Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2578

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
21-003899-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep openlijk geweld met lichamelijk letsel en toewijzing schadevergoeding

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor openlijk geweld met lichamelijk letsel, waarbij hij de benadeelde partij meerdere malen tegen het lichaam en de lies schopte, wat resulteerde in een scheur in de testikel van het slachtoffer.

In hoger beroep betwistte verdachte de schuld en stelde een alternatief scenario voor, maar het hof verwierp dit op basis van getuigenverklaringen en medisch bewijs. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het geweld heeft gepleegd en dat dit het letsel heeft veroorzaakt.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen tot een bedrag van €1.109,00 plus wettelijke rente, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De strafmaat werd mede bepaald door de ernst van het letsel, de omstandigheden van het feit en de persoonlijke situatie van verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd en gedragsverbetering. De schadevergoeding omvatte zowel materiële als immateriële schade, waarbij de Rotterdamse Schaal als richtlijn werd gehanteerd.

Het arrest werd uitgesproken op 24 april 2026 door het hof Arnhem-Leeuwarden, waarbij het vonnis van de politierechter werd vernietigd en opnieuw recht werd gedaan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding van €1.109,00 plus rente.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003899-25
Uitspraakdatum: 24 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank [locatie] , zittingsplaats Assen, van 9 september 2025 met parketnummer 18-241122-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank [locatie] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 april 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte voor het aan hem ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het bedrag van € 1.478,73, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.H. Lek (waarnemend voor mr. W.G. ten Have), hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • de eerder aan verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd;
  • verdachte voor het aan hem ten laste gelegde feit veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] deels toegewezen tot het bedrag van € 1.109,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op 14 april 2024 te [plaats] , [gemeente] openlijk, te weten aan de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] door die [benadeelde partij] één of meerdere malen:
- in het gezicht te slaan en/of
- tegen de lies en/of het been, althans lichaam te schoppen.

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een scheur in de testikel, voor [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde, openlijk in vereniging plegen van geweld, met lichamelijk letsel tot gevolg, wettig en overtuigend bewezen kan worden. [getuige 1] heeft tegenover de politie en de rechter-commissaris verklaard dat verdachte de enige persoon is die aangever heeft geschopt. Dit wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen. Het alternatieve scenario dat verdachte op de zitting van het hof heeft verwoord, inhoudende dat hij vals wordt beschuldigd van het schoppen van aangever, omdat betrokkenen uit het strafdossier zouden hebben samengespannen om hem de schuld te geven van het schoppen, is niet aannemelijk geworden en wordt niet ondersteund door het dossier. De verklaring van [getuige 1] tegenover de rechter-commissaris waarin hij verklaart niet zeker te weten of verdachte aangever heeft geraakt tijdens het schoppen, maakt zijn verklaring niet minder betrouwbaar. Verder is sprake van een causaal verband tussen het schoppen door verdachte en het toegebrachte letsel bij aangever.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De (getuigen)verklaringen lopen op belangrijke onderdelen uiteen waardoor niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd. Subsidiair is aangevoerd dat geen sprake is van een causaal verband tussen het aandeel van verdachte en het veroorzaakte letsel bij aangever, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid. Voor zover ervan uit wordt gegaan dat verdachte een trappende beweging heeft gemaakt, kan niet worden vastgesteld dat deze trappende beweging aangever heeft geraakt. Verdachte heeft geen significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het gehele tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof stelt op basis van de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [1]
