ECLI:NL:GHARL:2026:265

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.352.170/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van een executeur in een nalatenschap en de verplichting tot rekening en verantwoording

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over het ontslag van [verzoeker] als executeur van de nalatenschap van zijn overleden vader, [vader]. [Verzoeker] en [verweerster] zijn de enige kinderen van de erflater, die bij testament heeft beschikt over zijn nalatenschap. [Verzoeker] heeft zijn benoeming als executeur aanvaard, terwijl [verweerster] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard. De rechtbank Midden-Nederland had eerder [verzoeker] ontslagen als executeur, omdat hij ernstig tekortgeschoten zou zijn in zijn taak. [Verweerster] heeft in hoger beroep verzocht om [verzoeker] te verplichten rekening en verantwoording af te leggen, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de procedure niet correct was ingeleid. Het hof heeft geoordeeld dat de taak van de executeur van rechtswege is geëindigd, omdat alle schulden van de nalatenschap zijn voldaan. Het hof heeft de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en de proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.170/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11180745)
beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker]( [verzoeker] ),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.R. Bügel te Dronten,
en
[verweerster]( [verweerster] ),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B. de Bruin te Amsterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 23 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 7 maart 2025;
- een brief namens [verzoeker] van 14 maart 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van [verweerster] van 21 november 2025 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. [verzoeker] en [verweerster] zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.3.
Mr. Bügel en mr. De Bruin hebben mede het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnotitie.

3.De feiten

3.1.
[In] 2023 is [vader] (erflater) overleden. [verzoeker] en [verweerster] zijn de (enige) kinderen van erflater. Op het moment van overlijden was erflater niet gehuwd of geregistreerd als partner.
3.2.
Bij testament van 3 augustus 2018 heeft erflater voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In het testament staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“B.ERFSTELLING
Ik benoem mijn kinderen tot enige erfgenamen van mijn nalatenschap.
(…)
H.EXECUTELE
Ik benoem tot executeur van mijn nalatenschap, gedurende de tijd voor de afwikkeling daarvan vereist, de hierna genoemde personen en wel in de volgorde waarin zij worden genoemd, zulks voor het geval de eerste benoemde wegens ontstentenis of belet niet in functie kan treden, de benoeming niet aanvaardt, of gedurende de executele overlijdt, te weten;
a. mijn zoon, de heer [verzoeker] , voornoemd;
b. de ten tijde van mijn overlijden op het kantoor van [notariskantoor] , gevestigd te Zaanstad, dan wel haar rechtsopvolger of hun ambtsopvolgers, werkzame meest deskundige (kandidaat)-notaris op het gebied van het personen-, familie- en erfrecht.
Voor deze benoemingen zijn de volgende bepalingen van toepassing:
(…)
3.Taak executeur/bevoegdheid
De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie en boedelkosten en van de erfbelasting die ten laste komt van erfgenamen of legatarissen. In verband met de betaling van de schulden is de executeur bevoegd de door hem beheerde goederen van mijn nalatenschap te gelde te maken.
De executeur behoeft over de keuze en de te gelde making niet in overleg te treden met de erfgenamen en hun toestemming daarvoor is ook niet vereist.
(…)
9.Rekening en verantwoording
De executeur is verplicht jaarlijks en bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording af te leggen aan mijn erfgenamen. Hij geeft jaarlijks aan de erfgenamen een overzicht van de voor de belastingheffing van belang zijnde inkomsten en kosten.
(…)”.
3.3.
[verzoeker] heeft zijn benoeming als executeur aanvaard. [verweerster] heeft de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. [verzoeker] heeft bij e-mail van 31 mei 2023 aan [verweerster] bevestigd dat de nalatenschap ruimschoots voldoende is voor de afhandeling.
3.4.
Bij vonnis van 11 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, [verzoeker] veroordeeld om aan [verweerster] binnen 30 dagen na betekening van het vonnis inzage, afschriften of uittreksels te verstrekken van de aangifte erfbelasting, een specificatie van de post ‘overige kosten’ van € 26.648,92, de nota’s van de uitvaart en de notaris en bewijsstukken betreffende (aflossing van) de lening van [verzoeker] aan erflater van € 100.000,-. [verzoeker] is daarnaast veroordeeld om een dwangsom te betalen van
€ 100,- voor iedere dag dat hij na de termijn van 28 dagen geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met het verstrekken van afschriften van de stukken als hiervoor bedoeld, tot een maximum van € 5.000,-.
3.5.
Bij vonnis van 4 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht,– kort gezegd – [verweerster] gemachtigd om, mede namens [verzoeker] , de woning van erflater te verkopen en de bankafschriften van de afgelopen zeven jaar van erflater op te vragen bij de [bank1] en de [bank2] . [verzoeker] is daarnaast veroordeeld om de code van het alarm van de woning van erflater aan [verweerster] af te geven.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking is het verzoek van [verweerster] om [verzoeker] te ontslaan als executeur in de nalatenschap van erflater toegewezen. Het verzoek van [verweerster] om bij het ontslag [verzoeker] de verplichting op te leggen om binnen twee maanden na de datum van de beschikking rekening en verantwoording af te leggen voor het gevoerde beheer, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat [verzoeker] in gebreke blijft, is afgewezen. Het verzoek van [verweerster] om een (kandidaat-)notaris van [notariskantoor] met onmiddellijke ingang te benoemen tot executeur in de nalatenschap van erflater, is ook afgewezen.
4.2.
[verzoeker] komt met ongenummerde grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De grieven zien op zijn ontslag als executeur. [verzoeker] verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de inleidende verzoeken van [verweerster] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.
4.3.
[verweerster] voert verweer en verzoekt het hof om het beroep van [verzoeker] af te wijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de door hem ter discussie gestelde punten te bekrachtigen. [verweerster] is op haar beurt met één grief ook in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op het afleggen van rekening en verantwoording en de daaraan gekoppelde dwangsom en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [verzoeker] verplicht is om binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking van het hof rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, althans een bedrag dat het hof juist acht, voor iedere dag dat [verzoeker] in gebreke blijft aan deze verplichting te voldoen.
4.4.
[verzoeker] voert verweer en verzoekt om het beroep van [verweerster] af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Ontslag executeur
5.1.
De executeur heeft op grond van artikel 4:144, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
5.2.
De taak van de executeur eindigt onder andere van rechtswege wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid (artikel 4:149, eerste lid, aanhef en a BW). Daarnaast eindigt de taak van de executeur ook door het ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent (artikel 4:149, eerste lid, aanhef en f BW). Dit gebeurt op verzoek van de executeur of op grond van gewichtige redenen op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam, het OM dan wel ambtshalve (door de rechter) (artikel 4:149, tweede lid, BW).
5.3.
De kantonrechter heeft [verzoeker] ontslagen als executeur van de nalatenschap van erflater omdat hij ernstig is tekortgeschoten in zijn taak als executeur, waardoor er gewichtige redenen zijn voor ontslag.
5.4.
Volgens [verzoeker] heeft de kantonrechter hem ten onrechte ontslagen als executeur. [verzoeker] wil dat de bestreden beschikking op dit punt ongedaan wordt gemaakt, zodat hij zijn werkzaamheden als executeur kan voortzetten.
5.5.
Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of de taak van de executeur niet al van rechtswege is geëindigd als bedoeld in artikel 1:149, eerste lid, BW. Tussen partijen staat vast dat alle schulden van de nalatenschap inmiddels zijn voldaan. [verzoeker] heeft weliswaar verklaard bezwaar te hebben gemaakt tegen de aanslag erfbelasting, maar dit zal hooguit leiden tot een teruggave van teveel betaalde erfbelasting en dus niet tot een schuld die nog voldaan moet worden. Het louter moeten wachten op de beslissing van de Belastingdienst over een eventuele teruggave, zou de verdeling van de nalatenschap ook onnodig ophouden. Deze eventuele teruggave is een vordering die betrokken dient te worden bij de verdeling van de nalatenschap en dit is geen taak van de executeur. Hetzelfde geldt voor de inbreng van giften en de kwijtschelding van de lening aan [verzoeker] (waarover partijen onenigheid hebben). Wat dan nog resteert is de schuld van de nalatenschap aan [verzoeker] vanwege de door hem uit privévermogen voorgeschoten erfbelasting. Nog daargelaten dat [verzoeker] deze schuld allang uit de nalatenschap aan zichzelf had kunnen voldoen, is dit naar het oordeel van het hof een kwestie de het beste bij de verdeling van de nalatenschap aan de orde kan komen.
Naar het oordeel van het hof zijn de werkzaamheden van de executeur als zodanig voltooid, zodat de taak van de executeur inmiddels van rechtswege is geëindigd als bedoeld in artikel 1:149, eerste lid, sub a BW.
5.6.
[verzoeker] zou hooguit nog kunnen betogen dat de bestreden beslissing om rechtmatigheidsredenen moet worden getoetst, en wel wanneer hij daarbij een voldoende belang heeft. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij de bestreden beslissing (hof: ex tunc) getoetst wil hebben wegens een moreel ethisch belang. Het hof acht dit belang onvoldoende om tot een inhoudelijk beoordeling van het destijds gegeven ontslag te komen.
Rekening en verantwoording
5.7.
In het hoger beroep van [verweerster] verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover haar verzoek om [verzoeker] te verplichten rekening en verantwoording af te leggen, is afgewezen.
5.8.
De wet bepaalt in artikel 4:151 BW dat [verzoeker] verplicht is om bij het einde van de executele rekening en verantwoording af te leggen op de wijze zoals is bepaald voor testamentair bewindvoerders. Deze verplichting volgt ook uit het testament van erflater. Het staat vast dat [verzoeker] dit (nog) niet heeft gedaan. In artikel 4:161 BW staan de regels over het afleggen van rekening en verantwoording door de testamentair bewindvoerder. Uit artikel 4:161, vierde lid, BW volgt dat de regels betreffende de voogdijrekening (afdeling 6 van Boek 1 BW) ook van toepassing zijn. Artikel 1:374, derde lid, BW bepaalt dat indien iemand niet meewerkt aan het afleggen van rekening en verantwoording, de artikelen 771 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zijn. Uit artikel 771 Rv volgt dat een procedure betreffende het afleggen van rekening en verantwoording met een dagvaarding moet worden ingeleid. Ook als een andere route zou worden gevolgd, komt het hof tot dit oordeel. Uit artikel 261, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt immers dat uit de wet voortvloeit welke zaken met een verzoekschrift moeten worden ingeleid. Ten aanzien van het verzoek dat [verweerster] heeft gedaan, geldt dat hiervoor niet is bepaald dat dit moet worden ingeleid met een verzoekschrift. Dat betekent dat het ‘verzoek’ van [verweerster] om te bepalen dat [verzoeker] rekening en verantwoording dient af te leggen over zijn werkzaamheden, had moeten worden ingeleid met een dagvaarding. Ook het hof zou daarom tot een afwijzing van het verzoek van [verweerster] komen. Ook in die zin kan de bestreden beslissing in stand blijven.
Proceskosten
5.9.
Gelet op de aard van de onderhavige procedure zal het hof de proceskosten van het hoger beroep compenseren, met dien verstande dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

6.Slotsom

In het hoger beroep van [verzoeker] en [verweerster]
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
23 januari 2025.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Koopman, mr. L. van Dijk en mr. L. Hamer, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.