Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2773

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
21-004047-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging met toewijzing immateriële schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 4 mei 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. De verdachte is veroordeeld voor belaging, gepleegd tussen 3 juli 2024 en 4 februari 2025, waarbij hij de benadeelde partij op diverse manieren stalkte en haar persoonlijke levenssfeer ernstig schond.

De bewezenverklaring omvat onder meer het herhaaldelijk bellen, sms'en, WhatsAppen, benaderen via social media, het aanmaken van fake accounts, het benaderen van bekenden en werkgever van de benadeelde, en het plaatsen van grievende reacties. Het hof achtte het bewezen dat de verdachte dit met het oogmerk deed om de benadeelde te dwingen of haar vrees aan te jagen.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de aard en ernst van het delict, de hardleersheid van de verdachte, en zijn autisme spectrum stoornis, die de gedragskeuzes mede verklaart. De straf bestaat uit een taakstraf van 60 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar, en een contact- en locatieverbod voor 5 jaar, inclusief het werkadres van de benadeelde.

De vordering tot schadevergoeding is volledig toegewezen: € 845,14 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof erkent de ernstige psychische en praktische gevolgen van de belaging voor de benadeelde partij, waaronder angst, nachtmerries, sociaal isolement en werkgerelateerde problemen.

De opgelegde maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar en voorzien in vervangende hechtenis bij overtreding. De verdachte is veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor belaging tot taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en contact- en locatieverbod, met volledige toewijzing van materiële en immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004047-25
Uitspraakdatum: 4 mei 2026
Tegenspraak
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 september 2025 met het parketnummer 18-159763-25 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 21 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die ertoe strekt dat het gerechtshof dezelfde beslissingen zal nemen als de politierechter, met dien verstande dat het locatieverbod tevens omvat het werkadres van het slachtoffer aan [adres 2] .
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.L. van Onna hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep en van hetgeen door en namens de benadeelde partij is aangevoerd op die zitting.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter. In dat vonnis heeft de politierechter:
  • de verdachte ter zake van belaging veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, bij niet vervulling daarvan te vervangen door 50 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [benadeelde] en een locatieverbod voor [plaats 1] ;
  • aan de verdachte opgelegd de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 5 jaren, met als inhoud een contactverbod met [benadeelde] en een locatieverbod voor [plaats 1] en met de bepaling dat per overtreding van deze maatregel 1 week hechtenis zal volgen, tot een maximum van 6 maanden;
  • deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toegewezen en
de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het gerechtshof vernietigt dat vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks 3 juli 2024 tot en met 4 februari 2025 te [plaats 1] , [gemeente] , en/of [plaats 2] althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door:
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, te smsen en/of te Whatsappen en/of te bellen en/of;
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, te benaderen via social media en/of berichten te plaatsen op social media (o.a. via Instagram, Snapchat, Facebook, TikTok), en/of;
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, te email-en en/of (een) kaart(en) en/of (een) brief/brieven te sturen, al dan niet met grievende en/of beledigende en/of dreigende aard en/of strekking, en/of;
- meermalen, althans eenmaal, langs de woning van die [benadeelde] te gaan, en/of;
- meermalen, althans eenmaal, (een) fake social media account(s) aan te maken op- of uit naam van die [benadeelde] en/of (daarbij) bekenden van die [benadeelde] te benaderen, en/of;
- meermalen, althans eenmaal, buren en/of vrienden en/of familie en/of bekenden van die [benadeelde] te benaderen, en/of
- meermalen, althans eenmaal, de werkgever van die [benadeelde] te bellen en/of post te sturen en/of te e-mailen, en/of;
-meermalen, althans eenmaal, reacties achter te laten via de zakelijke website van die [benadeelde] en/of berichten achter de laten op de zakelijke Facebookpagina van die [benadeelde] , en/of;
- een (grievende) reactie onder een overlijdensadvertentie van de opa, althans een familielid of een bekende, van die [benadeelde] te plaatsen op Facebook,
met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het gerechtshof leidt het oogmerk van de verdachte om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/om haar vrees aan te jagen, af uit het samenstel van de inhoud van de berichten, alsmede de overige uitingen en handelingen van de verdachte.