Aangever [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij in de avond van 14 april 2024 met zijn vrienden naar [café] in [plaats] is gegaan. Rond 18.30 uur kwam een groep jongens uit [plaats] aan. De sfeer was eerst gemoedelijk maar naarmate de tijd vorderde begon de groep uit [plaats] steviger te drinken. De groep uit [plaats] werd rond 22.00 uur opgehaald. Bij het vertrekken, bleek dat een petje van [café] door iemand uit de groep van [plaats] was meegenomen. De uitbater van de cafetaria, [getuige 1] , eiste het petje terug. Aangever zag [getuige 1] achter de jongens aanlopen en liep daar achteraan. Ter hoogte van de glasbak, op de hoek van de [straat] en de [straat] zag aangever een zwarte auto staan, die van [medeverdachte] was. Aangever hoorde dat een jongen met een donkergekleurd petje een bierflesje tegen een ruit van een galerie had gegooid, waardoor die ruit was vernield. Aangever liep naar de auto en trok de deur open waar de jongen met de donkergekleurde pet zat. Dit was de deur linksachter de bestuurder. De jongen met de pet bleek [naam] te zijn. Aangever vroeg aan [naam] of hij uit wilde stappen en de schade wilde afhandelen met de galeriehouder, maar [naam] bleef zitten. [medeverdachte] stapte vervolgens uit de auto en werd boos, omdat aangever aan zijn auto zat. Aangever zag vervolgens [medeverdachte] op hem afstormen en voelde dat hij tegen hem aanliep. Aangever duwde [medeverdachte] naar achteren, waarna [medeverdachte] naar aangever uithaalde met zijn rechtervuist. [medeverdachte] raakte hem op de linkerkant van zijn gezicht. Vervolgens zag aangever dat [medeverdachte] weer op hem afkwam. Aangever probeerde hem te ontwijken door naar achteren te lopen. Hij zag dat [medeverdachte] hem drie of vier keer tegen de linkerkant van zijn gezicht sloeg. [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte), die ook in de zwarte auto zat, was inmiddels ook uitgestapt. Aangever zag dat verdachte op hem afkwam en dat hij aangever probeerde te schoppen. Verdachte schopte met zijn rechterbeen, verloor zijn evenwicht en miste daardoor aangever. Toen aangever buiten het bereik van de vuistslagen was, voelde hij nog een trap tegen zijn rechterbovenbeen ter hoogte van zijn lies. Aangever voelde na verloop van tijd pijn. Toen hij naar de wc ging zag hij dat zijn rechter testikel opgezwollen was. De volgende dag, maandag 15 april 2024, werd hij doorverwezen naar de uroloog in het Wilhelmina Ziekenhuis en daar is hij om 16.00 uur geopereerd. Na de operatie hoorde hij dat de arts was geschrokken van wat er was aangetroffen. Er zat een scheur in het vlies van zijn rechter testikel die is gehecht. [2]
[getuige 2] heeft verklaard dat niemand anders bij de vechtpartij betrokken was dan verdachte, [medeverdachte] en aangever. [3]
[getuige 1] heeft verklaard dat hij op 14 april 2024 als barman werkte bij [café] te [plaats] . [getuige 1] was op een gegeven moment een pet kwijt, die was meegenomen door [naam] . [getuige 1] liep naar buiten en zag dat [naam] in een zwarte auto zat. In de auto bevonden zich [naam] , [naam] , [medeverdachte] , verdachte en een voor [getuige 1] onbekend meisje. Zij was de chauffeur. De overige personen waren beschonken en hadden in het café flink gedronken. Toen [getuige 1] buiten was, zag hij dat aangever er ook aan kwam vanuit het café. Na een woordenwisseling tussen aangever en [medeverdachte] zag hij dat [medeverdachte] met zijn gebalde vuist tegen het bovenlichaam van aangever aansloeg. Aangever beschermde zich en bewoog met zijn handen voor het hoofd naar achteren. Hij zag ook dat verdachte meerdere keren krachtig trapte tegen het lichaam en onderlichaam van aangever. Verdachte was de enige die heeft geschopt. [getuige 1] zag dat aangever door het slaan en schoppen pijn had. Hij zag dat aangever door de trap op zijn onderlichaam ineen dook en zijn beide handen in het kruis hield. [4]
Uit een op 15 april 2024 opgemaakte medische verklaring door physician assistant urologie [naam] volgt dat aangever een scrotale zwelling heeft opgelopen. Uit medisch onderzoek volgt dat bij aangever langs de rand van de rechtertestikel sprake is van een rand met sterke verdikking met ook hypodensiteit in de rechtertestikel, passend bij hematoom, waarschijnlijk in de kapsel of net onder het testiskapsel gelegen met ook een hematoom in de rechtertestikel. [5]
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geschopt tegen het onderlichaam. Uit de verklaring [getuige 2] volgt dat alleen verdachte, [medeverdachte] en aangever bij de vechtpartij betrokken waren en uit de verklaring van [getuige 1] dat verdachte degene is geweest die heeft geschopt. Aan de betrouwbaarheid van die verklaring van [getuige 1] doet niet af dat hij op een later moment bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet heeft gezien of verdachte aangever heeft geraakt. Die verklaring bij de rechter-commissaris houdt immers ook in dat verdachte degene was die de schoppen uitdeelde en dat hij de enige was die dat deed; dat de anderen niet schopten. Ook verklaarde hij dat hij wel had gezien dat verdachte met kracht tegen het onderlichaam van aangever heeft geschopt, dat hij niet had gezien dat aangever in zijn ballen werd geschopt, maar dat het wel klopte dat hij had gezien dat aangever ineen dook en zijn handen voor zijn onderlichaam hield. [getuige 1] is in zijn verklaring dus niet teruggekomen op zijn verklaring dat verdachte de enige was die schoppende bewegingen richting het onderlichaam van aangever heeft gemaakt en dat aangever ineen dook en zijn handen tegen zijn onderlichaam hield.
