Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2822

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.364.641/01 en 200.364.641/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 7 lid 1 Brussel II-terartikel 1:255 lid 1 onder a en b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling vier minderjarige kinderen ondanks hoger beroep moeder

De kinderrechter heeft vier minderjarige kinderen onder toezicht gesteld tot 26 juli 2026 vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen en onvoldoende medewerking van de ouders aan vrijwillige hulpverlening. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en dat Nederlands recht van toepassing is. Het verzoek tot schorsing van de moeder wordt ingetrokken, waardoor zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in dat verzoek.

De moeder stelde dat de ondertoezichtstelling ten onrechte is uitgesproken omdat de termijn van de voorlopige ondertoezichtstelling was verstreken. Het hof volgt dit niet en stelt dat aansluiting van termijnen niet wettelijk verplicht is. Het hof bevestigt dat de kinderen terecht onder toezicht zijn gesteld vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling, waaronder emotionele onvoorspelbaarheid en zorgen over fysieke veiligheid, mede door mogelijke mishandeling door beide ouders.

Verder is er sprake van een verstoorde relatie tussen de ouders, die de kinderen emotioneel belast. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende omdat de ouders niet samenwerken. Het hof acht de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De moeder's betoog dat de maatregel averechts werkt en strijdig is met het Verdrag van Istanbul wordt verworpen.

De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de vier minderjarige kinderen en verklaart het schorsingsverzoek van de moeder niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.364.641/01 en 200.364.641/02
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 154608
beschikking van 7 mei 2026
over de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige1]en
[de minderjarige2]en
[de minderjarige3]en
[de minderjarige4]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. S.M. Wolfert,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen,
en
[belanghebbende](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. K.J. Kanning,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
locatie Assen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] onder toezicht gesteld tot 26 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn met elkaar getrouwd in Rusland.
2.2.
Zij hebben vier kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2016 in Rusland;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 in Rusland;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2021 in Rusland;
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2024 in Nederland.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.4.
Sinds 2022 verblijven de ouders met de kinderen in Nederland.
2.5.
In april 2025 zijn de ouders feitelijk uit elkaar gegaan. Bij de rechtbank loopt een procedure over het verzoek tot het uitspreken van de echtscheiding.
2.6.
Op 26 oktober 2025 heeft de kinderrechter de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van diezelfde datum tot 26 januari 2026.
Daarnaast heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder, met ingang van diezelfde datum tot 23 november 2025.
2.7.
Op 5 november 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder tot 26 januari 2026.
2.8.
Bij beschikking van 26 januari 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen voor de duur van de echtscheidingsprocedure worden toevertrouwd aan de moeder.
2.9.
De vader heeft één keer per week gedurende één uur begeleide omgang met alle vier de kinderen tegelijk.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter op 23 december 2025 verzocht de kinderen onder toezicht te stellen voor een jaar. Ook heeft de raad verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de kinderen bij een ouder met gezag (de moeder) voor een ouderschapsbeoordeling in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van zes maanden.
3.2.
De kinderrechter heeft:
- de kinderen onder toezicht gesteld voor de periode van een half jaar, tot 26 juli 2026;
- beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard);
- de behandeling van het verzoek tot een ondertoezichtstelling voor de resterende periode aangehouden tot een nader te bepalen zitting;
- het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.
3.3.
Deze beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 26 januari 2026, die is hersteld in een beschikking van 29 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de ondertoezichtstelling van de kinderen. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de ondertoezichtstelling ongedaan maakt. Verder wil zij dat de beslissing van de kinderrechter over de ondertoezichtstelling voor de duur van het hoger beroep niet wordt uitgevoerd (wordt geschorst).
4.2.
De raadis het eens met de beslissing van de kinderrechter en wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De vader en de GIwillen ook dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 2 februari 2026;
  • de stukken van de moeder, ingediend op 26 februari 2026;
  • het verweerschrift van de raad.
4.5.
[de minderjarige1] heeft op 7 april 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de ondertoezichtstelling.
4.6.
De zitting bij het hof was op 8 april 2026 in Zwolle. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat en een tolk in de Engelse taal;
  • de vader met mr. M.A.E. Dekens (waarnemer voor mr. Kanning) en een tolk in de Russische taal;
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

* Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De moeder, de vader en de kinderen hebben de Russische nationaliteit. Daarom moet het hof de vraag beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen.
5.2.
Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe en kan het hof dus op het verzoek tot ondertoezichtstelling beslissen [1] .
5.3.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaak. De kinderrechter heeft op het verzoek Nederlands recht van toepassing geacht. Nu tegen dit oordeel in hoger beroep geen bezwaar is gemaakt, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.
* In de zaak met zaaknummer 200.364.641/02 (het schorsingsverzoek)
5.4.
Ter zitting heeft de moeder haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking ingetrokken. Het hof zal de moeder daarom
niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
* In de zaak met zaaknummer 200.364.641/01 (de hoofdzaak)
Termijnen van de voorlopige ondertoezichtstelling en de ondertoezichtstelling
5.5.
De moeder heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de kinderrechter ten onrechte de ondertoezichtstelling heeft uitgesproken omdat de termijn van de voorlopige ondertoezichtstelling al was verstreken.
Het hof volgt de moeder niet in dit standpunt. Weliswaar is het wenselijk dat de termijn van de ondertoezichtstelling aansluit op de termijn van de voorlopige ondertoezichtstelling, maar dit is geen wettelijke verplichting. In dit geval was de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor de termijn tot en met 25 januari 2026. Vervolgens is op 26 januari 2026 de ondertoezichtstelling uitgesproken. Volgens de advocaat van de moeder was op die dag ’s ochtends de betreffende beschikking van de kinderrechter nog niet gegeven en is dit pas ’s middags gebeurd. Wat daarvan echter ook zij, het staat niet aan de verlening van de ondertoezichtstelling in de weg.
De wettelijke beoordelingscriteria voor een ondertoezichtstelling
5.6.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [2] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.7.
Het hof is van oordeel dat de kinderen terecht onder toezicht zijn gesteld.
5.8.
De kinderen werden en worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Het hof deelt de visie van de raad dat de kinderen zijn opgegroeid in een emotioneel onvoorspelbare omgeving met emotioneel onvoldoende beschikbare ouders. Bovendien zijn er, ook op basis van wat de kinderen zelf aan verschillende professioneel betrokkenen hebben verteld, ernstige zorgen over hun fysieke veiligheid. Beide ouders worden in verband gebracht met mishandeling van de kinderen. Dit vormt een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, die nader onderzocht zal moeten worden.
5.9.
Bovendien is er tussen de ouders sprake van veel spanning, strijd en wantrouwen. Het hof is, anders dan de moeder heeft gesteld, van oordeel dat de moeder onvoldoende in staat is de kinderen buiten deze strijd tussen de ouders te houden. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is verklaard, blijkt dat de kinderen worden belast met en betrokken worden bij volwassenzaken en de ex-partnerproblematiek tussen de ouders, waardoor hun loyaliteits- en veiligheidsgevoelens sterk onder druk staan.
5.10.
Het hof is het dan ook eens met het oordeel van de kinderrechter dat er niet alleen ernstige, concrete ontwikkelingsbedreigingen zijn over het contact tussen de vader en de kinderen, maar over het opvoedershandelen van beide ouders, de verstoorde relatie en communicatie tussen de ouders en het effect hiervan op de kinderen.
5.11.
Deze ernstige ontwikkelingsbedreigingen kunnen, anders dan de moeder heeft betoogd, niet worden weggenomen met hulpverlening in het vrijwillig kader. De moeder stelt dat zij deze hulpverlening wel accepteert, maar het hof acht de ouders onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid samen de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen. Er is sprake van een zeer verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Zij communiceren niet met elkaar en staan lijnrecht tegenover elkaar, ook over de vraag wat de kinderen nodig hebben.
Verder is gebleken dat de vader meer en onbegeleide omgang wil met de kinderen. Dit terwijl de moeder zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat het afdoende is wanneer in het kader van de nog lopende echtscheidingsprocedure door de rechtbank een beslissing wordt genomen over de zorgregeling. De standpunten van de ouders over de gewenste zorgregeling liggen ver uit elkaar. Eén van beide ouders zal het dus in elk geval niet eens zijn met de zorgregeling, waardoor de kans groot is dat de strijd hierover tussen de ouders onverminderd aanwezig zal blijven. Het hof acht dan ook het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling en daarmee regievoering door de GI noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen.
5.12.
De moeder heeft verder nog gesteld dat als al voldaan is aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling, de ondertoezichtstelling of de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de maatregel, een averechts effect heeft. De reden hiervan is volgens de moeder dat de raad het gedrag van de vader vergoelijkt en zich te eenzijdig op de moeder richt. Naar de mening van de moeder is dit in strijd met de ratio van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het Verdrag van Istanbul).
Het hof volgt de moeder hierin niet. Zowel in het raadsrapport als tijdens de zitting zijn door de raad (en de GI) niet alleen over de moeder maar ook over de vader ernstige zorgen geuit. Het hof is van oordeel dat juist gelet op de ratio van het Verdrag van Istanbul de maatregel van een ondertoezichtstelling in dit geval passend is. De ouders verschillen van mening of er (kinder)mishandeling heeft plaatsgevonden en zo ja door wie. In het kader van de ondertoezichtstelling zal er nu, zo heeft de GI tijdens de zitting verklaard, een onderzoek worden gestart naar aanleiding van de zorgen hierover. De maatregel van de ondertoezichtstelling is dus juist in het belang van de bescherming van de kinderen noodzakelijk.
5.13.
De beslissing van de kinderrechter zal dus in stand blijven (worden bekrachtigd) voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (de beslissing over de ondertoezichtstelling).

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.364.641/02 (het schorsingsverzoek)
6.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 26 januari 2026 (hersteld bij beschikking van 29 januari 2026);
in de zaak met zaaknummer 200.364.641/01 (de hoofdzaak)
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 26 januari 2026 (hersteld bij beschikking van 29 januari 2026), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, L. van Dijk en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.

Voetnoten

1.artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter
2.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW