Verzoeker, verblijvend in een forensisch psychiatrisch centrum, heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van het hof, met het argument dat zij geen onpartijdige rol zou vervullen in zijn zaak.
Het wrakingsverzoek betrof twee gronden: ten eerste de gang van zaken tijdens een zitting bij het hof, en ten tweede het niet beslissen door de wrakingskamer van de rechtbank Overijssel op eerdere wrakingsgronden die verzoeker had aangevoerd. Het hof oordeelde dat de tweede grond geen betrekking had op de behandeling van de zaak bij het hof en geen aanwijzing gaf voor partijdigheid.
Met betrekking tot de eerste grond concludeerde het hof dat de voorzitter slechts terughoudend had gereageerd op de vraag van verzoeker over haar onpartijdigheid, zonder uitzonderlijke omstandigheden die het vermoeden van onpartijdigheid zouden doen wijken. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen.
De beslissing werd op 1 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken door het hof, waarbij één raadsheer niet in staat was de beslissing mede te ondertekenen.