Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2586

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
21-001609-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 47 SrArt. 27 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer van 557,85 gram cocaïne in Nederland

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk binnen Nederland brengen van ongeveer 557,85 gram cocaïne. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter omdat het tot een andere bewezenverklaring kwam en deed opnieuw recht.

De bewijsmiddelen bestonden uit douanecontroles waarbij de cocaïne verborgen in een metalen asbak werd aangetroffen, forensisch onderzoek dat de substantie als cocaïne identificeerde, en telefonische en e-mailcorrespondentie waaruit bleek dat verdachte actief navraag deed over het pakket en invoerrechten betaalde. Verdachte ontkende kennis van de drugs, maar zijn verklaring werd door het hof als ongeloofwaardig beoordeeld.

Het hof oordeelde dat verdachte nauw samenwerkte met zijn broer die het pakket verstuurde en dat sprake was van medeplegen. Gelet op de ernst van het feit, de eerdere veroordeling van verdachte voor een soortgelijk feit in 2021, en de persoonlijke omstandigheden, legde het hof een gevangenisstraf van 8 maanden op, met aftrek van voorarrest. De straf is lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde 12 maanden.

Het hof gebruikte geen onrechtmatig bewijsmateriaal zoals het proces-verbaal van de chatgesprekken, maar achtte de overige bewijsmiddelen voldoende overtuigend. De straf is passend geacht gezien de aard van het feit en de maatschappelijke impact van drugssmokkel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van 557,85 gram cocaïne.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001609-25
Uitspraakdatum: 24 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 7 april 2025 met parketnummer 18-149811-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het ten laste gelegde feit tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.H. van der Zwan (waarnemend voor mr. E.G.S. Roethof), hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter verdachte voor het ten laste gelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 februari tot en met 5 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 557,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op basis van de uitlatingen van verdachte op de zitting van het hof, is er geen enkele reden om tot een andere beoordeling van het bewijs te komen dan de politierechter heeft gedaan. Desgevraagd heeft verdachte gezegd dat een deel van de chatgesprekken tussen verdachte en zijn broer over drugs gaan. Daarna is hij daarop terug gekomen. Uit de chatgesprekken kan worden afgeleid dat verdachte en zijn broer wisten dat er drugs in het door de broer van verdachte aan verdachte geadresseerde pakket zat. Verdachte verklaart op zitting dat uit de chatgesprekken niet naar voren komt dat verdachte daarvan wist. Echter, verdachte heeft nagelaten aan te geven waar de gesprekken met zijn broer dan wel over zouden zijn gegaan en beroept zich na doorvragen op zijn zwijgrecht. De verklaring van verdachte dat hij en zijn broer niet wisten wat er in het pakket zat, is ongeloofwaardig. In het pakket zat een hoeveelheid cocaïne met een straatwaarde van ongeveer € 25.000,00 tot € 30.000,00. Het is onaannemelijk dat een willekeurige derde drugs in een pakket ongecontroleerd de wereld overstuurt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit in verband met het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Er is sprake van een schending van artikel 6 EVRM Pro. De verdediging heeft namelijk op 6 april jl. een verzoek gedaan tot inzage in de correspondentie tussen verdachte en zijn broer. Dit verzoek is afgewezen waardoor de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad om de inhoud van het proces-verbaal van de politie over die gesprekken te verifiëren en effectief aan te vechten. Het proces-verbaal bevat een onjuiste vertaling van het Papiaments naar het Nederlands van het gesprek tussen verdachte en “ [naam] ” en bevat niet de volledige weergave van de gesprekken tussen verdachte en “ [naam] ”. De betrouwbaarheid van het bewijsmiddel kan niet op een eerlijke wijze worden getoetst, wat dient te leiden tot bewijsuitsluiting.
Voorts is aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. Verdachte wist niet dat er cocaïne in het pakket zat en nergens uit blijkt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat er drugs in het pakket zou zitten, nu verdachte zijn broer vertrouwde. Uit de omstandigheid dat verdachte navraag heeft gedaan bij DHL over het pakket kan niet worden afgeleid dat hij wetenschap had van de verdovende middelen in het pakket.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hierna zijn uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de broer van verdachte een pakket vanuit [plaats] heeft verstuurd en heeft geadresseerd aan verdachte. In dat pakket zaten souvenirs, waaronder een metalen asbak met een holle ruimte. Daarin verborgen is op 1 februari 2024 door medewerkers van de douane op Schiphol een substantie aangetroffen met vermoedelijk cocaïne. Het pakket is daarom “gecontroleerd” afgeleverd aan verdachte op het adres van zijn zus, waar verdachte destijds veel verbleef. Verdachte moest tekenen voor ontvangst. Verdachte is meteen na de aflevering op 6 februari 2024 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne. In de metalen asbak is door de forensische opsporing een hoeveelheid van ongeveer 557,85 gram substantie aangetroffen. Door het NFI is die substantie getest en is vastgesteld dat de substantie cocaïne bevat.
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte actief heeft geïnformeerd bij DHL naar de bezorgstatus van het pakket en dat hij er invoerrechten voor heeft betaald.
Naar het oordeel van het hof leveren deze feiten en omstandigheden in beginsel voldoende bewijs op voor het medeplegen van het opzettelijk invoeren van cocaïne.
Verklaringen verdachte
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij zonder specifieke reden van zijn broer een pakket zou ontvangen, dat hem was gevraagd om het pakket in ontvangst te nemen en dat zijn broer en verdachte niet wisten dat er cocaïne in het pakket zat.
Het hof acht de door verdachte geschetste gang van zaak niet aannemelijk geworden. Uit de feitelijke omstandigheden van het geval blijkt dat het niet ging om het versturen van een regulier pakket. De broer van verdachte heeft het pakket met daarin souvenirs en verborgen in één van die souvenirs de cocaïne vanaf [plaats] met DHL naar Nederland verstuurd. Het pakket is geadresseerd aan verdachte naar een adres (van de zus van verdachte) waar verdachte veel verbleef. Verdachte heeft voorafgaand aan het ontvangen van het pakket contact opgenomen met DHL om te achterhalen wanneer het pakket bezorgd zou worden. Om het pakket te kunnen ontvangen heeft verdachte bovendien invoerrechten en BTW betaald aan DHL. Dat de broer van verdachte ongevraagd en zonder te weten wat er in pakket zit op een dergelijke manier een pakket verstuurt acht het hof ongeloofwaardig. Het hof acht evenzeer ongeloofwaardig dat verdachte navraag doet over de ontvangst van een pakket, daarvoor BTW en invoerrechten betaalt en het pakket in ontvangst neemt zonder dat hij op de hoogte is van de inhoud van dat pakket.
Verdachte heeft zijn lezing verder op geen enkele manier concreet toegelicht. Op vragen waarom zijn broer het pakket aan hem adresseerde en waarom hij de invoerrechten betaalde, heeft verdachte geen duidelijke antwoorden kunnen geven. Ook valt op dat verdachte niets kan toelichten over hoe hij de kwestie met zijn broer heeft opgelost. Dat zou wel erg voor de hand hebben gelegen na alle problemen die verdachte door het beweerdelijk ongevraagde pakket met cocaïne met justitie heeft gekregen.
Op de zitting van het hof is uitgebreid stilgestaan bij het proces-verbaal van bevindingen dat gaat over de chatgesprekken tussen verdachte en zijn broer en waarbij zou zijn gesproken over het versturen van drugs (dossier pagina’s 113 e.v.). De advocaat-generaal heeft betoogd dat dat proces-verbaal ondersteuning biedt voor het bewijs. De verdediging heeft betoogd dat gebruik van dat bewijsmiddel in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro. Het hof stelt voorop dat het dat proces-verbaal niet gebruikt als bewijsmiddel. De wel gebruikte wettige bewijsmiddelen overtuigen het hof, zoals hiervoor overwogen, voldoende. Bij de beoordeling van de vraag of verdachtes alternatieve scenario - dat hem zijns ondanks een pakket met cocaïne werd toegestuurd – aannemelijk is geworden, kunnen de bevindingen echter wel een rol spelen. Het gaat dan niet om bewijs. Het hof constateert dat verdachte toen hij ter zitting met de bevindingen werd geconfronteerd, toegaf dat het in de chatcontacten om drugs ging. Dat levert op zich geen bewijs op voor de ten laste gelegde invoer van cocaïne, maar onderstreept voor het hof wel dat verdachtes lezing niet aannemelijk is geworden.
Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat er cocaïne in het aan hem geadresseerde pakket zat en dat hij derhalve opzet had op de invoer van cocaïne naar Nederland.
Medeplegen
Op basis van de hierboven beschreven feitelijke gang van zaken, concludeert het hof dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn broer. Deze samenwerking bestond uit het door zijn broer laten versturen van een verhullend pakket met cocaïne aan verdachte om deze af te leveren aan verdachte en het onderhouden van contact tussen verdachte en zijn broer voorafgaand aan het versturen van het pakket. Daarom kan verdachte als medepleger van de invoer naar Nederland van 557,85 gram cocaïne worden beschouwd.
Het hof merkt op dat de politierechter weliswaar overwoog dat van medeplegen sprake is, maar dat vervolgens geen medeplegen in de bewezenverklaring opnam. In zoverre wijkt de bewezenverklaring van het hof dus af van die van de politierechter.

