Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2675

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.356.886/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:377b BWParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezagsregeling en alimentatie na echtscheiding met alleenstaand gezag moeder

De man en vrouw zijn in 2023 gehuwd en hebben een kind geboren in 2024. Na ontbinding van het huwelijk vroeg de vrouw alleen belast te worden met het gezag over het kind en alimentatie vast te stellen. De rechtbank wees het verzoek van de man om gezamenlijk gezag af en stelde alimentatiebedragen vast.

In hoger beroep verzocht de man om gezamenlijk gezag, lagere alimentatie en een informatieregeling. Het hof bevestigde dat het in het belang van het kind is dat de moeder alleen het gezag draagt vanwege het risico dat het kind klem raakt tussen ouders en de verstoorde relatie. De man heeft het kind nooit gezien en ontvangt geen informatie.

Het hof stelde de behoefte van het kind vast volgens expertadvies en berekende de draagkracht van de man, waarbij twijfel bestond over zijn medische verklaringen. De partneralimentatie werd vastgesteld op een lager bedrag dan door de vrouw gevraagd, rekening houdend met haar PTSS en beperkte draagkracht. De informatieregeling bepaalt dat de vrouw onder begeleiding van een neutrale derde de man maandelijks informeert over het kind.

De verdeling van de inboedel bleef ongewijzigd. Het hof vernietigde de alimentatiebeslissing van de rechtbank en stelde deze opnieuw vast, bekrachtigde het gezagsbesluit en wees overige verzoeken af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag af, stelt partner- en kinderalimentatie vast en legt een informatieregeling op.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.356.886/01 en 200.356.888
(zaaknummers rechtbank Overijssel 316732 en 323730)
beschikking van 30 april 2026
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats1] , Duitsland,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
thans zonder advocaat,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.M. Elfrink.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, tevens houdend verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking met producties, ingekomen op 11 juli 2025;
  • het verweerschrift in het verzoek tot schorsing en de hoofdzaak met producties;
  • een journaalbericht van mr. Geersen-Janssen van 10 september 2025, waarin zij zich onttrekt als advocaat van de man;
  • een e-mailbericht van de man van 4 februari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de man,
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2023 met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.
3.2
Partijen hebben de Nederlandse en de Syrische nationaliteit.
3.3
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2024.
3.4
De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) € 3.000,- per maand dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (verder ook: kinderalimentatie) € 535,- per maand dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en
  • te bepalen dat de vrouw alleen zal zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
3.5
De man heeft in eerste aanleg verweer gevoerd. Daarnaast heeft de man de rechtbank verzocht:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; en
  • de inboedel tussen partijen te verdelen.
3.6
Het huwelijk van partijen is op 14 juli 2025 ontbonden door inschrijving van de bestreden (echtscheidings)beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat de vrouw vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (14 juli 2025) alleen is belast met het gezag over [minderjarige] ;
  • de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 254,- per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (14 juli 2025);
  • de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 535,- per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (14 juli 2025), de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
  • de televisie en de bank aan de vrouw toebedeeld; en
  • de Amerikaanse koelkast aan de man toebedeeld zonder nadere verrekening.
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof de werking van de bestreden beschikking te schorsen, zolang er nog niet is beslist op het verzoek in hoger beroep.
Daarnaast verzoekt de man het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:
  • partijen gezamenlijk belast blijven met het gezag over [minderjarige] ;
  • de man niet meer kinderalimentatie kan betalen dan € 112,- per maand dan wel een bijdrage vast te stellen die het hof juist oordeelt;
  • de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen;
  • aan de vrouw een informatieverplichting wordt opgelegd, waarbij de vrouw de man maandelijks informeert over de ontwikkelingen van [minderjarige] dan wel een informatieregeling vast te stellen die het hof juist oordeelt; en
  • aan de man wordt toegedeeld de Amerikaanse koelkast, de televisie en de bank vanuit de beperkte gemeenschap van partijen.
4.3
De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:
  • de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking dan wel dit verzoek af te wijzen; en
  • de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in de hoofdzaak dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
Bij beschikking van 23 september 2025 heeft dit hof het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking afgewezen.

5.De motivering van de beslissing

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld bevoegd te zijn om te oordelen op de verschillende verzoeken van partijen. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat Nederlands recht op die verzoeken van toepassing is. Het hof dient de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ambtshalve te beoordelen. Het hof stelt vast op dezelfde gronden als de rechtbank dat de Nederlandse rechter ten aanzien van alle verzoeken bevoegd is. Tegen de beslissing van de rechtbank Nederlands recht toe te passen hebben de partijen geen grief gericht zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Gezag (grief 1)
5.2
In artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
De man verzoekt het hof om hem naast de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] . De man heeft een moeilijke tijd gehad, waarin hij meer problemen had dan hij in korte tijd kon oplossen. De man verloor zijn baan en in korte tijd moest hij op zoek naar een andere woning en een nieuwe baan. De afgelopen tijd heeft de man op verschillende manieren geprobeerd om in contact met de vrouw te komen, maar de vrouw staat daar niet voor open. De man weet niet wat hij nog meer kan doen. De vrouw informeert de man ook niet over [minderjarige] . De man voert verder aan dat hij rechten heeft in het leven van [minderjarige] . Dat is niet onderhandelbaar of afhankelijk van de overtuiging van de vrouw. De vrouw laat zich lasterlijk en aanvallend uit over de man en behandelt hem respectloos. Als de vrouw alleen wordt belast met het gezag over [minderjarige] , dan wordt zij beloond voor haar weigering om met de man te communiceren. De man ervaart dat gezamenlijk gezag het laatste middel is om met [minderjarige] in contact te blijven. De vrouw wil de man uit het leven van [minderjarige] weren. De man wil enkel het beste voor [minderjarige] en staat open voor begeleiding door een neutrale partij. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij weet wie zijn vader is en dat hij een band met hem opbouwt. Tot slot heeft de man toegelicht door welke omstandigheden hij geen vervangende toestemming heeft verleend voor de besnijdenis van [minderjarige] , de inschrijving van [minderjarige] op het kinderdagverblijf, het aanvragen van een identiteitskaart en een vakantie.
5.4
De vrouw voert gemotiveerd verweer. De vrouw heeft inmiddels al twee procedures voor vervangende toestemming moeten starten. Eén procedure voor de besnijdenis van [minderjarige] , het aanvragen van een identiteitskaart en voor inschrijving van [minderjarige] op een kinderdagverblijf en één procedure om vervangende toestemming voor een vakantie te verkrijgen. De vrouw meent dat haar belang om beslissingen voor [minderjarige] te kunnen nemen zwaarder dient te wegen dan het belang van de man om naast de vrouw te worden belast met het gezag over [minderjarige] . De vrouw voert verder aan dat zij tijdens en na afloop van de relatie met de man ernstige fysieke en psychische klachten heeft ontwikkeld door het gedrag van de man. Deze klachten zijn medisch erkend en er is PTSS bij de vrouw vastgesteld. De vrouw krijgt hiervoor ook hulpverlening. De vrouw betwist bovendien dat de man heeft geprobeerd om met haar in contact te komen. De man heeft de vrouw juist overal geblokkeerd. De vrouw erkent dat het voor [minderjarige] belangrijk is dat hij weet wie zijn vader is, maar zij heeft geen vertrouwen in de man. De vrouw is bang dat de man [minderjarige] meeneemt naar Syrië en dat baart haar ernstige zorgen.
5.5
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw alleen is belast met het gezag over hem. Bovendien bestaat er bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen de ouders. Dat betekent dat is voldaan aan beide gronden om de vrouw alleen belast te laten zijn met het gezag over [minderjarige] . Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