Bewezenverklaring

Het gerechtshof acht op grond van wettige bewijsmiddelen die in een eventueel later op te maken aanvulling op dit verkort arrest zullen worden opgenomen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 3 juli 2024 tot en met 4 februari 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door:
- die [benadeelde] meermalen, te sms'en, te whatsappen en te bellen en
- die [benadeelde] meermalen te benaderen via social media en berichten te plaatsen op social media (o.a. via Instagram, Snapchat, Facebook, TikTok) en
- die [benadeelde] meermalen te e-mailen en een kaart en een brief te sturen, al dan niet met grievende en/of beledigende en/of dreigende aard en/of strekking, en
- meermalen fake social media accounts aan te maken op of uit naam van die [benadeelde] en daarbij bekenden van die [benadeelde] te benaderen en
- meermalen buren, vrienden, familie en bekenden van die [benadeelde] te benaderen en
- meermalen de werkgever van die [benadeelde] te bellen en post te sturen en te e-mailen, en
- meermalen reacties achter te laten via de zakelijke website van die [benadeelde] en berichten achter te laten op de zakelijke Facebookpagina van die [benadeelde] en;
- een (grievende) reactie onder een overlijdensadvertentie van de opa van die [benadeelde] te plaatsen op Facebook,
met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Het gerechtshof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit

Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Het gerechtshof acht de verdachte strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Op grond van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van
26 augustus 2025 en op grond van hetgeen het gerechtshof op de zitting in hoger beroep heeft waargenomen met betrekking tot de persoon van de verdachte, stelt het gerechtshof vast dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, namelijk een autisme spectrum stoornis.
Het gerechtshof acht het aannemelijk dat er ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit sprake was van die stoornis en dat die stoornis van dien aard is geweest dat deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het hierboven bewezen verklaarde feit zodanig heeft beïnvloed, dat die gedragskeuzes en gedragingen mede daaruit verklaard kunnen worden.
Het gerechtshof zal de verdachte het bewezen verklaarde feit dientengevolge in verminderde mate toerekenen.

