Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2733

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
21-004373-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak oplichting, verduistering, diefstal en witwassen tractor wegens onvoldoende bewijs

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte vrijgesproken van oplichting, verduistering, diefstal en witwassen van een tractor. Het hof oordeelde dat de tenlasteleggingen niet wettig en overtuigend bewezen konden worden.

Het hof stelde vast dat er geen bewijs was dat verdachte oplichtingsmiddelen gebruikte om benadeelde partij te bewegen tot betaling. Ook ontbrak bewijs voor een dienstbetrekking tussen verdachte en het bedrijf dat eigenaar was van de tractor, waardoor verduistering niet kon worden bewezen. Daarnaast was onvoldoende duidelijkheid over het moment en de wijze van diefstal van de tractor.

Ten slotte bood het dossier onvoldoende objectief steunbewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het witwassen van de tractor. De verklaringen hierover waren grotendeels gebaseerd op één getuige zonder aanvullende bewijsvoering. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat verdachte niet schuldig werd verklaard aan de ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van oplichting, verduistering, diefstal en witwassen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004373-25
Uitspraakdatum: 17 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 17 oktober 2025 met parketnummer 18-201320-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 17 april 2026 en de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot algehele vrijspraak van verdachte en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Veldman, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof leest het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde op die manier dat de daarin omschreven delicten moeten worden begrepen als impliciet cumulatief ten laste gelegd. Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van respectievelijk het verduisteren dan wel de diefstal, en het witwassen van de tractor van het merk Fiat. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Tegen een beslissing tot vrijspraak kan verdachte geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze in het vonnis gegeven vrijspraken.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 17 oktober 2025, waartegen het beroep is gericht, het aan verdachte onder 1 (oplichting van [benadeelde 1] ), 2 subsidiair (diefstal van een tractor [merk] ) en 3 (witwassen van een tractor [merk] ) ten laste gelegde bewezenverklaard, met voornoemde partiële vrijspraak. De politierechter heeft aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis, opgelegd.
Verder heeft de politierechter de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] afgewezen tot een bedrag van € 675,00 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering. Tot slot heeft de politierechter [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 november 2024 te [plaats 1] , [gemeente 1] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten Tot het aangaan van een schuld en/of tot betaling/afgifte van een geldbedrag, te weten een bedrag van zeshonderdvijfenzeventig euro, door valselijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,
- zich voor te doen als bonafide verkoper
- de impressie te wekken dat de IPhone geschikt was om door te verkopen
- deze telefoon te verkopen aan [benadeelde 1] onder de valse veronderstelling dat deze nieuw was en/of geschikt was om door te verkopen
waardoor de genoemde perso(o)n(en) is/zijn bewogen tot betaling/afgifte van het bovenomschreven geldbedrag;
2. primair
hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , althans in Nederland, opzettelijk, een tractor van het merk [merk] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [BV 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als werknemer bij [BV 2] (ingehuurd door [BV 1] ), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , althans in Nederland, een tractor van het merk [merk] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [BV 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2024 tot en met 7 november 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , althans in Nederland, (van) een tractor van het merk [merk] , althans een of meer voorwerpen
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Vrijspraak

Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan. De beslissing is mondeling na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting toegelicht, een en ander als volgt:
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van feit 1
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de ten laste gelegde handelingen van verdachte, zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet aan te merken zijn als oplichtingsmiddelen die (de medewerker van) [benadeelde 1] zouden hebben bewogen tot het betalen van € 675,00. Het hof acht feit 1 dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair
Het hof overweegt ten aanzien van de primair ten laste gelegde verduistering van de tractor dat deze zou hebben plaatsgevonden terwijl verdachte de tractor uit hoofde van zijn dienstbetrekking onder zich had. Uit het dossier komt niet naar voren dat tussen verdachte en [BV 1] sprake was van een dienstbetrekking. Het onder 2 primair ten laste gelegde kan daarmee niet worden bewezen en het hof spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde diefstal overweegt het hof dat uit het dossier onvoldoende naar voren komt wanneer en hoe verdachte de tractor zou hebben weggenomen. Het enkele feit dat verdachte toegang had tot de loods waar de tractor zich bevond, maakt niet dat diefstal kan worden bewezen. Gelet hierop acht het hof feit 2 subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 3
Het hof is van oordeel, zoals hiervoor overwogen, dat het dossier weinig duidelijkheid biedt over de vraag wanneer en hoe verdachte de tractor voorhanden kreeg en/of overdroeg. Het dossier bevat verschillende getuigenverklaringen over wat er gebeurd zou zijn rond de tractor, maar de verklaringen die wijzen in de richting van verdachtes betrokkenheid bij het overdragen van de tractor zijn in de kern allemaal te herleiden naar één bron, te weten [getuige] . Er bestaat geen objectief steunbewijs voor zijn verklaring. Hoewel zowel uit het dossier als uit de verklaringen van verdachte op de zitting van het hof naar voren komt dat zich een situatie heeft voorgedaan met een tractor op een aanhanger waarbij verdachte betrokken was, blijkt niet uit het dossier dat dit om de ten laste gelegde tractor van het merk [merk] gaat of wat precies de rol was van verdachte in deze situatie. De verklaringen hierover verschillen onderling. Al met al kan het hof niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Nu het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 775,00 aan materiële schade ingediend, bestaande uit € 675,00 toestelkosten en € 100,00 gederfde inkomsten. De politierechter heeft de vordering afgewezen voor zover deze betrekking had op de toestelkosten en heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering van de gederfde inkomsten. De benadeelde partij heeft aangegeven dat in hoger beroep alleen nog € 100,00 aan gederfde inkomsten wordt gevorderd omdat de toestelkosten onderling zijn geregeld.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het onder 1 bewezenverklaarde ten laste gelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.241,75 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde ten laste gelegde handelen waardoor schade zou zijn ontstaan. Bovendien heeft de door Hamerlick gevorderde schade kennelijk betrekking op een ander voorval. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. L.J. Hofstra en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 april 2026.