Lezing verdachte
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij tijdens het omver vallen mogelijk een schoppende beweging heeft gemaakt, zonder dat hij daarbij aangever heeft geraakt. Daarnaast heeft verdachte het vermoeden dat [medeverdachte] en andere betrokkenen uit het strafdossier hebben afgesproken om in ruil voor geld de schuld van het schoppen in zijn schoenen te schuiven. Deze afspraak zou kort na het incident zijn gemaakt. Verdachte had dit via een vriend vernomen.
Het hof schuift het alternatieve scenario van verdachte over de feitelijke toedracht als niet aannemelijk terzijde. Het wordt bovendien weersproken door de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen. Ten aanzien van de val heeft aangever immers verklaard dat verdachte viel nadat hij een schop had uitgedeeld en niet dat verdachte viel en daarmee tevens per ongeluk aangever schopte. Ook uit de overige verklaringen blijkt niet van een “per ongeluk” schoppen.
Verder bevindt zich in het dossier geen enkel aanknopingspunt waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een samenzwering tegen verdachte, waarbij geld zou zijn betaald aan de betrokkenen teneinde de schuld met betrekking tot het schoppen in de schoenen van verdachte te schuiven. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de e-mail die de vader van verdachte naar de politie heeft gestuurd (p. 44 van het dossier). Die e-mail houdt immers niet meer in dan dat de vader van medeverdachte [medeverdachte] telefonisch contact heeft opgenomen met aangever, dat die vader in dat gesprek excuses heeft aangeboden voor wat zijn zoon had gedaan en of het kon worden opgelost zonder problemen te maken.
Causaliteit
Het hof is van oordeel dat bewezen kan worden dat het letsel dat aangever heeft opgelopen, is toegebracht door verdachte. Uit voornoemde verklaring van [getuige 1] blijkt dat verdachte richting het onderlichaam van aangever schopte en dat aangever vervolgens ineen dook en zijn handen tegen zijn onderlichaam hield. Uit het beschreven letsel in de medische verklaring aan de testikel van aangever in combinatie met de verklaring van aangever dat hij een schop in zijn lies kreeg leidt het hof af dat aangever door de schoppende bewegingen van verdachte is geraakt en daarbij gewond is geraakt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen aangever, met letsel tot gevolg.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 14 april 2024 te [plaats] , openlijk, te weten aan de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] door die [benadeelde partij] meerdere malen:
- tegen de lies en/of het lichaam te schoppen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een scheur in de testikel, voor [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de zitting bij het hof gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft enkel vrijspraak bepleit en geen standpunt ingenomen ten aanzien van de op te leggen straf bij een onverhoopte bewezenverklaring.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke gepleegde feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld. Verdachte heeft door zijn gewelddadige optreden een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever hem pijn en letsel toegebracht, bestaande uit een scheur in zijn testikel. Dergelijk openlijk gewelddadig optreden is in het algemeen - en uitgevoerd in vereniging in het bijzonder - zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.;
  • de omstandigheid dat volgens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als handreiking voor de rechterlijke straftoemeting, voor het delict openlijke geweldpleging, waarbij enig lichamelijk letsel is veroorzaakt, in beginsel een taakstraf voor de duur van 150 uren kan worden opgelegd.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de inhoud van het hem betreffend strafblad van 10 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld. Verdachte’s strafblad levert zo bezien geen strafverzwarende omstandigheid op;
  • de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Tijdens de zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij fulltime werkt bij de klantenservice van een autoleasebedrijf, dat hij zijn vrienden nog wel spreekt, maar medeverdachte [medeverdachte] niet meer, dat hij gezonder is gaan leven en drank het liefst zo min mogelijk aanraakt.
