Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2786

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
200.365.249
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling jongste twee kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter heeft de jongste twee kinderen van de moeder onder toezicht gesteld tot 20 november 2026 vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep, stellende dat de kinderen zich goed ontwikkelen en dat vrijwillige hulpverlening volstaat.

Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting gehouden waarbij de moeder, haar advocaat, de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De raad en de GI maken zich zorgen over het psychisch welzijn van de moeder, haar emotionele beschikbaarheid en het risico op herhaling van eerdere problemen die ook bij de oudere kinderen tot uithuisplaatsing hebben geleid.

Hoewel de moeder meewerkt en een traumabehandeling volgt, weigert zij de aanbevolen schematherapie te starten. De woonsituatie is onzeker en de IMH-behandeling is recent gestart. Het hof oordeelt dat de situatie nog te kwetsbaar is om de ondertoezichtstelling te beëindigen en wijst het beroep van de moeder af. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de jongste twee kinderen tot 20 november 2026 wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.249
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601660
beschikking van 7 mei 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige6] en [de minderjarige7]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. J.J.C. Engels
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Eindhoven regio Midden Nederland
die is gevestigd in Utrecht
en
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige6] en [de minderjarige7] onder toezicht gesteld tot 20 november 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft zeven kinderen: [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige5] , [de minderjarige6] en [de minderjarige7] .
2.2.
[de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] staan onder toezicht van de GI en wonen in pleeggezinnen.
2.3.
Deze procedure gaat alleen over de jongste twee kinderen van de moeder: [de minderjarige6] en [de minderjarige7] (zij worden hierna samen ook ‘de kinderen’ genoemd). Zij zijn geboren [in] 2025.
2.4.
De moeder heeft het gezag over de kinderen. De (biologische) vader heeft de kinderen niet erkend.
2.5.
De kinderen wonen bij de moeder.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft verzocht de kinderen onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen en de kinderen onder toezicht gesteld tot 20 november 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 20 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Als het hof dit niet in het belang van de kinderen vindt, dan wil de moeder dat de ondertoezichtstelling voor zes maanden wordt uitgesproken, tot 20 mei 2026.
4.2.
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 20 februari 2026
  • het verweerschrift van de raad
  • de stukken van de raad ontvangen op 17 maart 2026
4.4.
De zitting bij het hof was op 24 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met mr C. Güzel, als waarnemer voor mr. Engels
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Standpunten
5.2.
De moeder vindt dat niet is voldaan aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling. Volgens de moeder is er geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige6] en [de minderjarige7] . Zij ontwikkelen zich goed. De door de raad geschetste zorgen zien volgens de moeder alleen op het verleden. Deze zorgen kunnen volgens de moeder worden weggenomen met hulpverlening in het vrijwillige kader. De moeder staat hiervoor open. Het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling is volgens de moeder dan ook niet nodig.
5.3.
Volgens de raad is er wel sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De raad maakt zich zorgen om het psychisch welzijn van de moeder en haar emotionele beschikbaarheid. De zorgen die eerder zijn gesignaleerd bij de vijf oudere kinderen van de moeder, die uithuisgeplaatst zijn, worden door de moeder gebagatelliseerd. Volgens de raad lijkt de moeder onvoldoende te reflecteren op het verleden en is het risico op herhaling van eerdere problemen groot. De raad maakt zich ook zorgen om de wisselende en onveilige relaties van de moeder. De moeder heeft op dit moment geen contact met de vader van [de minderjarige6] en [de minderjarige7] , maar hij is wel aanwezig geweest bij de bevalling. Het is volgens de raad van belang dat er duidelijkheid ontstaat over de rol van de vader van [de minderjarige6] en [de minderjarige7] in het leven van de kinderen en over de veiligheid van de opvoedomgeving. Volgens de raad biedt het vrijwillig kader onvoldoende waarborgen om de zorgen weg te nemen. De raad vindt dat de moeder ook deze zorgen bagatelliseert. De noodzakelijk gevonden schematherapie om patronen te doorbreken, is door de moeder nog niet gestart. Ook de afspraken met het netwerk van de moeder moeten nog worden vormgegeven. De raad vreest dat bij het wegvallen van een juridisch kader het patroon dat al jarenlang in de gezinssituatie van de moeder zichtbaar is, zich herhaalt en de moeder vanuit onmacht en onvoldoende probleembesef de noodzakelijke hulpverlening niet langer aangaat. Daarom vindt de raad dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.
5.4.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat de moeder goed meewerkt en dat ze haar best doet. De GI ziet dat de moeder een ontwikkeling heeft doorgemaakt als het gaat om het één op één contact met de kinderen. De GI maakt zich wel zorgen om de emotionele beschikbaarheid van de moeder in het contact met meerdere kinderen tegelijkertijd. De GI vindt het noodzakelijk dat de moeder schematherapie gaat volgen, zodat voorkomen kan worden dat het in de toekomst weer misgaat. Ook moet de ingezette IHM-behandeling (Infant Mental Health) afgerond worden.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
De kinderrechter heeft de kinderen op goede gronden onder toezicht gesteld.
5.6.
De moeder is kwetsbaar en heeft in het verleden ingrijpende gebeurtenissen doorgemaakt die zij onvoldoende lijkt te hebben verwerkt. Er was veel onrust bij de moeder thuis door onveilige en wisselende relaties, waarbij (dreiging van) huiselijk geweld zich bleef herhalen. Dit laat een patroon zien van het niet goed kunnen inschatten van de veiligheid van partners, die de moeder wel in het leven van de kinderen brengt. Dit brengt risico’s mee. De GI heeft verteld dat de moeder een ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat de moeder op dit moment ook goed meewerkt.
Desondanks is de schematherapie, die twee GGZ-betrokkenen ( [naam1] en [naam2] ) hebben geadviseerd en die de GI als noodzakelijk ziet, door de moeder niet opgestart. De moeder is wel op eigen initiatief gestart bij praktijk ‘ [naam3] ’, waar zij een traumabehandeling krijgt. Op de zitting bij het hof heeft ze verteld dat deze behandeling lijkt op schematherapie maar dat het net iets anders is. De moeder voelt zich op haar gemak bij de coach/behandelaar van [naam3] . De GI heeft een plan van aanpak opgesteld, en schematherapie is een (belangrijk) onderdeel van dat plan. De GI heeft op de zitting gezegd dat zij met de moeder en de therapeute een afspraak wil inplannen om te onderzoeken of de door [naam3] aangeboden therapie afdoende is om de diepgewortelde patronen te doorbreken, of dat daarvoor meer of andere hulp nodig is. Het hof begrijpt dat dit nodig is, dat de GI hier kritisch naar wil kijken en ook dat hier enige tijd overheen zal gaan.
5.7.
Daarnaast maakt het hof zich nog zorgen over de woonsituatie van de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de GI toegelicht dat de woningbouwvereniging het zogenoemde ‘laatste kansbeleid’ heeft gepauzeerd omdat het de laatste periode rustig is geweest. Volgens de GI wordt dat traject weer opgestart zodra er weer onrust komt. De woonsituatie van de moeder is daardoor nog steeds onzeker.
5.8.
Ten slotte is de IMH-behandeling pas recent opgestart. De eerste tussenevaluatie is in april 2026, zo werd tijdens de zitting duidelijk. Het hof vindt het nodig dat ook deze behandeling, waaraan de moeder meewerkt, wordt gecontinueerd.
Hoewel de GI op de zitting heeft benoemd dat de moeder nu ‘keihard meewerkt’ vindt het hof de situatie nog te kwetsbaar om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Het gaat om een heel jonge tweeling, en het hof stelt vast dat er patronen zijn die moeten worden doorbroken. De GI heeft verteld dat zij zich afvraagt of de moeder de noodzaak voelt. Ook staat vast dat de moeder vooralsnog geen schematherapie wil volgen. Daarom zal het hof het verzoek van de moeder afwijzen.
Het hof ziet ook geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de moeder om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een beperktere periode, namelijk zes maanden. Het kost enige tijd om de hierboven beschreven trajecten op te starten en (zo nodig) af te ronden.
5.9
De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 november 2025 over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige6] en [de minderjarige7] ;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, H. Phaff en A. Ernes, bijgestaan door
mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW