De kinderrechter heeft vier minderjarige kinderen onder toezicht gesteld tot 26 juli 2026 vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen en onvoldoende medewerking van de ouders aan vrijwillige hulpverlening. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en dat Nederlands recht van toepassing is. Het verzoek tot schorsing van de moeder wordt ingetrokken, waardoor zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in dat verzoek.
De moeder stelde dat de ondertoezichtstelling ten onrechte is uitgesproken omdat de termijn van de voorlopige ondertoezichtstelling was verstreken. Het hof volgt dit niet en stelt dat aansluiting van termijnen niet wettelijk verplicht is. Het hof bevestigt dat de kinderen terecht onder toezicht zijn gesteld vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling, waaronder emotionele onvoorspelbaarheid en zorgen over fysieke veiligheid, mede door mogelijke mishandeling door beide ouders.
Verder is er sprake van een verstoorde relatie tussen de ouders, die de kinderen emotioneel belast. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende omdat de ouders niet samenwerken. Het hof acht de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. De moeder's betoog dat de maatregel averechts werkt en strijdig is met het Verdrag van Istanbul wordt verworpen.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.