ECLI:NL:GHARL:2026:266

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.355.181
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: onvoldoende inzicht DGA in financiële situatie

De man en vrouw zijn ouders van drie minderjarige kinderen die bij de vrouw wonen. De rechtbank had een bijdrage van €330 per kind per maand vastgesteld, zonder verweer van de man. In hoger beroep betwist de man dit bedrag en stelt dat het inkomen van partijen in 2022 moet worden gehanteerd, terwijl de vrouw uitgaat van 2023 en een hoger inkomen van de man als DGA.

Het hof volgt de systematiek van de Expertgroep Alimentatie en bepaalt de behoefte van de kinderen op basis van het jaar 2023, het jaar van relatiebeëindiging. Het wettelijk minimum DGA-salaris van €51.000 bruto per jaar wordt als uitgangspunt genomen, omdat de man onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie en zijn stellingen onvoldoende onderbouwde.

De netto behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op gemiddeld €582 per maand in 2023, geïndexeerd naar €618 in 2024. De draagkracht van de man wordt berekend op basis van een netto besteedbaar inkomen van €3.179 per maand, met een draagkracht van €668 per maand. De vrouw heeft geen draagkracht vanwege haar bijstandsinkomen.

Het hof bepaalt dat de man vanaf 23 juli 2024 een bijdrage van €223 per kind per maand moet betalen, oplopend tot €248 per kind per maand per 1 januari 2026. De bestreden beschikking wordt vernietigd en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man af en bepaalt een lagere kinderalimentatie op basis van het wettelijk minimum DGA-salaris.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.181
(zaaknummer rechtbank Overijssel 321696)
beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[man],
wonende te [woonplaats1] (Bondsrepubliek Duitsland),
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis,
en
[vrouw],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.S.M. Oude Breuil.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 mei 2025;
  • het verweerschrift;
  • een journaalbericht van mr. Ten Brummelhuis van 7 oktober 2025 met producties;
  • een journaalbericht van mr. Oude Breuil van 8 oktober 2025 met producties;
  • een journaalbericht van mr. Ten Brummerhuis van 13 november 2025 met producties.
2.2
De zitting was op 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [minderjarige1] ( [minderjarige1] ), geboren [in] 2020;
  • [minderjarige2] ( [minderjarige2] ), geboren [in] 2021, en
  • [minderjarige3] ( [minderjarige3] ), geboren [in] 2022.
De man heeft [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] erkend. [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] (verder samen ook te noemen: de kinderen) wonen bij de vrouw.

4.Het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de vrouw, met ingang van 23 juli 2024 een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld van € 330,- per kind per maand. De man heeft in die procedure geen verweer gevoerd.
4.2
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van
10 maart 2025. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen dan wel een zodanige beslissing te geven als het hof juist acht, en een beslissing te nemen over de proceskosten.
4.3
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het hoger beroep ongegrond te verklaren of af te wijzen of aan hem te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De overwegingen voor de beslissing