Bewijsmiddelen

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee d.d. 6 februari 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van PolitieNoord-Nederland met nummer 2024032004 d.d. 24 april 2024, inhoudende als relaas van [douaneambtenaar] ;

Tijdens een op donderdag 1 februari 2024 ingestelde reguliere Douane controle werd door medewerkers van de Douane Schiphol Cargo, in het Joint Inspection
Center (JIC) van de Douane Schiphol, een koerierszending aangetroffen waarin onder andere een hoeveelheid vermoedelijke cocaïne werd bevonden.
Op donderdag 1 februari 2024 is voormelde zending door de Douane in beslag genomen.
De zending bestond uit een geelkleurige DHL doos voorzien van zending
nummer: [zending] .
Na opening van de geelkleurige doos door collega's van de Douane, zagen zij, verborgen in een metalen asbak, een witkleurig stof.
Testen verdovende middelen
Door verbalisant en [verbalisant] , beide werkzaam bij het CargoHarc-team is een kleine hoeveelheid van de voornoemde witkleurige stof, afkomstig uit voornoemde gele doos, met behulp van een door 's Rijkswege verstrekte en daartoe bestemde MMC cocaïne test, getest. De gebruikte test gaf een positieve kleur reactie, kleur blauw, zodat aangenomen mag worden dat de geteste witkleurige stof afkomstig uit voornoemde witte doos vermoedelijke cocaïne bevat, een stof vermeld op lijst 1 van de Opiumwet.
VERZENDER EN ONTVANGER:
Als verzender stond op de zending vermeld:
[naam]
[straat]
[plaats] , Nederlandse Antillen
Als ontvanger stond op de zending vermeld:
[verdachte]
[straat]
[straat]

