en subsidiair gevraagd om een professionele bewindvoerder en alleen [belanghebbende3] als mentor te benoemen. De vader heeft zich tegen de verzoeken van de moeder verweerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter voor onbepaalde tijd een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en om diezelfde reden een mentorschap ingesteld over [betrokkene] . Adema Bewindvoering B.V. is tot bewindvoerder en mentor benoemd.
4.2
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt de beschikking te vernietigen voor zover het de benoeming van de persoon van de mentor betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat zijzelf tot mentor over [betrokkene] wordt benoemd.
4.3
De vader is het eens met de beslissing van de kantonrechter en vindt dat deze in stand kan blijven.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Niet ter discussie staat dat voor [betrokkene] een mentorschap als bedoeld in artikel 1:450 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden ingesteld. In geschil is wie als mentor voor [betrokkene] moet worden benoemd.
5.2
Op grond van artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Volgens artikel 1:452 lid 4 BW wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene niet is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
5.3
[betrokkene] heeft op de zitting van de kantonrechter verklaard dat hij het liefste wil dat zijn moeder en [belanghebbende3] de zorgtaken voor hem doen. De kantonrechter zag in de verstoorde familieverhoudingen echter een gegronde reden om in dit geval van de voorkeur van [betrokkene] af te wijken. De kantonrechter oordeelde het in het belang van [betrokkene] om een onafhankelijke professionele mentor (en bewindvoerder) te benoemen. [betrokkene] heeft in hoger beroep zijn voorkeur voor zijn moeder (en [belanghebbende3] ) als mentor(en) herhaald.
5.4
Anders dan de kantonrechter ziet het hof geen gegronde redenen om af te wijken van de voorkeur van [betrokkene] dat zijn moeder zijn mentor wordt. [betrokkene] verblijft in het gezin van de moeder waar het goed met hem gaat en hij zich naar vermogen ontwikkelt. De moeder is tijdens [betrokkene] minderjarigheid, althans de laatste jaren daarvan, feitelijk zijn hoofdverzorger en -opvoeder geweest. De moeder weet goed wat [betrokkene] nodig heeft aan persoonlijke zorg. Zij heeft daar tot nu toe adequaat uitvoering aan gegeven. Het was altijd de moeder die contact had met de instanties en regie voerde over [betrokkene] zorg, behandelingen en begeleiding. De moeder wil dat graag voor [betrokkene] blijven doen. [belanghebbende2] en [belanghebbende3] vinden ook dat de moeder [betrokkene] mentor moet zijn. De vader heeft op de zitting bij het hof gezegd dat hij geen zorgen heeft over hoe de moeder [betrokkene] belangen van niet-vermogensrechtelijke aard in praktische zin behartigt. Het enige dat de vader zorgen baart is dat [betrokkene] sociaal tekortkomt, omdat hij nauwelijks nog contact met zijn vader en diens familie heeft. In de ogen van de vader komt dat door de invloed van de moeder. De vader vindt de moeder daarom niet geschikt om als mentor van [betrokkene] op te treden. De vader is bang dat als er geen neutrale professionele mentor is hij helemaal geen contact met en informatie over [betrokkene] meer krijgt. Tegen de achtergrond van de echtscheidingsstrijd tussen de ouders begrijpt het hof de zorgen van de vader, maar dat alleen is onvoldoende grond om van de voorkeur van [betrokkene] om zijn moeder als mentor te benoemen af te wijken. [betrokkene] is inmiddels een volwassen jongeman. Hij heeft weliswaar zijn beperkingen, maar uit de stukken en op de zitting is duidelijk naar voren gekomen dat [betrokkene] begrijpt waar de procedure over gaat en dat hij goed weet wat hij wil. [betrokkene] heeft zowel schriftelijk, mondeling als via zijn advocaat zijn mening kenbaar gemaakt aan het hof en is daarin standvastig gebleken. Overigens is het fysieke contact tussen de vader en [betrokkene] pas gestopt nadat de professionele mentor is benoemd.
5.5
Ter beantwoording van de vraag welke persoon de beschermende taak als mentor voor [betrokkene] op zich zou moeten nemen acht het hof ook het volgende van belang. Op grond van artikel 12 lid 4 van het Verdrag voor de rechten van personen met een handicap moet Nederland als verdragsstaat passende maatregelen nemen om personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven bij de uitoefening van hun handelingsbekwaamheid. Die maatregelen dienen – voor zover hier van belang – de rechten, wil en voorkeuren van de betrokkene te respecteren, proportioneel te zijn, toegesneden te zijn op de omstandigheden van de persoon in kwestie en onderworpen te zijn aan een regelmatige beoordeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of gerechtelijke instantie. De waarborgen dienen evenredig te zijn aan de mate waarin deze maatregelen van invloed zijn op de rechten en belangen van de persoon in kwestie.
5.6
De instelling van een mentorschap betreft een inbreuk op het recht van [betrokkene] om zelfstandig te beslissen. Daar dient zorgvuldig mee te worden omgegaan. De wil en voorkeuren van [betrokkene] dienen leidend te zijn in beslissingen die over [betrokkene] worden genomen. Dat door het volgen van de voorkeur van [betrokkene] ook belangen van de vader kunnen worden geraakt is niet relevant. Ook dient meegewogen te worden dat de benoeming van een professionele mentor zoals de kantonrechter heeft gedaan een grotere inmenging is in het door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden beschermde privéleven van [betrokkene] dan wanneer de moeder zijn mentor is. [betrokkene] heeft in het verleden al veel hulpverlening gehad en ook nu zijn er nog allerlei professionals bij hem betrokken. [betrokkene] heeft kenmerken van autisme en hij vindt het lastig om nieuwe mensen te vertrouwen. Daarom zorgt de benoeming van een onbekende professional als mentor in [betrokkene] geval alleen maar voor extra onrust bij hem. Daar doet niet aan af dat de door de kantonrechter benoemde externe mentor ook [betrokkene] bewindvoerder is en blijft. Het regelen van financiële zaken zal voor [betrokkene] immers minder zichtbaar zijn dan de beslissingen die over zijn persoonlijke zorg worden genomen. In de gegeven situatie, waarin een geschikte mentor binnen de familie voorhanden is die ook nog eens de voorkeur van de te beschermen betrokkene zelf heeft, acht het hof de benoeming van een professionele mentor niet proportioneel en passend.
5.7
De moeder heeft op de zitting toegezegd dat zij in haar rol als mentor bereid is de vader van informatie over [betrokkene] te voorzien voor zover [betrokkene] daarmee akkoord is. Het hof gaat ervan uit dat de moeder zich aan die toezegging houdt.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, om praktische redenen vernietigen per heden en beslissen als volgt.
6.2
Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 juni 2025 met ingang van heden en in zoverre opnieuw beschikkende:
benoemt tot mentor over [betrokkene] , geboren [in] 2007, [verzoekster] , die woont in [woonplaats1] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. C. Koopman en
mr. E. Leentjes, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.