5.6
De man heeft [minderjarige] nog nooit gezien en weet niets over zijn ontwikkeling. Reeds daarom kan de man nu geen beslissingen over [minderjarige] nemen omdat de man niet weet welke beslissingen in het belang van [minderjarige] zijn. Het hof heeft daarbij oog voor de moeilijke situatie die de man ervaart doordat communicatie met de vrouw niet mogelijk is en doordat hij geen informatie over [minderjarige] ontvangt. Dit verandert alleen niet de situatie dat er op dit moment geen communicatie tussen partijen mogelijk is. Het lukt de man niet om zijn eigen aandeel te zien in de verstoorde relatie met de vrouw en de angsten die de vrouw voor hem heeft. Deze angsten zijn naar het oordeel van het hof reëel gelet op zijn gedrag in het verleden jegens de vrouw. De man heeft voor de angsten van de vrouw echter tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geen enkel begrip getoond. Het ligt op de weg van de man om hulpverlening te zoeken om meer inzicht te krijgen in zijn gedrag en de negatieve gevolgen daarvan voor de vrouw en daarmee ook voor [minderjarige] . Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de raad de rechtbank recent heeft geadviseerd om het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] aan te houden voor de duur van negen maanden. De vrouw is de hoofdverzorger van [minderjarige] en [minderjarige] is gelet op zijn jonge leeftijd volledig afhankelijk van de vrouw. Onder deze omstandigheden is het in het grootste belang van [minderjarige] dat de vrouw, waar nodig met ondersteuning van hulpverlening, voor [minderjarige] kan blijven zorgen en dat zij niet ‘omvalt’.
Informatieverplichting (grief 4)
5.7
Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW kan op verzoek van een ouder een informatie- en consultatieregeling worden vastgesteld. Het tweede lid bepaalt dat van het eerste lid kan worden afgeweken als het belang van het kind dat vereist.
5.8
Het hof overweegt dat de man recht heeft op informatie over [minderjarige] , maar dat het nu voor de vrouw een te grote belasting is om de man te informeren. Van de vrouw kan daarom op dit moment niet worden gevergd dat zij de man op dit moment rechtstreeks informeert.
5.9
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat tijdens het raadsonderzoek is afgesproken dat de raadsonderzoeker contact opneemt met de gemeente, zodat de vrouw via een tussenpersoon informatie aan de man kan verstrekken. De vrouw heeft geen bezwaar gemaakt tegen de frequentie van eenmaal per maand. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding te bepalen dat de vrouw, onder begeleiding van een neutrale derde, met ingang van april 2026 de man eenmaal per maand zal informeren over [minderjarige] .
Kinderalimentatie (grief 3)
5.1
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat:
  • de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en partneralimentatie 14 juli 2025 is;
  • dat de vrouw met ingang van 23 december 2024 een uitkering op grond van de Participatiewet (bijstandsuitkering) ontvangt en dat zij geen draagkracht heeft voor een bijdrage in de behoefte van [minderjarige] ; en
  • de man op 14 juli 2025 een inkomen had van € 4.429,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering van € 3.192,-.
Behoefte [minderjarige]
5.11
De man voert aan dat de behoefte van [minderjarige] opnieuw moet worden berekend, omdat [minderjarige] weliswaar tijdens het huwelijk is geboren, maar nooit met partijen in gezinsverband heeft gewoond. De vrouw meent dat de rechtbank de behoefte van [minderjarige] op juiste wijze heeft vastgesteld.
5.12
De expertgroep adviseert in 3.2.5 van het Rapport Alimentatienormen januari 2025 in die situatie het volgende:

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.
5.13
Tussen partijen is niet in geschil dat zij nooit samen met [minderjarige] in gezinsverband hebben geleefd. Het hof ziet daarom aanleiding de behoefte van [minderjarige] vast te stellen, zoals hiervoor door de expertgroep is aanbevolen. Dat het de bedoeling was van partijen om met [minderjarige] in gezinsverband te gaan wonen, zoals door de vrouw is betoogd, leidt niet tot een ander oordeel.
5.14
Het hof zal de behoefte van [minderjarige] vaststellen op basis van de inkomensgegevens van partijen van 2024-2, omdat [minderjarige] [in] 2024 is geboren.
5.15
Aan de zijde van de man gaat het hof uit van een inkomen van € 4.429,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering van € 3.192,-.
Blijkens de aangehechte behoefteberekening bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op basis van dit inkomen € 3.917,- per maand. Op basis van het inkomen van de man bedroeg de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 542,- per maand.
5.16
De man heeft het door de vrouw gestelde inkomen in 2024 van € 18.460,- (productie 17 bij de brief namens de vrouw van 25 november 2024) niet betwist, zodat het hof hiervan uitgaat. Het NBI van de vrouw wordt vermeerderd met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Blijkens de aangehechte behoefteberekening bedraagt het NBI van de vrouw op basis van het voorgaande € 1.743,- per maand. De behoefte van [minderjarige] op basis van de inkomensgegevens van de vrouw in 2024 bedroeg € 189,- per maand.
5.17
Overeenkomstig de aanbevelingen van de expertgroep zal het hof het gemiddelde van de behoefte bij de man en de behoefte bij de vrouw als uitgangspunt nemen. Dat betekent dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 366,- per maand bedroeg. Na indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 390,- per maand en in 2026 € 408,- per maand.
Draagkracht man
5.18
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling op 5 februari 2026 verklaard dat zijn dienstverband niet wordt verlengd en daarom eind februari 2026 eindigt. Het hof begrijpt uit de stelling van de man dat hij verzoekt om bij de bepaling van zijn draagkracht rekening te houden met de omstandigheid dat zijn inkomen vanaf maart 2026 daalt.
5.19
Het hof overweegt dat uit door de man overgelegde stukken inderdaad blijkt dat het dienstverband van de man met ingang van 28 februari 2026 eindigt. Anders dan de man trekt het hof hieruit echter niet de conclusie dat hiermee is gebleken dat het inkomen van de man daadwerkelijk zal dalen. Vast staat immers dat de man eerder van baan is gewisseld en op dat moment een vergelijkbaar inkomen heeft kunnen verdienen.
5.2
De man heeft namelijk op geen enkele wijze aangetoond op welke wijze hij zich heeft ingespannen om aan zijn zwaarwegende onderhoudsplicht voor [minderjarige] te voldoen. De man heeft juist tijdens de mondelinge behandeling verklaard op dit moment niet te solliciteren, maar dat pas te gaan doen als hij weer rustig is. Dan zal de man kijken wanneer hij weer kan beginnen met werken. Het hof is van oordeel dat de man hiermee niet voldoet aan de op hem rustende onderhoudsplicht voor [minderjarige] . Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de door de man - ter onderbouwing van zijn medische situatie - overgelegde brieven van AFZ PsyCare van 2 juli 2025, 12 september 2025 en 2 februari 2026 de nodige twijfel over de authenticiteit daarvan oproepen. Op deze brieven staat dat ze zijn geschreven door WO-psycholoog, [psycholoog] , maar deze brieven zijn niet ondertekend. Daarnaast is deze psycholoog niet terug te vinden in het BIG-register en staat op het adres dat in de brief wordt genoemd geen psycholoog, maar een huisarts, ingeschreven. Tot slot heeft de man wisselende verklaringen afgelegd over de behandeling die hij bij deze psycholoog zou hebben ondergaan. Onder deze omstandigheden kan aan de door de man overgelegde brieven niet de waarde worden gehecht die de man daaraan gehecht wenst te zien. Het hof gaat onder deze omstandigheden bij de berekening van de draagkracht van de man uit van het inkomen zoals hiervoor is genoemd.
5.21
De man vraagt het hof ook om uit te gaan van een dienstverband van vier dagen per week in plaats van een fulltime dienstverband. De man wil meer tijd doorbrengen met [minderjarige] en taalcursussen en een mastercursus techniek volgen. Als de man minder werkt, zal zijn inkomen dalen en heeft hij minder draagkracht.
5.22
Het hof gaat ook aan dit verzoek voorbij. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er op dit moment geen contact is tussen de man en [minderjarige] en dat er de komende tijd ook geen contact zal zijn. Daarnaast heeft de man zijn stelling dat hij taalcursussen of een mastercursus zou willen volgen onvoldoende concreet onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van een aanmelding of inschrijfbewijs.
5.23
Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man ook geen rekening met extra reiskosten. Ondanks zijn toezegging heeft de man deze kosten niet nader onderbouwd. De door de man aangevoerde wegenbelasting, autoverzekering en afschrijving op de auto zijn verdisconteerd in de voor de man geldende bijstandsnorm.
5.24
Het hof ziet evenmin aanleiding om uit te gaan van een hoger woonbudget dan 30% van zijn netto besteedbaar inkomen zoals door de man is verzocht. Hiervan kan sprake zijn als sprake is van duurzaam én aanmerkelijk hogere woonlasten dan het woonbudget. Het ligt op de weg van de man als onderhoudsplichtige om dit nader te onderbouwen en inzichtelijk te maken. Dat heeft de man nagelaten.
5.25
Het hof zal de draagkracht niet gedurende vijf jaar corrigeren met een maandelijks bedrag van € 200,- voor de aanschaf van meubels totdat een totaalbedrag van € 10.000,- is bereikt. Het hof overweegt dat het betalen van kinderalimentatie dient te prevaleren boven een dergelijke reservering. Als de man meer geld wil uitgeven aan meubels, dan zal hij dit vanuit zijn vrije ruimte dienen te voldoen.
5.26
De man vraagt het hof tot slot om bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met de aflossing van € 250,- per maand op drie schulden, namelijk:
  • een schuld bij zijn eerste advocaat van € 3.608,-;
  • een niet nader onderbouwde schuld aan zijn tweede advocaat; en
