Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2722

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
21-003199-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep oplichting met misbruik van vertrouwen en samenweefsel van verdichtsels

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere gevallen van oplichting, waarbij hij aangeefster onder valse voorwendselen tot het afgeven van geldbedragen heeft bewogen. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis voor zover het aan hoger beroep is onderworpen en doet opnieuw recht.

Het hof acht bewezen dat verdachte een samenweefsel van verdichtsels heeft gebruikt om aangeefster te bewegen hem in totaal €4.000,00 te geven, onder het voorwendsel dat hij tijdelijk niet over zijn geld kon beschikken en het spoedig zou terugbetalen. De verklaring van aangeefster wordt als geloofwaardig beoordeeld, mede ondersteund door whatsapp-berichten en banktransacties. De verklaring van verdachte wordt verworpen wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onderbouwing.

Het hof legt een taakstraf van 60 uren, waarvan 34 uren voorwaardelijk, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 3 jaar op. Daarnaast wordt de vordering van aangeefster tot materiële schadevergoeding van €4.000,00 met wettelijke rente toegewezen. De vordering tot immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte wordt vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen zijn verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met toewijzing van €4.000,00 materiële schadevergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003199-25
Uitspraakdatum: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 4 juli 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-054351-24 en 18-350287-24, tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:
  • veroordeling van verdachte voor het hem in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair ten laste gelegde (kort gezegd: oplichting van aangeefster [benadeelde 1] ), tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 34 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van
€ 4.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de feiten (parketnummer 18-054351-24 onder 1 en 3) die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen omdat het appel bij akte is beperkt, dient het hof volgens de advocaat-generaal de volgende straf te bepalen:
- oplegging van een taakstraf van 160 uren, waarvan 66 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. L.I. Veenstra, is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor 3 gevallen van oplichting (parketnummer 18-054351-24 onder 1 en 3 en parketnummer 18-350287-24 primair). Daarvoor is hem een taakstraf van 240 uren opgelegd, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 120 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Van het in de zaak met parketnummer 18-054351-24 onder 2 ten laste gelegde feit is verdachte vrijgesproken.
Op de vorderingen van de benadeelde partijen is als volgt beslist:
  • Benadeelde partij [benadeelde 2] (parketnummer 18-054351-24 onder 1): toewijzing tot € 900,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
  • Benadeelde partij [benadeelde 3] (parketnummer 18-054351-24 onder 2): niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering in verband met vrijspraak.
  • Benadeelde partij [benadeelde 4] (parketnummer 18-054351-24 onder 3): volledige toewijzing tot € 880,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (parketnummer 18-350287-24 primair) is door de politierechter niet beslist.
Tegen dit vonnis is door de verdediging beperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is gericht tegen de veroordeling in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair ten laste gelegde feit.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover het aan hoger beroep is onderworpen en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-350287-24:
primair:
hij in of omstreeks 28 mei 2024 tot en met 04 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten tot het afgeven en/of overmaken van meerdere geldbedragen van (in totaal) 4.150,00 euro, althans enig geldbedrag, door
- een (liefdes)relatie aan te gaan met die [benadeelde 1] ,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij tijdelijk niet over (zijn) geld kan beschikken en/of tijdelijk onvoldoende geld heeft,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij direct/spoedig geld nodig heeft omdat hij een rekening moest betalen,
- die [benadeelde 1] om geld (te leen) te vragen, waarbij hij telkens een spoedige terugbetaling in het vooruitzicht stelde/voorwendde,
- die [benadeelde 1] aan te bieden het tweevoudige terug te betalen terwijl hij niet over deze gelden beschikte,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij nog een deel moest betalen om zo weer bij zijn eigen geld te kunnen,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij een geldbedrag zou moeten lenen om zijn advocaat te betalen om zo weer bij zijn eigen geld te kunnen, waarna hij die [benadeelde 1] pas zou kunnen terugbetalen,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat met zijn advocaat en de bank geregeld was dat die [benadeelde 1] , na betaling, haar geld gelijk terug zou krijgen,
- hetgeen hij die [benadeelde 1] voorhield dat alsmaar eerder zou gebeuren, als zij hem zou helpen met zijn geldproblemen, waardoor die [benadeelde 1] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte van meerdere geldbedragen en/of
- die geldbedragen niet terug te betalen aan die [benadeelde 1] .
subsidiair
hij in of omstreeks 28 mei 2024 tot en met 04 juni 2024, te [plaats] (van) een of meerdere geldbedragen van (in totaal) 4.150,00 euro, althans enig geldbedrag,
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat dat/die geldbedrag(en)
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat - kort gezegd - :
  • de feitelijke handelingen zoals die in de tenlastelegging zijn opgenomen, niet kunnen worden bewezen;
  • er geen sprake is van een oplichtingsmiddel;
  • er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de vermeende misleiding en de betalingen;
  • verdachte geen oogmerk had op wederrechtelijke bevoordeling.