Oplegging van straf en maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van zeven maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster. Hij heeft veelvuldig en tegen haar wil op verschillende manieren direct en indirect contact met haar gezocht, waaronder door haar te bellen, sms'en, whatsappen, door berichten te plaatsen op ‘social media’, door haar buren, familie en werkgever te benaderen en haar in een negatief daglicht te stellen. Er was daarbij sprake van berichten met grievende, beledigende en dreigende strekking. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagde en kan daardoor een forse psychische belasting opleveren.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op het volgende:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat de verdachte, door [benadeelde] en anderen telkens te benaderen op de hierboven bewezen verklaarde wijze, een ernstige inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De destructieve weerslag van dit alles op [benadeelde] persoonlijk is op treffende wijze tot uitdrukking gebracht, zowel in het spreekrecht waarvan zij gebruik heeft gemaakt op de zitting in hoger beroep, als in haar verklaringen bij de politie en in de onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op het volgende:
 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
19 maart 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Er zijn derhalve geen justitiële antecedenten aanwezig die van belang kunnen zijn bij de strafoplegging.
Het gerechtshof kent hieraan geen bijzondere betekenis toe, nu het uitblijven van enig delictgedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden;
 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen - inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden -vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.
Bepalend element in deze zaak is dat de verdachte zich hardleers heeft getoond en dat hij de strafwaardigheid van zijn gedrag aanvankelijk niet goed lijkt te hebben ingezien. Een duidelijke terechtwijzing, in de vorm van een onvoorwaardelijk strafdeel, alsmede een waarschuwing, in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel, is daarom op haar plaats.
Het gerechtshof heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat het gerechtshof de verdachte het bewezen verklaarde feit in verminderde mate toerekent. Dat heeft een strafmatigende werking.
Op grond van het vorenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en speciale preventie acht het gerechtshof passend en geboden de oplegging van een taakstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van drie jaren.
Het gerechtshof zal voorts een contact- en locatieverbod opleggen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, zoals de politierechter dat ook heeft gedaan, met dien verstande dat het locatieverbod zich naar het oordeel van het gerechtshof eveneens dient uit te strekken tot het werkadres van het slachtoffer aan [adres 2] .
Het gerechtshof zal daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregelen bevelen. Naar het oordeel van het gerechtshof dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een persoon of bepaalde personen. Het gerechtshof overweegt hiertoe dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis. Die stoornis is blijvend van aard en de verdachte is daarbij (nog) niet uitbehandeld.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van materiële schade van € 845,14, alsmede immateriële schade van € 2.500,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Deze vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Daarom zal het gerechtshof opnieuw oordelen over deze vordering.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde strafbare handelen van de verdachte. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 voor de kosten beveiliging, vanaf 1 februari 2025 voor de verlofuren en vanaf 23 mei 2025 voor de reiskosten, en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2025 voor de immateriële schade.
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade stelt het gerechtshof vast dat die schade niet is betwist in hoger beroep en dat die schade het gerechtshof niet onredelijk voorkomt.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is het gerechtshof van oordeel dat hier sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel
6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending zoals het gerechtshof die in de strafmotivering heeft verwoord, brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, zoals uiteengezet in de onderbouwing van de vordering, zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In die onderbouwing is het volgende weergegeven. In de periode dat ze belaagd werd sliep de benadeelde partij slecht en had zij nachtmerries. Hierdoor was zij overdag vermoeid en had zij last van verminderde concentratie.
De benadeelde partij voelde zich onveilig en was bang om alleen thuis te zijn. Zij heeft daarom elders verbleven. Ook buitenshuis is de benadeelde partij angstig en alert. Zij is bang de verdachte te treffen en is veel bezig met wat er om haar heen gebeurd. Dit geeft haar een paranoïde gevoel. De belaging heeft de benadeelde partij als persoon veranderd.
Zij is wantrouwend geworden en is meer in zichzelf getrokken. Zij heeft minder sociale contacten dan voorheen en geen ruimte om nieuwe contacten of een relatie aan te gaan, omdat zij angstig is voor de mogelijkheid dat zij nogmaals slachtoffer wordt van een soortgelijke situatie. De benadeelde partij heeft vanwege deze psychische gevolgen psychische ondersteuning ontvangen van het [wijkteam] . De belaging heeft ook nodige gevolgen gehad voor het dagelijks leven van de benadeelde partij. Doordat de verdachte haar werkgever benaderde, was zij bang haar baan kwijt te raken en zij was angstig moeilijk opnieuw werk te kunnen vinden omdat er door het gedrag van de verdachte verhalen over haar rond gingen. Omdat de verdachte de benadeelde partij ook lastig viel via haar eigen bedrijf, heeft zij de website van dat bedrijf offline gehaald en daar maanden niet aan gewerkt.
Het gerechtshof heeft voor wat betreft de hoogte van de toe te kennen immateriële schadevergoeding acht geslagen op de gevolgen van het handelen van de verdachte voor de benadeelde partij, zoals uitvoerig toegelicht en onderbouwd in de schadeonderbouwing door Slachtofferhulp Nederland.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het gerechtshof verzocht de immateriële schade vast te stellen op een lager bedrag dan is gevorderd. Daartoe zijn naar het oordeel van het gerechtshof geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof een verlaging van de toe te kennen immateriële schadevergoeding aangewezen acht.
Het gerechtshof ziet wel aanleiding om, zoals verzocht door de raadsvrouw van de verdachte, termijnbetaling toe te staan.
Gelet op het bovenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed legt het gerechtshof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24a, 36f, 38v en 285b van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat:
de veroordeelde voor de duur van 5 jaren zich niet zal ophouden:
- in [plaats 1] , [gemeente] ;
- rondom [adres 2] ;
en dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1994.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van
6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.345,14 (drieduizend driehonderdvijfenveertig euro en veertien cent) bestaande uit
€ 845,14 (achthonderdvijfenveertig euro en veertien cent) materiële schade en
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.345,14 (drieduizend driehonderdvijfenveertig euro en veertien cent) bestaande uit
€ 845,14 (achthonderdvijfenveertig euro en veertien cent) materiële schade en
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in
23 (drieëntwintig) termijn(en)van
1 maand, groot
€ 140,00 (honderdveertig euro)en in
1 (één) termijn(en)van
1 maandgroot
€ 125,14 (honderdvijfentwintig euro en veertien cent).
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
- 1 december 2024 over een bedrag van € 28,95 ter zake van kosten beveiliging;
- 1 februari 2025 over een bedrag van € 183,87 ter zake van verlofuren;
- 23 mei 2025 over een bedrag van € 632,32 ter zake van reiskosten;
en van de immateriële schade op:
4 februari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J. Hielkema en mr. E. de Witt, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 mei 2026.