De zaak betreft het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland die de verlenging van de PIJ-maatregel voor de jeugdige had afgewezen. De PIJ-maatregel was opgelegd wegens medeplegen van doodslag en betreft een maatregel voor jeugdigen gericht op behandeling en beveiliging.
Het hof heeft de zaak op 16 april 2026 behandeld, waarbij deskundigen van de jeugdinrichting en reclassering zijn gehoord. De jeugdinrichting acht het behandelplafond binnen de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel bereikt, maar de reclassering vindt dat het huidige kader passend is en dat een voorwaardelijke beëindiging nog te prematuur is vanwege het middelengebruik en het gebrek aan openheid van de jeugdige.
De jeugdige heeft een matig recidiverisico en vertoont nog problematisch gedrag, zoals het overtreden van het middelenverbod en onvoldoende samenwerking met de reclassering. Hoewel er een voorzichtige positieve kentering is, zijn er nog meerdere stappen nodig in het traject. Het hof oordeelt dat verlenging van de PIJ-maatregel met twaalf maanden noodzakelijk is voor de veiligheid van anderen en het belang van een gunstige ontwikkeling van de jeugdige.
De beslissing van de rechtbank wordt vernietigd en de PIJ-maatregel wordt verlengd tot 12 november 2026, met een voorwaardelijke beëindiging een jaar daarvoor en een onvoorwaardelijke beëindiging op 12 november 2027.