5.1
Het hof neemt de systematiek van berekening van de kinder- en partneralimentatie op basis van de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt. Het hof zal de berekeningen aan deze beschikking hechten. Het hof bespreekt hierna alleen de punten waarover partijen van mening verschillen en – al dan niet – een afwijking van die richtlijnen bepleiten.
ingangsdatum
5.2
Partijen zijn het erover eens dat 23 juli 2024 als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
hoogte behoefte kinderen
5.3
Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen. De man stelt dat moet worden uitgegaan van het inkomen van partijen in 2022. De man had toen een belastbaar inkomen van € 36.000,- per jaar en de vrouw ontving een bijstandsuitkering, aldus de man.
De vrouw betwist dat en voert aan dat moet worden uitgegaan van het jaar 2023. Ook moet aan de zijde van de man van een hoger inkomen worden uitgegaan, omdat de man zich als DGA een veel hoger salaris kan laten uitbetalen dan het door hem gestelde bedrag van € 36.000,- per jaar. Daarnaast geeft de man onvoldoende inzage in zijn inkomsten. Het belastbaar inkomen van de vrouw bedroeg in 2023 slechts € 7.069,-, aldus de vrouw.
5.4
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de ouders nooit in gezinsverband met de kinderen hebben samengewoond. In die gevallen wordt de behoefte van het kind overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder in het jaar dat de ouders hun relatie hebben verbroken. Beoordeeld wordt de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder zou zijn opgegroeid. Daarbij moet dan ook rekening worden gehouden met de aanspraak op het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken (bijvoorbeeld de inkomensafhankelijke combinatiekorting) waar de ouder recht op zou hebben gehad in de situatie dat het kind bij hem zou opgroeien.
Bepalend daarbij is het jaar 2023, nu de man de stelling van de vrouw dat hun relatie in 2023 is verbroken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
5.5
Het hof houdt bij het bepalen van de behoefte aan de zijde van de man rekening met het wettelijk minimum DGA salaris in 2023 van € 51.000,- bruto per jaar. De man is DGA van een onderneming: Sneakerstad BV. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom hij niet in staat is om zich in ieder geval het wettelijk minimum DGA salaris te laten uitbetalen. Uit de door de man overgelegde jaaropgave over 2024 blijkt dat de man dat in dat jaar wel heeft gedaan. Daarnaar gevraagd heeft de man niet kunnen uitleggen waarom hij in 2023 niet in staat was zichzelf het wettelijk minimum DGA salaris te laten uitbetalen.
5.6
Met inachtneming van het voorgaande blijkt uit de aangehechte berekening een netto besteedbaar inkomen van de man van € 3.135,- netto per maand, te vermeerderen met een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 568,- per maand. Op basis van de NIBUD-tabellen “Kosten van kinderen” berekent het hof de behoefte van de kinderen aan een bijdrage op basis van het inkomen van de man op € 918,- per maand voor drie kinderen in 2023.
5.7
Uit de door de vrouw overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2023 volgt een belastbaar jaarinkomen in dat jaar van € 7.069,-. Hoewel de man stelt dat de vrouw in dat jaar een inkomen had op bijstandsniveau, heeft hij die stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat daarom uit van het door de vrouw gestelde belastbaar jaarinkomen. Uit de berekening volgt dan een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 589,- per maand, te vermeerderen met kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 714,- per maand. Op basis van de NIBUD-tabellen “Kosten van kinderen” berekent het hof de behoefte van de kinderen aan een bijdrage op basis van het inkomen van de vrouw op € 245,- per maand voor drie kinderen in 2023.
5.8
De behoefte van de kinderen stelt het hof vast op het gemiddelde van de twee berekende behoeftes, namelijk (€ 918,- + € 245,-)/2 = € 582,- per maand voor drie kinderen in 2023. Gecorrigeerd door de inflatie (geïndexeerd) is dat voor 2024 € 618,- per maand voor drie kinderen.
draagkracht
5.9
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dienen de draagkracht van de man en de vrouw in de beoordeling te worden betrokken.
draagkracht man
5.1
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Gelet op wat onder 5.2 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 23 juli 2024.
5.11
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een aflossing van € 2.000,- per maand in verband met een schuld aan de belastingdienst. De man stelt dat hij betalingsachterstanden heeft bij de belastingdienst. Hij heeft begin 2024 € 100.000,- aan de belastingdienst moeten voldoen. Met ingang van 29 februari 2024 moest de man € 14.240,- per maand aan de belastingdienst betalen en met ingang van 30 juni 2024 € 18.267,- per maand. De BV van de man beschikt over onvoldoende liquide middelen om aan die betalingsverplichting te voldoen. Daarom wordt op het DGA-salaris van de man ten minste
€ 2.000,- in mindering gebracht om aan die betalingsverplichting te voldoen, aldus de man.
De vrouw betwist dat gemotiveerd. Zij betwist de door de man gestelde schulden aan de belastingdienst en dat de man een schuld van de onderneming aan de belastingdienst in privé zou moeten aflossen.