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

Op dinsdag 6 februari 2024 was ik belast met het overhandigen van het pakketje met verdovende middelen, aan de geadresseerde op het pakketje. Ik was in burger gekleed en droeg een gele opvallende jas van Business Post.
Ik was ter plaatse aan het [straat] te [plaats] . Na enkele ogenblikken zag ik een donkerkleurige auto aan komen rijden. Het was donker en zag de koplampen van een auto branden. Ik zag dat de auto stopte ter hoogte van [straat] . Ik zag een man achter het stuur van de auto zitten. Ik zag dat deze man uit de
auto stapte en naar mij toe kwam lopen. Ik stond op dat moment in de voortuin van [straat] . Ik vroeg de man of hij [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte) was. Ik hoorde de man zeggen dat hij inderdaad [verdachte] was. Ik vertelde de man dat ik een pakketje voor hem had en ik overhandigde de man het pakketje. Ik zag dat de man het pakketje aannam. Ik hoorde dat de mijn mij vroeg of hij nog moest tekenen. Ik vertelde de man dat hij inderdaad moest tekenen. Vervolgens zag ik dat de man door mijn collega's werd aangehouden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2024, opgenomen op pagina 68 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

Op dinsdag 6 februari 2024, om 08:45 uur, is er mailverkeer geweest tussen DHL en Recherche Cargo. Deze informatie is doorgestuurd naar de politie door Recherche Cargo
Schiphol. Hierin stuurt DHL het bericht dat de ontvanger navraag had gedaan naar de status van zijn zending. Dit betrof [verdachte] . Ik las de volgende tekst in het
bericht:
'Request Created: 796332331: 05 feb 2024 14:45:00 Trace - transit Delay(unknown Delay: Customer question: Where is my parcel?//FL Advisor response: why is this shipment
stopped by official government authority? please check and give cb.//Customer language: dutch )'
contact: [verdachte]
contact phone: [telefoonnummer]
source media: Phone call
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2024, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] ;Op woensdag 7 februari 2024 deed ik onderzoek in de telefoon, een zwarte Xiaomi Redmi 10 2022, modelnummer 22011119uy.
Uit onderzoek bleek dat het genoemde telefoonnummer in BVH vanaf 23 oktober 2023
staat geregistreerd bij verdachte [verdachte] .
Berichten DHL:
Ik zag op het scherm met verschillende apps een applicatie icoon met een spraakwolkje. Dit icoon staat onder in het scherm weergegeven, links van het icoontje met de telefoon, zie foto 3. Ik, verbalisant, opende de applicatie met het spraakwolkje en ik zag dat tussen de berichten een bericht zat van DHL, zie foto 4.
Ik tikte op het bericht van DHL en zag de volgende berichten, afkomstig van DHL:
dinsdag 30 januari 18:55
DHL Express [zending] van [naam] MA wordt verwacht op ma feb 05. Handtekening is vereist. Komt dat niet uit? Haal af bij ServicePoint of kies ander optie: [website]
woensdag 31 jan 06:00
Betaling van invoerrechten en BTW is vereist voor DHL Express [zending] van
[naam] . Betaal veilig op [website]
Om snel en eenvoudig het ophalen van uw [zending] bij een ServicePoint in de buurt te regelen, tikt u op: [website]
Betaling van invoerrechten en BTW is vereist voor DHL Express [zending] van [naam] . Betaal veilig op [website]
Het nummer [zending] van de DHL Express zending en de afzender, [naam] , in de hierboven beschreven berichten zijn gelijk aan het pakket-nummer en de afzender van het pakket dat vanuit [plaats] met vlucht [vluchtnummer] naar Nederland was
gekomen en op 6 februari 2024 werd afgegeven aan verdachte [verdachte] , waarna hij is aangehouden.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2024, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] ;Ik, verbalisant zag dat met de genoemde telefoon (het hof begrijpt: de Xiaomi Redmi 2201U19uy) op ma 5 februari 2024, om 13.44 uur is gebeld met [telefoonnummer] , DHL Servicepoint. Het gesprek heeft 6 minuten en 22 seconden geduurd.
Ook zag ik dat op dinsdag 6 februari 2024, om 10.08 uur, een gemist gesprek is geweest vanaf hetzelfde nummer.
Op dinsdag 6 februari is met de telefoon gebeld met hetzelfde nummer van DHL servicepoint. Dit gesprek heeft 3 minuten en 55 seconden geduurd.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2024, opgenomen op pagina 91 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] ;Ik, verbalisant zag een eerder geopend e-mail bericht, binnen gekomen op 31 januari,
afkomstig van DHL Express. Bij deze email zag ik staan:
Betaling invoerrechten en BTW ontvangen. Zie foto 1.
Na het openen van deze e-mail las ik de inhoud van de e-mail:
BETALINGSBEVESTIGNG INVOERRECHTEN EN BTW
Beste [verdachte]
[verdachte] ,
Bedankt voor de betaling van invoerrechten en BTW op uw DHL Expres zending met waybill nummer [zending] van [naam]
Om de levering te regelen of uw zending te volgen, klik hier
BETALINGSGEGEVENS
Betaald bedrag: EUR 33,72
Transactie-ID: 124223865-32111411
Datum van betaling: 31-1-2024
ZENDINGSINFORMATIE
Waybill nr. [zending]
Adres [straat]
[plaats]