Standpunt advocaat-generaal:
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren van de verdediging moeten worden verworpen. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario is volgens hem niet aannemelijk. De verklaring van aangeefster [benadeelde 1] vindt voldoende steun in het dossier en op grond van die bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte haar heeft opgelicht.
Juridisch kader
Voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, waardoor die ander is bewogen tot de afgifte van een goed.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Oordeel hof
Het hof stelt voorop dat geen discussie bestaat over het feit dat verdachte en aangeefster [benadeelde 1] elkaar hebben leren kennen via een datingapp, dat zij intiem contact hebben gehad en dat aangeefster in de periode daarna op verschillende momenten geld heeft betaald aan verdachte. Deels gebeurde dit contant en deels via het overmaken op bankrekeningen. Deze bankrekeningen stonden niet op naam van verdachte, maar op naam van kennissen van hem. De overgemaakte geldbedragen zijn veelal op dezelfde dag of zelfs binnen enkele uren na de overschrijving door deze kennissen opgenomen bij geldautomaten en vervolgens aan verdachte overhandigd.
Verklaring aangeefster en alternatief scenario verdachte
Aangeefster en verdachte hebben verschillende verklaringen afgelegd over deze overgedragen geldbedragen. Aangeefster heeft hierover verklaard dat verdachte op een gegeven moment aangaf dat hij een rekening moest betalen en hij haar vroeg om te helpen. Zij wilde hem helpen en heeft hem toen € 250,00 contant verstrekt. Een dag later vroeg verdachte haar of zij hem per direct € 350,00 kon lenen om “uit de rode cijfers” te komen. Hij zei daarbij dat hij haar direct zou terugbetalen. Volgens aangeefster zette verdachte haar onder druk en kwam hij opdringerig over. Hij vertelde haar dat er meer geld betaald moest worden, zodat hij weer bij zijn eigen geld zou kunnen, waarna hij aangeefster kon terugbetalen. Dit zou met een advocaat en de bank geregeld zijn. Er moest ook nog geld bij om de advocaat te betalen. Uiteindelijk heeft aangeefster in totaal voor een bedrag van € 4.000,00 aan verdachte betaald. Zij heeft daarvan niets teruggekregen.
Verdachte heeft een andere lezing. Volgens verdachte leerde hij aangeefster via een datingsite kennen en deed zij hem geloven dat ze alleenstaande moeder was en in geldnood zat. Ze spraken vervolgens af dat verdachte haar voor intiem contact zou betalen. Hij zou haar in een relatief korte periode voor ongeveer acht ontmoetingen in totaal € 4.500,00 à € 5.000,00 hebben betaald. Toen verdachte er na enige tijd achter kwam dat aangeefster had gelogen over haar situatie (ze bleek een relatie en een gezin te hebben en voldoende financiële middelen), heeft verdachte geëist dat ze het betaalde geld zou terugbetalen. Dit heeft aangeefster gedaan. Verdachte zegt dat het dus zijn eigen geld was dat door aangeefster contant en via de bankrekeningen aan verdachte is (terug)betaald.
Gezien het voorgaande draait het hoger beroep in de kern om de vraag aan wiens verklaring geloof wordt gehecht: die van aangeefster of die van verdachte.
Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat de verklaring van aangeefster bij het hof een geloofwaardige, authentieke indruk heeft gewekt. Haar verklaring schetst een plausibel verhaal met een logisch verloop, wat begon met het lenen van een enkel geldbedrag en wat uiteindelijk tot de afgifte van een totaalbedrag van €4.000,00 heeft geleid.
Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, vindt deze verklaring van aangeefster op verschillende punten steun in het dossier, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen die in een bijlage bij dit arrest zijn uitgewerkt.
In het bijzonder wijst het hof daarbij op de whatsapp-gesprekken die aangeefster en verdachte met elkaar hebben gevoerd. Hieruit blijkt dat aangeefster verdachte meermalen heeft gevraagd om het geld over te maken (p. 105) en haar geld terug te betalen (p. 106). Ook spreekt zij hierin richting verdachte over ‘het geleende geld’, dat ze 2 weken daarvoor hem geholpen heeft en haar geld graag terug wil (p. 108, p.112, p. 113), wordt er meerdere keren over een advocaat gesproken (p. 105, 107, 110, 111), en stuurt ze dat ze ‘een datum wil hebben dat hij bij zijn geld kan’, waarna verdachte zegt dat dat niet gebeurt tenzij er hulp komt en dat hij eind van de maand zijn huis uit moet door alles (p. 112). Verdachte zegt ook: “Als je gewoon meehielp en meedacht waren we al van elkaar af” (p.122) en “als jij nou 250 overmaakte had je alles binnen 30 min” (p. 123).
Hoewel het berichtenverkeer van de periode tot 3 weken na de ten laste gelegde periode dateert, kan hierin steun worden gevonden voor de verklaring van aangeefster. De berichten passen bij haar verklaring dat ze verdachte geld geleend heeft, dat verdachte haar vertelde dat hij niet bij zijn geld kon en er iets met een advocaat geregeld moest worden, en dat het allemaal opgelost zou worden als ze nog wat meer geld zou betalen. Ook is uit de aangehaalde appjes op p. 122 en 123 af te leiden dat verdachte bleef verzoeken om geld en dat hij een zekere druk op aangeefster uitoefende. Immers: als aangeefster nou gewoon meehielp en geld overmaakte, zou het direct opgelost zijn. Ook dit strookt met de door aangeefster beschreven eerdere handelswijze van verdachte. Het hof acht de verklaring van aangeefster gelet op het voorgaande geloofwaardig en betrouwbaar.
Daartegenover staat de verklaring van verdachte, die bij het hof een veel minder kloppende en geloofwaardige indruk heeft gewekt. Zo heeft verdachte nagelaten te onderbouwen hoe het voor hem mogelijk is geweest om in een relatief korte periode over in totaal tussen de € 4.500,00 en € 5.000,00 te beschikken, terwijl hij onder bewind stond en hij leefde van een gering bedrag aan leefgeld. Zijn stelling dat hij ‘wat geld omhanden had’ dat op de één of andere manier van zijn (toenmalige) voetbalclub afkomstig zou zijn, heeft hij – hoewel dat voor hem toch goed mogelijk moet zijn geweest – niet met stukken onderbouwd. En ook de uitleg die verdachte over de betalingen heeft gegeven, vindt geen enkele steun in het dossier en valt niet te rijmen met de aard en inhoud van de appjes die tussen hem en aangeefster zijn verstuurd. Het hof volgt verdachte daarom niet in zijn lezing en acht het ge-schetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden.
Op grond van de bewijsmiddelen en overwegingen zoals die in een bijlage bij dit arrest zijn uitgewerkt, stelt het hof vast dat er wel degelijk sprake is geweest van oplichting van [benadeelde 1] .
Samenweefsel van verdichtsels
Uit de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage zijn uitgewerkt, blijkt dat verdachte aangeefster telkens op een indringende manier heeft verzocht om geld, waarbij hij mededelingen en beloftes deed over terugbetalingen. Verdachte had een intieme relatie met aangeefster, heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem had en heeft druk op haar uitgeoefend. Het geheel van handelingen van verdachte moet naar het oordeel van het hof worden gekwalificeerd als een samenweefsel van verdichtsels.
Bewegen tot afgifte van geldbedragen
Het bestanddeel ‘bewegen tot’ in artikel 326 Sr Pro heeft betrekking op het causaal verband tussen het aanwenden van een oplichtingsmiddel, bestaande in de gedraging van de oplichter, en het resultaat, bestaande in de gedraging van de opgelichte. Het hof is van oordeel dat de opeenstapeling van bovengenoemde gedragingen van verdachte, tezamen en in onderling verband bezien, bij aangeefster een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor zij is bewogen tot de afgifte van geldbedragen, tot een totaal van
€ 4.000,00.
Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling
Ook aan het vereiste van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling is voldaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat vrijwel meteen nadat [benadeelde 1] de geldbedragen naar de rekeningen van [naam 1] en [naam 2] had overgemaakt, de geldbedragen door hen zijn opgenomen en vervolgens aan verdachte zijn overhandigd. Verdachte heeft de bedragen niet aan aangeefster terugbetaald
.
Uit deze feitelijke gang van zaken en de beschreven context is naar het oordeel van het hof af te leiden dat het handelen van verdachte erop was gericht om bij [benadeelde 1] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen en daarvan misbruik te maken, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, leidt het IQ van verdachte niet tot een ander oordeel omtrent het bewijs van het bestanddeel oogmerk, nu een laag IQ (volgens testpsychologisch onderzoek heeft verdachte een IQ van 58) niet per definitie betekent dat verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De verweren van de verdediging worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-350287-24:
primair
hij in de periode van 28 mei 2024 tot en met 4 juni 2024 te [plaats] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten tot het afgeven en overmaken van meerdere geldbedragen van (in totaal) 4.000,00 euro, door
- een (liefdes)relatie aan te gaan met die [benadeelde 1] ,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij tijdelijk niet over (zijn) geld kan beschikken en/of tijdelijk onvoldoende geld heeft,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij direct/spoedig geld nodig heeft omdat hij een rekening moest betalen,
- die [benadeelde 1] om geld (te leen) te vragen, waarbij hij telkens een spoedige terugbetaling in het vooruitzicht stelde/voorwendde,
- die [benadeelde 1] aan te bieden het tweevoudige terug te betalen terwijl hij niet over deze gelden beschikte,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij nog een deel moest betalen om zo weer bij zijn eigen geld te kunnen,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat hij een geldbedrag zou moeten lenen om zijn advocaat te betalen om zo weer bij zijn eigen geld te kunnen, waarna hij die [benadeelde 1] pas zou kunnen terugbetalen,
- die [benadeelde 1] voor te houden dat met zijn advocaat en de bank geregeld was dat die [benadeelde 1] , na betaling, haar geld gelijk terug zou krijgen,
- hetgeen hij die [benadeelde 1] voorhield dat alsmaar eerder zou gebeuren, als zij hem zou helpen met zijn geldproblemen, waardoor die [benadeelde 1] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte van meerdere geldbedragen en
- die geldbedragen niet terug te betalen aan die [benadeelde 1] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
oplichting.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Hetgeen de raadsvrouw omtrent verdachtes IQ heeft aangevoerd, maakt niet dat het feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Zoals bij de bewijsoverweging uiteen is gezet, heeft verdachte aangeefster voor een bedrag van in totaal € 4.000,00 opgelicht. Hij heeft aangeefster voor zijn eigen financieel gewin keer op keer bewogen tot de afgifte van geldbedragen door haar verhalen voor te spiegelen over zijn financiële situatie en te beloven dat hij het geld zou terugbetalen. Deze handelwijze toont grote gelijkenis met de manier waarop verdachte aangeefsters in de zaak met parketnummer 18-054351-24 geld heeft afgetroggeld, welke veroordelingen inmiddels onherroepelijk zijn. Het hof rekent het verdachte ernstig aan dat hij op die manier misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster in hem had en dat hij zich totaal niet bekommerd heeft om de mogelijke gevolgen voor haar. Integendeel: verdachte heeft geen enkele verantwoordelijk-heid voor zijn handelen genomen en de schuld volledig bij aangeefster gelegd.
Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar dat dit een andersoortig feit betreft dan het onderhavige delict. Deze veroordeling neemt het hof daarom niet in strafverzwarende zin mee.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn besproken en zoals die in het dossier naar voren komen. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden te kampen heeft gehad met een gokverslaving, waarvoor hij succesvol behandeld is. Volgens verdachtes raadsvrouw is zijn situatie stabiel en heeft hij geen financiële problemen. Hij volgt een opleiding en heeft vaste woonruimte. Het (niet recente) reclasseringsadvies van 19 juli 2024, neemt het hof in zoverre mee dat daarin een deels voorwaardelijke straf wordt geadviseerd, zonder bijzondere voorwaarden. Dit zou volgens de reclassering voldoende moeten zijn om het ingeschatte (gemiddelde) recidiverisico te doen afnemen.
Verder zijn geen bijzondere persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die een strafverhogend of strafmatigend effect op de op te leggen straf hebben. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het feit dat verdachtes intellectuele vaardigheden kennelijk op licht verstandelijk beperkt niveau liggen, niet tot gevolg dat het feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Bovendien is de bewezenverklaarde handelswijze van verdachte dusdanig doordacht en berekenend, dat het hof daarin ook anderszins geen enkele aanleiding ziet om de op te leggen straf te matigen.
Het hof houdt ten slotte rekening met de landelijk geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting die voor een fraudedelict met een benadelingsbedrag tot € 10.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week tot 2 maanden of een taakstraf inhouden.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een (deels voorwaardelijke) taakstraf, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht het noodzakelijk om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen. Deze straf dient als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Daarnaast acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, een passende bestraffing.

Bepalen straf parketnummer 18-054351-24 feiten 1 en 3

Het hoger beroep is alleen gericht tegen het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 tenlastegelegde. Door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is één hoofdstraf voor alle feiten opgelegd. Het hof moet in dit geval een straf bepalen voor het feit waartegen geen hoger beroep is ingesteld. Het hof bepaalt de straf voor de in de zaak met parketnummer 18-054351-24 onder 1 en 3 bewezenverklaarde misdrijven op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte zoals daarvan op de terechtzitting in eerste aanleg is gebleken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend, bestaande uit € 4.000,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft verzuimd op deze vordering te beslissen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte tot een bedrag van € 4.000,00 aan materiële schade. Dit betreft het totale geldbedrag dat door haar aan verdachte is betaald. De vordering wordt in zoverre toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat – hoewel het hof aanneemt dat het handelen van verdachte op aangeefster een behoorlijke impact heeft gehad – op grond van de onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat zij daardoor op de in de wet bedoelde wijze in haar persoon is aangetast. Het is een onevenredige belasting van dit strafproces om deze strafzaak aan te houden om de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te bieden daarvoor een nadere onderbouwing te geven. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom in zoverre niet-ontvankelijk in haar vordering. Zij kan die alsnog bij de civiele rechter indienen.