Hoewel in de hiervoor vermelde LOVS-oriëntatiepunten een iets hogere straf is vermeld dan door de politierechter is opgelegd, ziet het hof in dit geval onder meer vanwege tijdsverloop onvoldoende aanleiding om nu een hogere straf dan de politierechter op te leggen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de advocaat-generaal geen hogere straf heeft gevorderd en betrekt daarbij voorts de nog jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheid dat verdachte inmiddels gezonder is gaan leven, fulltime werkt en minder alcohol drinkt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.478,73 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag deels toegewezen tot het bedrag € 1.109,00, bestaande uit € 478,73 aan materiële schade en € 630,27 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij
als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks
immateriële schade heeft geleden nu de benadeelde partij een scheur in zijn testikel heeft opgelopen door het handelen van verdachte. Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Die Rotterdamse schaal houdt ten aanzien van oppervlakkig letsel met een herstelperiode van minder dan 2 maanden een bedrag van € 1.100,00 in en ten aanzien van letsel met een herstelperiode van ongeveer 2 tot 4 maanden, waarbij sprake is van een korte medische behandeling en dat enkele dagen tot weken beperkingen voor het verrichten van arbeid of enkele dagen tot weken beperkingen voor het verrichten van huishoudelijk werkzaamheden tot gevolg heeft, een bedrag gelegen tussen € 725,00 en € 2.175,00 in. Gelet op de beschreven bedragen acht het hof in dit geval een vergoeding van het gevorderde bedrag van € 1.000,00 billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024.
Materiële schade
Ten aanzien het gevorderde bedrag van € 385,00 voor de kosten van het eigen risico is het hof van oordeel dat deze schadepost voldoende is onderbouwd. Het hof wijst dit deel van de vordering toe.
Met betrekking tot de reiskosten van € 93,73 is het hof van oordeel dat de kosten met betrekking tot het bezoeken van het ziekenhuis van € 61,25 en de kosten met betrekking tot het huisbezoek van € 13,60 voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van € 18,88 voor het doen van aangifte bij het politiebureau kunnen niet worden aangemerkt als materiële schade en zullen worden afgewezen. Dat deel van de reiskosten hoeft niet door verdachte te worden vergoed. Het hof zal de materiële schade inzake de reiskosten dan ook toewijzen tot een bedrag € 74,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 12 november 2024 onder CJIB nummer 1132 5420 0565 3497.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.459,85 (duizend vierhonderdnegenenvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 459,85 (vierhonderdnegenenvijftig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.459,85 (duizend vierhonderdnegenenvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 459,85 (vierhonderdnegenenvijftig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 mei 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. L.T. Wemes en mr. A.H. toe Laer, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 april 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoelt het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Eenheid [locatie] , elektronisch ondertekend, met dossiernummer PL0100-2024181918 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 70.
2.Proces-verbaal van aangifte, pagina 10-11.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 24.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 31-32.
5.Schriftelijk bescheid, gevoegd als bijlage bij proces-verbaal van aangifte, pagina 14-15.