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 5 maart 2024, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;

Op maandag 4 maart 2024 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in
verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.
Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die
aan ons ter beschikking werd gesteld door Sporenbeheer van de Forensische Opsporing
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door ons het navolgende verricht, bevonden en
waargenomen:
SIN originele partij: [nummer]
Goednummer: 1687935
Is er sprake van een splitsing?: Nee
Splitsing volgletter: Geen splitsing
Omschrijving verpakking : een ronde, zilverkleurige, metalen asbak met op de rand 3 blauwe stroken met daarop de tekst "KORSOU TA DUSHI"
Inhoud : brok (zat verborgen in de holle ruimte van de asbak)
Kleur : beige
Logo / Vorm : N.v.t.
Netto gewicht originele partij: 557,85 gram
Monster SIN: AARJ8398NL
Indicatief onderzoek
Uitslag kleurtesten : Indicatie voor cocaïne
Identificerend onderzoek
Uitslag identificerend onderzoek: Cocaïne

8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.03.04.1 13, d.d. 4 maart 2024,opgemaakt door [naam] , op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 110 van voornoemd dossier;

Kenmerk; AARJ8398NL
Omschrijving FO brok, beige, uit 557,85 gram; aantal bevat cocaïne
bemonsteringen in onderzoek: een
Conclusie: bevat cocaïne

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 1 februari tot en met 5 februari 2024 te [plaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 557,85 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, gelet op de richtlijnen en de omstandigheid dat verdachte in 2021 voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Gezien de aard en ernst van het feit, in combinatie met de hardnekkige ontkennende proceshouding is er geen aanleiding om in verregaande mate rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd, in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. De raadsvrouw verzoekt om een taakstraf op te leggen, met eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 557,85 gram cocaïne. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het criminele drugscircuit en de daarmee gepaard gaande overlast en criminaliteit. Daarnaast zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Het is namelijk erg verslavend en kan bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen.
Het hof houdt rekening met de straffen die volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (het LOVS) gelden voor de invoer van harddrugs. Op de invoer van 500 gram tot 1.000 gram harddrugs geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 tot 8 maanden.
De persoon van verdachte
Bij de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 10 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2021 onherroepelijk is veroordeeld voor drugssmokkel.
Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht op de zitting van het hof. Verdachte woont samen met zijn partner en minderjarige kinderen, volgt een studie en heeft een vast contract als monteur.
Het hof is van oordeel dat het uitgangspunt voor een feit zoals verdachte heeft gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de raadsvrouw geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van de door haar bepleite strafmodaliteit aangewezen acht. Het hof begrijpt dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur impact heeft op de persoonlijke situatie van verdachte. Op basis van de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheid dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.
Alles afwegende acht het hof – evenals de politierechter – een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden
.De straf is lager dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof ziet in wat door de advocaat-generaal is aangevoerd geen redenen om een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, dan de politierechter heeft gedaan.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. E.W. van Weringh en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 april 2026.