Om te bevorderen dat de materiële schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de
benadeelde partij [benadeelde 1]ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-350287-24 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 juni 2024.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 18-054351-24 onder 1 en 3 bewezenverklaarde op:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. A. Meester en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. H. Akkerman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 mei 2026.
Bijlage:
Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen inzake is bewezen verklaard de navolgende bewijsmiddelen:
1.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 september 2024, opgenomen op pagina 90 e.v. van het dossier met nummerPL0100-20241 84603, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
V = Vraag verbalisant
A = Antwoord verdachte
O = Opmerking verbalisant
als verklaring van verdachte:
V: [benadeelde 1] heeft aangifte gedaan tegen jou ter zake oplichting. Wie is [benadeelde 1] ?
A: Ja ik ken haar niet als [benadeelde 1] maar als [naam 3] .
V: Hoe ken je haar?
A: Via Badoo. Een datingapp.
A: Ze heeft het (het hof begrijpt: het geld) een paar keer gebracht en een paar keer heeft ze het gestort op een rekening van een kameraad.
V: Maar waarom laat je het op zijn rekening storten dan?
A: Ja ik had geen pinpas en ik kon het geld wel gebruiken.
V: Op een gegeven moment moest [benadeelde 1] het geld overmaken naar een rekening op naam van [naam 1] . Wie is deze persoon?
A: Een vriend van mij.
V: Waar ken jij hem van?
A: Van voetbal.
V: Wij hebben [naam 1] ook gehoord en hij verklaarde dat jij hem benaderd had met de vraag of er geld op [naam 1] zijn rekening gestort kon worden in verband met de
terugbetaling van een lening. Wat kan jij daar over verklaren?
A: Dat klopt gewoon.
V: In totaal had [benadeelde 1] 2750 euro overgemaakt naar de rekening van [naam 1] op jouw
verzoek. Wat vind jij daarvan?
A: Dat klopt denk ik. Als zij het zegt.
V: Wat is er met dat geld gebeurd?
A: Nou dat heb ik gewoon nog. Daar heb ik niet veel mee gedaan.
O:
28 mei '24 250 euro contant bij hem thuisgebracht.
29 mei '24 350 euro contant bij hem thuisgebracht.
30 mei '24 750 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
1 juni '24 750 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
3 juni '24 450 euro contant bij hem gebracht.
3 juni '24 200 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
4 juni '24 200 euro overgemaakt aan [naam 2] met rekeningnummer: [rekeningnummer2]
- [rekeningnummer3]
V: Dit geld is allemaal bij jou terecht gekomen. Direct of via via. Wat kan je
hierop zeggen?
A: Dat klopt.
2.
Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2024, opgenomen op pagina 7 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [benadeelde 1] :
Ik doe aangifte van oplichting. Doordat de verdachte gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, werd ik bewogen tot afgifte van geld.
Als ik zou hebben geweten, dat de verdachte gebruik maakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, dan zou ik niet tot afgifte zijn overgegaan. De oplichting vond als volgt plaats:
Op 18 april 2024 ben ik voor het eerst bij [verdachte] in [plaats] geweest. Ik heb hem online leren kennen via Badoo.nl. We hebben toen gewoon wat afgesproken en met elkaar gepraat.
In mei 2024, ik weet de exacte datum zo niet meer, stuurde hij mij een berichtje op Badoo. We hebben vervolgens app-contact gehad waarna het allemaal is begonnen. Het is ook allemaal vrij snel op elkaar gegaan. [verdachte] gaf op den duur aan mij door dat hij een rekening moest betalen en vroeg mij of ik hem kon helpen. Ik ben altijd wel bereid mensen te helpen daar waar mogelijk, dus toen heb ik hem 250 euro contant gebracht bij hem thuis aan het [adres 1] in [plaats] . Een dag later appte hij mij of hij per direct 350 euro van mij kon lenen om uit de rode cijfers te komen. Hij zei dat hij het mij gelijk terug zou betalen. Dit is tot op heden nog niet gebeurd.
Ik kon en durfde geen nee tegen hem te zeggen omdat [verdachte] mij erg onder druk zette. Elke dag werd er gezegd dat hij nog een deel moest betalen om zo weer bij zijn eigen geld te kunnen waarna hij mij pas kon terugbetalen. Volgens hem was het met de advocaat en de bank geregeld dat ik mijn geld dan ook gelijk terug zou krijgen. [verdachte] kwam elke dag heel erg opdringerig over waardoor ik geen nee durfde te zeggen en mij erg onder druk gezet voelde.
Omdat [verdachte] aangaf dat het geld terug zou komen appte ik hem elke dag met de vraag waar mijn geld bleef. Hij zei dat hij er niet bij kon. Er moest volgens hem nog meer geld bij om een advocaat te kunnen betalen. [verdachte] vond mij koppig omdat ik niet meer meewerkte.
Daarna zijn de betalingen vanaf 30 mei 2024 via de rekening van de mij onbekende [naam 1] gegaan. Ik heb [verdachte] paar keer gevraagd waarom ik het geld niet op zijn eigen rekening kon storten, maar hij gaf daar geen antwoord op.
[verdachte] bood ook aan om mij het dubbele bedrag terug te betalen.
Ik heb [verdachte] ook paar keer gevraagd of ik mee kon naar die advocaat om te wachten in de hal zodat hij alles kon regelen, maar ik heb nu wel door dat er helemaal geen advocaat in het verhaal voorkomt. Ik heb [verdachte] gevraagd om alles te regelen voor 1 juni, omdat wij ook onze vakantie moeten betalen, maar elke dag tot aan vrijdag 21 juni geeft hij aan het kan zo opgelost zijn als jij nog even geld bijbetaald. Ik heb hem elke keer gezegd dat ik hem geen geld meer verschuldigd ben. Ik wil eerst het geleende geld terug zien.
Ik heb [verdachte] de laatste tijd elke dag geappt en gevraagd waar mijn geld blijft omdat [verdachte] zei dat hij het zou terugbetalen als hij uit zijn roodstand was. Volgens hem ligt het geld bij de advocaat en moet er nog geld bij om de advocaat te betalen.
Na 4 juni heb ik geen geld meer naar hem over gemaakt omdat ik me toen begon te beseffen dat ik waarschijnlijk ben opgelicht. [verdachte] heeft opzettelijk misbruik gemaakt van mijn goedheid. Ik heb hem alleen willen helpen en ben nu voor 4150 euro (
het hof begrijpt: 4000,00) door hem opgelicht. Ik wil mijn geld dan ook heel graag van hem terug.
Hieronder de bedragen en namen en rekeningnummers en een aantal foto's van betaalopdrachten
28 mei '24 250 euro contant bij hem thuisgebracht.
29 mei '24 350 euro contant bij hem thuisgebracht.
30 mei '24 750 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
1 juni '24 750 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
3 juni '24 450 euro contant bij hem gebracht.
3 juni '24 200 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
4 juni '24 200 euro overgemaakt aan [naam 2] met rekeningnummer: [rekeningnummer2] - [rekeningnummer3]
Al deze overschrijvingen heb ik op het dwingende verzoek van [verdachte] gedaan.
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2024, opgenomen op pagina 43 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
als relaas van verbalisant:Ik, verbalisant [verbalisant] , had van de SNS bank de uitslag ontvangen van de vordering op basis van artikel 126ND Wetboek van Strafvordering omtrent verdachte [naam 1] . De vordering werd gedaan om inzicht te krijgen in alle inkomende en uitgaande transacties van rekeningnummer [rekeningnummer] .
Ik zag dat bankrekening [rekeningnummer] in de bevraagde periode van 23 mei tot 10 juni 2024 nagenoeg dagelijks werd gebruikt voor allerlei dagelijkse transacties. Ik zag dat op 30 mei 2024 er 750 euro werd bijgeschreven op rekening [rekeningnummer] en dat dit geld afkomstig was van [rekeningnummer4] , op naam van aangeefster [benadeelde 1] .
Ik had aangeefster [benadeelde 1] gebeld en gevraagd welke rekeningnummers van haar kan waren gebruikt voor de transacties. Zij gaf toen aan dat [rekeningnummer4] door haar was gebruikt voor de overschrijvingen.
Ik zag dat diezelfde dag bij een geldmaat aan de [adres 2] 650 euro werd opgenomen.
Ik zag dat op 31 mei 2024 350 euro werd bijgeschreven. Ik zag dat geld wederom afkomstig was [rekeningnummer4] . Ik zag dat ongeveer anderhalf uur later er weer 350 werd bijgeschreven door rekeningnummer [rekeningnummer4] .
Ik zag dat diezelfde dag 650 werd opgenomen bij een geldmaat aan de [adres 2] .
Ik zag dat diezelfde dag weer 350 werd bijgeschreven door [rekeningnummer4] . Ik zag dat ongeveer een uur later er weer 350 werd opgenomen bij de geldmaat aan de [adres 2] .
Ik zag dat op 1 juni 2024 750 euro werd bijgeschreven door [rekeningnummer4] . Ik zag ongeveer anderhalf uur later er 650 euro werd opgenomen bij een geldmaat aan de [adres 2] .
