Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2507

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
21-002800-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling op 7 maart 2025

Op 7 maart 2025 werd verdachte ten laste gelegd dat hij [slachtoffer] had mishandeld door hem op het bovenlichaam te slaan. De politierechter veroordeelde verdachte op 17 juni 2025 tot een gevangenisstraf van drie weken en kende een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij.

Verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof heeft het bewijs opnieuw beoordeeld, waaronder een video van het incident en een foto van het vermeende letsel. De video toonde dat verdachte mogelijk niet raakte en de foto liet onduidelijkheid over het tijdstip en de locatie van het letsel.

Gezien de twijfel over het bewijs en onvoldoende duidelijkheid in het dossier, sprak het hof verdachte vrij van mishandeling. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002800-25
Uitspraakdatum: 9 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 17 juni 2025 met parketnummer 18-071831-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. H.A. Koning (waarnemend voor mr. A.P.E.M. Pover), is aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek op de terechtzitting uitspraak gedaan.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 17 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. De politierechter heeft daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaand uit immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] op/tegen het bovenlichaam te slaan;

Vrijspraak

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld. [slachtoffer] heeft dat verklaard en ook de verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd. Op de video van het voorval is te zien dat verdachte met zijn arm naar aangever reikt. De beweging en de reactie van de aangever past bij de situatie dat er een impact is geweest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de mishandeling. Een getuige heeft verklaard dat hij zag dat verdachte zou hebben geslagen in de richting van aangever. Op de video is te zien dat er wordt gemist en dat verdachte over de tas heen slaat. Er is daarnaast geen sprake van pijn of letsel waardoor vrijspraak moet volgen.
Oordeel van het hof
De beslissing is mondeling na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting toegelicht, een en ander als volgt:
Het hof heeft ter zitting samen met de advocaat-generaal en de raadsman de video van het incident in de bus bekeken en besproken. Naar aanleiding van de video twijfelt het hof of aangever door verdachte is geraakt. Daarnaast bevat het dossier een foto van het vermeende letsel van [slachtoffer] maar daarvan is onduidelijk gebleven wanneer die foto is gemaakt en waar op het lichaam het letsel zich bevindt Omdat het hof twijfelt en de feiten op basis van het dossier onvoldoende duidelijk zijn, moet verdachte worden vrijgesproken van de mishandeling.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 700,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard aan de tenlastegelegde mishandeling waardoor de schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaartniet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaartde benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeeltde benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van deze procedure nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. J. Hielkema en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 april 2026.