  • een schuld bij het LBIO van € 7.496,-.
5.27
Het hof houdt geen rekening met aflossingen op de schuld op het LBIO, omdat deze schuld is ontstaan doordat de man heeft nagelaten de - overeenkomstig zijn draagkracht vastgestelde - kinder- en partneralimentatie te betalen. Daarmee is het ontstaan van deze schuld vermijdbaar.
5.28
Het hof zal in redelijkheid wel rekening houden met een aflossing van € 150,- per maand aan advocaatkosten. De man heeft het bestaan van deze schuld voldoende aangetoond (productie 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg) en niet is gebleken dat de man zich op een eerder moment van deze schuld heeft kunnen bevrijden.
Conclusie
5.29
Blijkens de aangehechte draagkrachtberekening bedraagt het NBI van de man op basis van voorgaande gegevens € 3.667,- per maand en zijn draagkracht € 775,- per maand. Dit betekent dat de door de man te betalen kinderalimentatie zal worden beperkt door de behoefte van [minderjarige] van € 390,- per maand in 2025 en € 408,- per maand in 2026.
Partneralimentatie (grief 2)
5.3
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat:
  • de behoefte van de vrouw in 2025 € 2.494,- netto per maand bedroeg; en
  • de aanvullende behoefte van de vrouw naar aftrek van haar eigen inkomen van € 1.250,- netto per maand nog € 1.244,- netto per maand bedroeg.
Behoeftigheid
5.31
De man voert aan dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. De vrouw heeft voorafgaand aan haar zwangerschap gewerkt als apothekersassistente. Het is de man niet duidelijk waarom de vrouw daarmee is gestopt. Daarnaast heeft de vrouw verzocht om vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een kinderdagverblijf, omdat zij weer wilde gaan werken.
5.32
In het behandelplan van Novem van 18 juni 2025 (productie 10 bij het verweerschrift in hoger beroep) is te lezen dat bij de vrouw PTSS is vastgesteld. Daarvoor is traumabehandeling nodig, maar daarvoor was op het moment van het opstellen van het behandelplan de draagkracht van de vrouw nog te beperkt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw onweersproken verklaard dat haar behandeling recent is gestart. Als de behandeling is afgerond en het goed gaat, verwacht de vrouw weer te kunnen gaan werken en studeren. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden op dit moment niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij voorziet in haar eigen levensonderhoud. Het voorgaande neemt niet weg dat van de vrouw verlangd wordt dat zij zich in de toekomst zal inspannen om (zo veel als mogelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Draagkracht man
5.33
Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van dezelfde uitgangspunten zoals hiervoor genoemd bij de berekening van zijn draagkracht voor kinderalimentatie.
Conclusie
5.34
Blijkens aangehechte draagkrachtberekening bedroeg de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw in 2025 € 1.062,- per maand.
5.35
Nu de man niet slechter mag worden van zijn verzoek in hoger beroep zal het hof de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 14 juli 2025 vaststellen op € 254,- per maand en – vanwege de wettelijke indexering – met ingang van 1 januari 2026 op € 266,- per maand. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie vernietigen en deze beslissing in het dictum (onderaan deze beschikking onder ‘de beslissing’) opnemen.
Verdeling (grief 5)
5.36
De rechtbank heeft in bestreden beschikking overwogen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over toedeling van de koelkast, televisie en bank van partijen. De rechtbank heeft, zonder nadere verrekening over en weer, de televisie en de bank aan de vrouw toebedeeld en de koelkast aan de man.
5.37
De man heeft in hoger beroep verzocht om ook de televisie en de bank aan hem toe te bedelen, omdat hij deze goederen heeft betaald. Dit blijkt ook uit de facturen en betaalbewijzen. De rest van de inboedel mag bij de vrouw blijven.
5.38
De vrouw voert gemotiveerd verweer. De vrouw heeft meebetaald aan de meubels en heeft hiervan bankoverschrijvingen. De man heeft verschillende (elektrische) spullen uit de woning meegenomen en andere spullen beschadigd of kapot gemaakt. De vrouw vraagt daarom de bestreden beschikking op dit punt te beschadigen.
5.39
Het hof overweegt dat nu niet meer is vast te stellen wie welke meubels, (elektrische) apparaten en andere inboedel heeft aangeschaft en welke afspraken zij daarover hebben gemaakt. Ook is niet meer vast te stellen op welke wijze de inboedel tussen partijen is verdeeld. Onder deze omstandigheden ziet het hof, nog daargelaten dat de rechtbank heeft overwogen dat partijen overeenstemming hadden bereikt, geen reden om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank. Dat betekent dat het hof het verzoek van de man zal afwijzen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, uitsluitend voor zover deze ziet op de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie, vernietigen en beslissen als volgt. Daarnaast zal het hof - aanvullend - een informatieregeling vaststellen.

7.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
8.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 mei 2025, uitsluitend voor zover deze ziet op de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
8.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 14 juli 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 390,- per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2026 € 408.- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
8.3
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 14 juli 2025 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 254,- per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2026 € 266,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
8.4
bepaalt aanvullend dat de vrouw, onder begeleiding van een neutrale derde, de man met ingang van april 2026 eenmaal per maand zal informeren over [minderjarige] ;
8.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
8.6
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 mei 2025, voor zover hierin is beslist over het gezag en de verdeling;
8.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, R. Feunekes en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.