Belanghebbende heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland hoger beroep ingesteld, maar het hof constateert dat het hogerberoepschrift op 1 november 2023 is ontvangen, terwijl de uiterste termijn 27 oktober 2023 was. De poststempel van 30 oktober 2023 leidt tot de conclusie dat het stuk niet tijdig ter post is bezorgd. De gemachtigde heeft geen concrete onjuistheden in het overzicht van het hof aangevoerd en beperkte zich tot stellingen over het griffierecht.
Het hof oordeelt dat geen omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt die het verzuim rechtvaardigen en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde blijft onbesproken. Belanghebbende had tevens een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het hof wijst dit af omdat de overschrijding minder dan twaalf maanden bedraagt en het financiële belang onder de €1.000 ligt.
De heffingsambtenaar is niet verschenen bij de zittingen, die deels via beeldverbinding plaatsvonden. Het hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.