Ik zag dat op3 juni 2024 er 200 euro werd bijgeschreven door [rekeningnummer4] . Ik zag dat ongeveer 2 uur later er bij de [adres 3] 200 euro werd opgenomen/gepind.
4.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2024, p. 40 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als relaas van verbalisant:
Ik, verbalisant [verbalisant] , had van de ING Bank de uitslag ontvangen van de vordering op basis van artikel 126 ND Pro Wetboek van Strafvordering omtrent verdachte [naam 2] . De vordering werd gedaan om inzicht te krijgen in alle inkomende en uitgaande transacties van rekeningnummer [rekeningnummer2] .
In de periode van 25 mei 2024 tot 11 juni 2024 is de rekening dagelijks gebruikt voor af- en bijschrijvingen. Ik zag dat op 4 juni 2024 om 10.48 uur 200 euro werd
bijgeschreven op de rekening [rekeningnummer2] . Dit geld kwam van rekening
[rekeningnummer5] welke op naam stond van [naam 3] eo [benadeelde 1] .
Ik zag dat diezelfde dag om 12.51 uur 50 euro werd afgeschreven met als omschrijving: ' [naam 4] [plaats] NLD'. Ik zag dat diezelfde dag om 12.53 uur 100 euro werd afgeschreven met weer als omschrijving ' [naam 4] [plaats] NLD'. Mij is ambtshalve bekend dat de supermarkt Jumbo gevestigd is aan het [naam 4] te [plaats] .
Het bevraagde rekeningnummer is het rekeningnummer van [naam 2] .
5.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2024, pagina 59 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [naam 2] :
Ik kreeg een berichtje van [verdachte] via instagram. Hij vroeg mij of hij
geld kon overmaken naar mijn bankrekening. Ik moest dat geld toen pinnen en ik mocht dan zelf vijftig euro houden als bedankje. Ik had die tweehonderd (
het hof begrijpt: honderdvijftig) euro toen aan [verdachte] gegeven.
V: Wij hebben een vordering gedaan bij de bank en daaruit bleek dat jij 200 euro had gekregen en dat jij 1x 100 euro had gepind en vijftig euro had gepind.
V (
het hof begrijpt A): Bij de Jumbo daar in het [naam 5] . Daar heb ik het geld gepind. Ik had de vijftig euro welke ik had gekregen als bedankje op mijn rekening gelaten.
V: Toen jij dat geld aan [verdachte] gaf, wat zei hij toen tegen jou?
A: Alleen bedankt en toen ging hij weer naar zijn eigen huis.
6.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 september 2024, pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als verklaring van [naam 1] :V: Hoe ken jij [verdachte] ?
A: Via voetbal.
V: Waar ken jij aangeefster [benadeelde 1] van?
A: Nee.
V: Waarom maakte zij geld over naar jouw rekeningnummer?
A: Ja het was een terugbetaling, een lening. Verder weet ik er niks van.
V: Wie had een lening?
A: [verdachte] had een lening.
V: Maar hoe zit dit dan precies?
A: Ik zou het niet precies weten. [verdachte] vroeg aan mij of ik hem kon helpen. Dus ik zei tuurlijk, ik kan je wel helpen. Dus ik gaf mijn bankrekening nummer aan [verdachte] en toen is er geld op mijn rekening gekomen. Ik heb dat gepind aan hem gegeven.
V: Waarom op jouw bankrekening?
A: Omdat hij zei dat het niet op zijn bankrekening kon.
V: Uit de aangifte is gebleken dat er geld naar jou rekeningnummer [rekeningnummer] is overgemaakt.
A: Ja dat klopt.
V: In ons onderzoek is vastgesteld dat er meerdere geldbedragen, met een totale waarde van 2750 euro is overgemaakt naar jouw bankrekening te weten [rekeningnummer] . Hoe is het zo gekomen dat deze geldbedragen zijn overgemaakt naar jouw bankrekening?
A: Ja overgemaakt. Geholpen. Elke keer vroeg [verdachte] dat aan mij. Met [verdachte] bedoel ik [verdachte] dus.
30 mei '24 750 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
31 mei '24 350 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
1 juni '24 750 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
3 juni '24 200 euro overgemaakt aan [naam 1] met rekeningnummer: [rekeningnummer]
V: Wat kan je hier over verklaren?
A: Ja niks. Dat klopt ook. [verdachte] vroeg of dat op mijn rekening gestort kon worden omdat hij bij hem niet kon. Hij zei dat hij problemen had mijn zijn bank ofzo. Ik geloofde dat. Nu baal ik.
V: Wat heb jij met dat geld gedaan?
A: Ik heb altijd alles gepind en aan hem gegeven.