5.12
Het hof overweegt dat het draagkrachtloos inkomen kan worden verhoogd met niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten die vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Het hof constateert echter dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële gegevens, terwijl het op de weg van de man lag om volledig inzicht te geven in zijn financiële situatie en zijn daarmee samenhangende draagkracht. Het hof is daardoor niet in staat om te beoordelen of sprake is van een niet vermijdbare en niet verwijtbare last en houdt dan ook geen rekening met de door de man gestelde maandlast. Het hof overweegt daartoe het volgende. De man stelt dat hij € 2.000,- per maand aflost op een schuld aan de belastingdienst, maar geeft geen of in ieder geval onvoldoende inzicht in waar die schuld precies op ziet, en van wie die schuld is. De man geeft geen enkel inzicht in de structuur van zijn onderneming. De man stelt slechts dat de BV een vordering heeft op de holding en dat de holding een vordering heeft op de man, en dat hij zo aflost op de schuld. De man stelt nog dat hij niet het volledige salaris aan de BV onttrekt en het resterende salaris in mindering brengt op de rekeningcourantschuld die de man aan de holding van de BV heeft. Ook deze stelling heeft de man onvoldoende onderbouwd en acht het hof ongeloofwaardig. De bankafschriften die de man heeft overgelegd en waaruit volgens hem zou blijken dat de BV Sneakerstad minder dan het wettelijk minimum DGA salaris aan hem uitbetaalt, sluiten namelijk niet uit dat de man zich via andere wegen nog laat uitbetalen. Dat de man in privé verantwoordelijk is voor de aflossing op de schuld wordt door de vrouw betwist en is verder niet gebleken. De man onderbouwt ook niet dat hij daadwerkelijk in privé aflost.
Daarnaast stelt de man dat hij afspraken heeft gemaakt met de belastingdienst over zijn inkomen en afbetalingen op die schuld, maar ook dat onderbouwt de man niet met stukken. Een deel van de belastingschuld zou al zijn afgelost en onduidelijk is hoe hoog de schuld nu is. De man heeft geen aangiftes inkomstenbelasting overgelegd. Ook aanslagen inkomstenbelasting ontbreken in het dossier. Dat betekent dat het hof niet kan vaststellen of er wellicht nog andere inkomsten zijn dan die door de man worden gesteld. Ook op de zitting heeft de man op vragen van het hof over zijn financiële situatie geen afdoende antwoorden kunnen geven en is onvoldoende inzicht gegeven daarin. Bij gebrek aan andere (verifieerbare) informatie, zal het hof voor wat betreft de draagkracht van de man het wettelijke minimum DGA salaris in 2024 van € 56.000,- bruto per jaar als uitgangspunt nemen. Uit de door de man overgelegde jaaropgave 2024 blijkt ook een vergelijkbaar belastbaar jaarinkomen in dat jaar van € 56.100,-. Ook verklaart de man dat hij geen toestemming heeft van de belastingdienst om dat DGA salaris te verlagen. Het hof zal daarom van dat jaarinkomen uitgaan.
5.13
Met inachtneming van het voorgaande volgt uit de aangehechte berekening dat het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 € 3.179,- per maand bedraagt
5.14
Uit de aangehechte berekening volgt dan verder dat de man met voormeld netto besteedbaar inkomen in 2024 een draagkracht heeft van € 668,- per maand.
draagkracht vrouw
5.15
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een inkomen op of onder bijstandsniveau ontvangt. Overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie houdt het hof daarom aan de zijde van de vrouw geen rekening met draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
draagkrachtvergelijking
5.16
Omdat bij de vrouw geen draagkracht wordt aangenomen, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.
5.17
Gelet op de beschikbare draagkracht van de man is hij met ingang van 23 juli 2024 voldoende in staat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 668,- per maand, ofwel € 223,- per kind per maand, te betalen. Vanwege de wettelijke indexering is deze bijdrage (afgerond) per 1 januari 2025 € 237,- per kind maand en per
1 januari 2026 € 248,- per kind per maand.
terugbetalingsverplichting
5.18
Zoals hiervoor overwogen hanteert het hof, net als de rechtbank, als ingangsdatum van de kinderalimentatie 23 juli 2024.
5.19
Voor zover de man vanaf 23 juli 2024 tot heden meer heeft betaald en of meer op hem is verhaald dan de onder 5.17 vermelde bijdrage, kan van de vrouw, gelet op haar inkomen, dat onder bijstandsniveau ligt en het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

6.De slotsom

6.17
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de man gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
6.18
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 maart 2025, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 23 juli 2024 tot 1 januari 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] € 223,- per kind per maand zal betalen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] € 237,- per kind per maand zal betalen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] € 248,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, H. Phaff en
K.A.M. van Os-ten Have en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.