Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2676

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.333.595/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag en zorgregeling na vertrek moeder met minderjarige naar buitenland

In deze civiele procedure bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden staat het gezamenlijk gezag en de zorgregeling over een minderjarige centraal. De moeder is tijdens de procedure zonder toestemming van de vader met het kind naar het buitenland vertrokken en heeft sindsdien geen contact meer met de vader onderhouden. De rechtbank had eerder het gezamenlijk gezag vastgesteld en een zorgregeling bepaald.

Het hof verwijst naar eerdere tussenbeschikkingen en constateert dat de moeder de raad voor de kinderbescherming de mogelijkheid heeft ontnomen om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie. De moeder heeft ook niet gereageerd op informatie over haar verblijfplaats. De vader heeft zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van het kind bij hem te bepalen ingetrokken.

Het hof oordeelt dat geen uitzonderingen zijn gebleken die het gezamenlijk gezag in het belang van het kind zouden verhinderen. De moeder had het kind niet zonder toestemming mee mogen nemen en het contact met de vader niet mogen verbreken. De rechtbankbeslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad en moeten worden nageleefd. Het hof bekrachtigt daarom het gezamenlijk gezag en de zorgregeling en wijst de overige verzoeken af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere ouder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en de zorgregeling en wijst verdere verzoeken af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.595
(zaaknummer rechtbank Gelderland 416477)
beschikking van 30 april 2026
inzake
[verzoekster],
voorheen wonende in [woonplaats1] , nu verblijvende in [woonplaats2] ( [land] ),
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.R. Gorseling,
en
[verweerder],
wonende in [woonplaats3] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. V.M.J.M. Kuit.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 24 april 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
  • twee journaalberichten namens de vader van 23 oktober 2025 met een productie;
  • een journaalbericht namens de moeder van 29 oktober 2025;
  • een journaalbericht namens de vader van 18 februari 2026 met producties;
  • een e-mailbericht namens de moeder van 19 februari 2026.
1.3
Op 20 maart 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk in de Russische taal;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).
1.4
Na de mondelinge behandeling is zoals besproken met partijen ingekomen een journaalbericht namens de vader van 2 april 2026 met als bijlage een e-mail van de districtsrecherche [regionaam] van 8 november 2024 waaruit blijkt dat de politie het adres waar de moeder en [de minderjarige] , geboren [in] 2015, verblijven in [woonplaats2] hebben achterhaald. De moeder is in de gelegenheid gesteld op deze informatie te reageren, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij wat het heeft overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van 30 april 2024 en 24 april 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In de beschikking van 24 april 2025 is de behandeling van de verzoeken in hoger beroep nogmaals aangehouden, omdat nog steeds de verblijfplaats van de moeder en [de minderjarige] onbekend was en de vader inmiddels een teruggeleidingsprocedure in [land] was gestart. In afwachting van het verloop van deze procedure is de zaak aangehouden voor de duur van zes maanden in de hoop dat in de tussenliggende periode meer duidelijk werd hoe het met [de minderjarige] (en de moeder) ging en de raad mogelijk alsnog het door het hof gewenste onderzoek kon uitvoeren.
2.3
Het hof merkt allereerst op dat de vader zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen op de mondelinge behandeling heeft ingetrokken. Het hof hoeft daarom niet meer op dit verzoek te beslissen. Ter beoordeling liggen nog voor het verzoek van de moeder over het gezag en het verzoek van beide ouders over de zorgregeling.
Wat staat er in de wet over het gezag?
2.4
De vader van [de minderjarige] kan samen met de moeder belast worden met het gezag over [de minderjarige] . Het verzoek daartoe wordt alleen afgewezen als:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [1]
Wat staat er in de wet over de zorgregeling?
2.5
De rechter kan op verzoek van de ouders of één van hen de zorgregeling, die eerder is vastgesteld door een rechter of die de ouders samen zijn overeengekomen, wijzigen, als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd. [2]
2.6
Niet in geschil is tussen de ouders dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling mogelijk maakt.
Hoe oordeelt het hof?
2.7
Het hof heeft twee jaar geleden in de beschikking van 30 april 2024 de beslissing over het gezag en de zorgregeling aangehouden, omdat de moeder zich grote zorgen maakte over [de minderjarige] wanneer hij bij de vader verbleef, terwijl de vader juist benadrukte dat hij goed voor [de minderjarige] zorgde en openstond voor observatie en hulp.
Om de zorgen van de moeder te onderzoeken en omdat beide ouders openstonden voor een onderzoek door de raad is de beslissing over het gezag en de zorgregeling aangehouden. Uit het rapport van Veilig Thuis van 5 april 2024 blijkt eveneens dat het belangrijk was dat de opvoedingssituatie en het contact tussen de ouders en [de minderjarige] in beide huizen werd geobserveerd en in kaart werd gebracht. De moeder is in juli 2024 samen met [de minderjarige] uit Nederland vertrokken naar een destijds onbekende stemming. Ook heeft de moeder ieder contact verbroken met onder meer haar advocaat, de vader en de raad. Hierdoor heeft de moeder de raad de mogelijkheid ontnomen te onderzoeken of de door de haar genoemde zorgen terecht waren. Het zijn nu enkel verklaringen van de moeder die verder niet worden onderbouwd met bewijsstukken van onafhankelijke derden. De moeder heeft de afgelopen twee jaren de gelegenheid gehad alsnog haar medewerking te verlenen aan het onderzoek door de raad, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. Dat de moeder mogelijk niet vrijwillig is vertrokken uit Nederland, zoals haar advocaat stelt, volgt niet uit de overgelegde stukken.
2.8
Gelet op het voorgaande, komt het hof tot de conclusie dat op basis van de stukken in het dossier en hetgeen is besproken op de zittingen, ook in hoger beroep niet is gebleken van een uitzondering op het uitgangspunt van de wetgever dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is en verder is niet gebleken dat door de moeder gewenste zorgregeling meer in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht. Het kan de vader niet worden verweten dat hij geen uitvoering geeft aan zijn gezag en dat er geen contact is met [de minderjarige] . Het is de moeder die geen uitvoering geeft aan de beslissingen van de rechtbank van 10 juli 2023. De rechtbank heeft de beslissingen over het gezag en de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dat betekent dat deze beslissingen direct moet worden nageleefd, ook al is er hoger beroep ingesteld. De moeder had daarom niet zonder toestemming van de vader [de minderjarige] mee naar het buitenland mogen nemen en had ook niet elk contact tussen de vader en [de minderjarige] mogen verbreken. De vader heeft gevraagd de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling uit te breiden en heeft een aantal met de zorgregeling verband houdende verzoeken gedaan. Het hof ziet geen reden om deze verzoeken op dit moment toe te wijzen. Er is al geruime tijd geen contact meer geweest tussen de vader en [de minderjarige] . Bij het herstel van het contact tussen de vader en [de minderjarige] zal daarom in eerste instantie met een opbouwregeling moeten worden toegewerkt naar de huidige zorgregeling. Vanuit die situatie zal moeten worden bekeken wat in het belang van [de minderjarige] is met betrekking tot de verdere invulling van de zorgregeling.
2.9
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beslissing van de rechtbank om de ouders samen met het gezag over [de minderjarige] te belasten en de beslissing over de zorgregeling, in stand laten (bekrachtigen).
De proceskosten
2.1
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere ouder de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 juli 2023 ten aanzien van de beslissingen over het gezag over [de minderjarige] en over de zorgregeling;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.H.F. van Vugt en C.M. Schönhagen, en is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Voetnoten

1.1:253c van het Burgerlijk Wetboek
2.1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW