Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2724

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
21-004586-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 63 Wetboek van StrafrechtArt. 27 Wetboek van StrafrechtArt. 6:2:10 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van 2883 gram amfetamine tot 9 maanden gevangenisstraf

Op 7 mei 2024 werd in de woning van verdachte 2883 gram amfetamine aangetroffen, verdeeld over verschillende zichtbare plekken. Verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. In hoger beroep stelde verdachte dat er sprake was van vormverzuimen bij het onderzoek en dat hij niet wist dat het om drugs ging.

Het hof oordeelde dat verdachte toestemming had gegeven voor betreding van zijn woning en dat de politie slechts zoekend rondkeek, zonder onrechtmatige doorzoeking. Vormverzuimen werden verworpen. Verdachte's verklaring dat hij dacht dat het vitaminepillen waren, werd niet geloofd vanwege de hoeveelheid, verpakking en verborgen ligging van de pillen.

Het hof achtte het bewezen dat verdachte opzettelijk de amfetamine in bezit had. Gezien de grote hoeveelheid en het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten werd een gevangenisstraf van 9 maanden passend en noodzakelijk geacht. De straf wordt verminderd met de tijd van het voorarrest. De in beslag genomen telefoons worden aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor het bezit van 2883 gram amfetamine.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004586-24
Uitspraakdatum: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 oktober 2024 met parketnummer 16-156160-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 17 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft verder gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons aan hem worden teruggegeven.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.A. Rangoe, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de politierechter de teruggave aan verdachte bevolen van de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons.
In hoger beroep zijn door de verdediging aanvullende verweren gevoerd waar het hof op in zal gaan. Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 mei 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 2883 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Uit het dossier blijkt dat op 7 mei 2024 op verschillende plaatsen in de woning van verdachte in totaal 2883 gram aan amfetaminepillen zijn aangetroffen.
Vormverzuimen
Namens verdachte is, kort gezegd, bepleit dat sprake is geweest van een viertal vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek en dat daarom de uit dat onderzoek verkregen bewijsmiddelen van het bewijs moet worden uitgesloten.
Het dossier bevat processen-verbaal van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 8 mei 2024 [1] en van 9 mei 2024 [2] , waarin zij de gang van zaken op 7 mei 2024 hebben beschreven. Daarin is uiteengezet dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] naar aanleiding van een MMA-melding omstreeks 20.00 uur een accijnscontrole hebben ingesteld op het adres van verdachte met behulp van een geregistreerde Syrische tolk via een diensttelefoon. Zij hebben zich gelegitimeerd en verdachte meegedeeld dat zij een accijnscontrole wilden instellen in de schuur van verdachte, waarna hij hen gebaarde dat zij binnen mochten komen. Verdachte geleidde hen vervolgens via zijn woonhuis naar het schuurtje in de achtertuin. Het hof leidt hieruit af dat verdachte aan verbalisanten toestemming heeft verleend om zijn woning te betreden, nadat het doel van hun bezoek aan hem via een tolk kenbaar was gemaakt. Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat verdachte hierbij onvoldoende geïnformeerd is over zijn rechten.
Tijdens de aanwezigheid van verbalisanten in zijn woning, belde verdachte met een onbekend gebleven persoon, die uiteindelijk vroeg of verbalisanten over een machtiging beschikten. Dit was niet het geval. Verbalisanten hebben vervolgens hun accijnscontrole gestaakt en in de serre van de woning gewacht tot zij een machtiging binnentreding ter inbeslagname hadden ontvangen. Verdachte heeft op geen enkel moment aan verbalisanten kenbaar gemaakt dat zij de woning moesten verlaten. Het niet verlaten van de woning door verbalisanten levert in deze situatie geen vormverzuim op nu zij zich met toestemming van de rechthebbende in de (serre van de) woning bevonden en zij hun activiteiten hadden gestaakt.
Omstreeks 20.49 uur werd de machtiging ontvangen, waarna deze aan verdachte is getoond en op zijn verzoek ook naar hem is gemaild. Dat er geen vertaalde versie van de machtiging aan verdachte is getoond en/of overhandigd, levert evenmin een vormverzuim op, nu de wet dit niet vereist. Bovendien werd door de verbalisanten gebruik gemaakt van een tolk. Het hof stelt op grond van de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken vast dat verdachte ervan op de hoogte was dat er op een machtiging binnentreden werd gewacht en dat die vervolgens is verkregen. Vervolgens hebben [verbalisant 4] en [verbalisant 3] opdracht gekregen om zoekend rond te kijken in de woning.
[verbalisant 4] zag op de laatste kamer op de bovenverdieping onder het bed een rode tas liggen die een klein stukje open stond, en hij kon zonder de tas verder te openen zien dat er een doorzichtige plastic tas met daarin pillen zat. Later zag [verbalisant 4] in de woonkamer een klein transparant zakje op de kast in de woonkamer, waarin hij de bruine kleur en uiterlijke kenmerken van de pillen zag die hij eerder boven had aangetroffen. [verbalisant 3] trof boven op een keukenkast een deels doorzichtige zak aan, waarin hij eveneens de bruine kleur en de vorm van pillen zag.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de amfetaminepillen zijn aangetroffen na zoekend rondkijken door beide verbalisanten, nu deze pillen zonder nadere handelingen in hun zicht zijn gekomen. Van doorzoeken is met betrekking tot het aantreffen van deze pillen in elk geval geen sprake geweest en van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden evenmin. Het hof verwerpt daarom het verweer.
Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat genoemde verbalisanten meer hebben gedaan dan alleen maar zoekend rondkijken, omdat later is gebleken dat in enkele slaapkamers meerdere kastdeuren en lades open stonden en goederen op de bedden lagen, mist dit reeds doel omdat de amfetaminepillen niet in kasten of lades op de slaapkamers zijn aangetroffen, maar vrijelijk zichtbaar onder een bed, in een kast in de woonkamer en op een kast in de keuken. Daar komt bij dat bij navraag is gebleken dat tijdens de aanwezigheid van voornoemde verbalisanten in de woning de betreffende kasten en lades reeds open stonden. Dit past ook bij de verklaring van verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg, waar hij desgevraagd heeft aangegeven dat hij vaak kasten laat openstaan. Dit open staan van kasten en lades maakt het oordeel dat door de verbalisanten slechts zoekend is rondgekeken daarom niet anders.
Wetenschap
Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de aangetroffen pillen in zijn woning lagen.
Door de verdediging is bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat verdachte niet wist, noch bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de pillen amfetamine bevatten. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de pillen op verzoek van ene “ [naam] ” in bewaring had en dat hij dacht dat het vitaminepillen (of iets dergelijks) waren en dat het geen drugs waren. Het hof hecht aan deze verklaring geen geloof, gelet op de navolgende feiten en omstandigheden.
Verdachte heeft over deze [naam] verklaard dat hij gek is en dat hij van hem geen antwoord kreeg op de vraag wat de goederen waren toen ze aan verdachte ter bewaring werden aangeboden. Verder heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij voor het in bewaring nemen van een klein zakje pillen voor de duur van één nacht van deze [naam] een vergoeding van vijftien of twintig euro heeft gekregen en dat [naam] later een andere zak pillen heeft gebracht. Op de terechtzitting verklaarde verdachte dat [naam] slechts eenmaal pillen heeft gebracht. Als verklaring voor de omstandigheid dat de pillen in verschillende hoeveelheden op verschillende plaatsen in zijn woning werden aangetroffen, vertelde verdachte dat hij de twee kleinere zakjes uit de rode tas op verschillende plekken in zijn woning had gelegd, omdat hij wilde voorkomen dat zijn kinderen de pillen zouden vinden.
Uit het dossier blijkt dat verreweg het grootste deel van de aangetroffen pillen was verpakt in een doorzichtige plastic zak in een rode tas. Deze werd aangetroffen onder een bed. Op grond van de wijze waarop verdachte volgens zijn eigen verklaring aan de pillen is gekomen, de wijze waarop deze waren verpakt, de hoeveelheid pillen en de omstandigheid dat de pillen op de bovenverdieping uit het directe zicht onder een bed waren verstopt, stelt het hof vast dat verdachte wist dat de pillen drugs bevatten en dat zijn opzet daar ook op gericht was. Tegen deze achtergrond laat het hof de naar zijn oordeel onlogische en niet verifieerbare verklaring van verdachte over de aanwezigheid van de pillen in zijn huis als ongeloofwaardig terzijde.
Het hof acht op grond van het voorgaande het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 7 mei 2024 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 2883 gram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft 2883 gram aan amfetaminepillen voorhanden gehad in zijn woning. Het gaat daarbij om ruim zeventienduizend pillen. Het voorhanden hebben van harddrugs is strafbaar, nu dit gevaren voor de volksgezondheid met zich brengt. Het bijdragen aan de handel in drugs vormt bovendien een schakel in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwrichten. De bij verdachte aangetroffen hoeveelheid tabletten doet sterk vermoeden dat sprake is van een dergelijke schakel, nu het in ieder geval niet gaat om een hoeveelheid die slechts is bedoeld voor eigen gebruik.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op een uitdraai van zijn strafblad van 17 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Over de persoon van verdachte is ter zitting in hoger beroep naar voren gekomen dat verdachte een aantal uren per week als slager werkt. Hij wordt begeleid door het Leger des Heils, staat onder bewindvoering en ontvangt € 50,- per week aan leefgeld. Verdachte is gescheiden van zijn vrouw en onderhoudt regelmatig contact met zijn vier kinderen.
Gelet op de grote hoeveelheid harddrugs die verdachte aanwezig heeft gehad, kan met geen
andere straf worden volstaan dan met het opleggen van een straf die vrijheidsbeneming met
zich brengt. Het hof heeft gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het aanwezig hebben van 2883 gram harddrugs wordt oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden in beginsel passend geacht. Het hof zal deze straf ook in deze zaak opleggen, nu het hof in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen bijzonderheden ziet, die nopen om daarvan in strafverzwarende dan wel strafmatigende zin af te wijken. Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden niet alleen passend, maar ook noodzakelijk.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een smartphone, merk Samsung (goednummer PL0900-2024144071-3340769);
- een smartphone, merk Samsung (goednummer PL0900-2024144071-3340765).
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. G.A. Versteeg en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 mei 2026.

Voetnoten

1.Dossierpagina’s 9 tot en met 11.
2.Dossierpagina’s 12 tot en met 17.