V: Heb jij toen ook geld van hem gekregen?
A: Nee.
V: Niks ontvangen of een gedeelte van het bedrag dat jij aan hem gaf, dat je dat
mocht houden?
A: Nee niks.
V: Had je ooit argwaan gekregen toen al die bedragen waren overgemaakt?
A: Nee eigenlijk niet.
V: We zien dat er steeds diezelfde dag de geldbedragen geheel of gedeeltelijk zijn opgenomen bij een geldmaat. Wie heeft dit geld opgenomen?
A: Ja ik en dan spraken we ergens af.
7.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, d.d. 12 september 2024, pagina 101 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :
als relaas van verbalisant:
Ik heb telefonisch contact gehad met aangeefster [benadeelde 1] en haar geconfronteerd met de verklaring van [verdachte] . Ik hoorde haar zeggen dat hij vrij snel dwingend over kwam met dat hij problemen had met rekeningen betalen en dat hij geld nodig had. Ik vroeg haar waarom ze iemand die ze amper kent zoveel geld geeft. Ik hoorde haar zeggen dat hij vrij agressief en dwingend over kwam waardoor ze voelde alsof ze met de rug tegen de muur stond en tot betaling over ging om te helpen.
Ik heb gevraagd of zij stukken kan aanleveren waaruit blijkt dat zij geld van [verdachte] tegoed heeft. Ik heb vervolgens meerdere whatsapp gesprekken gekregen van [benadeelde 1] . In deze gesprekken is [benadeelde 1] degene die teksten verstuurd in het groene balkje en [verdachte] in het witte balkje.
p. 105 (berichten 12 juni 2024):
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Je weet hoe het zit ik hoor van je als je geld hebt overgemaakt.”
o “Heb jij gegevens van je advocaat.”
o “Kan jij een gesprek met advocaat en jou en mij regelen.”
p. 106 (berichten 14 juni 2024):
Bericht van aangeefster naar verdachte:
o “Je weet best dat je mij geld terug moet betalen”.
Bericht van verdachte naar aangeefster:
o “Had allang klaar kunnen zijn. Jij kiest er voor.”
p. 107 (berichten 19 juni 2024):
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Jij regelt de kosten van de advocaat maar en anders achteraf.”
o “Want volgens mij ligt het geld niet eens daar.”
p. 107 (berichten 19 juni 2024):
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Je krijgt toch ook weer loon komende dagen.”
o “Dat wordt vast niet naar je advocaat over gemaakt”
o “Dan kan je alvast wat over maken”
o “Ik wil graag het geleende geld terug”
p. 110 (berichten 21 juni 2024):
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Je regelt het maar met die advocaat dat hij het geld aan je geeft en mij overmaakt.”
o “Jij onder neemt niks met de advocaat”
p. 111 (berichten 21 juni 2024):
Bericht van verdachte naar aangeefster:
o “Er is een oplossing wil je niet dan is er geen oplossing”
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Je weet dat ik je geen geld meer ga geven”
o “Jij regelt het met je advocaat en anders laat je mij die man maar bellen”
p. 112
Bericht van aangeefster naar verdachte:
o “Ik wil een datum hebben wanneer je bij je geld kan”
o “En ik heb je duidelijk gemaakt ik kan je geen hulp meer bieden”
o “Ik heb je 2 week terug geholpen en wil mijn deel van het geld graag”
Bericht van verdachte naar aangeefster:
o “Dat gebeurt niet zolang er geen hulp is helaas”
Bericht van aangeefster naar verdachte:
o “En ik heb je duidelijk gemaakt ik kan je geen hulp meer bieden”.
Bericht van verdachte naar aangeefster:
o “Ik moet einde van de maand straks me woning uit door alles”
p. 113 (berichten datum 21 juni 2024):
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Ik wil het geleende geld terug hebben”
o “Wat ik jou heb gegeven wil ik terug”
p. 118:
Berichten van aangeefster naar verdachte:
o “Anders geef je de gegevens van je advocaat”
Berichten van verdachte naar aangeefster:
o “Nee doe ik niet.”
o “Had allang klaar kunnen zijn”
Bericht van aangeefster naar verdachte:
o “Je moet goed luisteren ik geef geen geld meer. Je moet mij geld geven”
Berichten van verdachte naar aangeefster:
o “Zelfs vandaag binnen een uur”
o “Jij wil dat niet”
o “Is niet geven is helpen om ons probleem op te lossen”
p. 122:
Bericht van verdachte naar aangeefster:
o “Had allang klaar kunnen zijn. (…) Als je gewoon mee hielp en mee dacht waren we al van elkaar af”
p. 123:
Bericht van verdachte aan aangeefster:
o “Als jij nou 250 overmaakte had je alles binnen 30 min”