Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2498

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.363.159/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 31 Verdrag van IstanbulArt. 3 Verdrag inzake de rechten van de kindArt. 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag vader wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging minderjarige door huiselijk geweld

De ouders hebben een minderjarige dochter die sinds 2015 geboren is en bij de moeder woont. De relatie tussen de ouders eindigde in 2018. Sinds 2019 staat de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen, waaronder langdurig huiselijk geweld en onveilige situaties veroorzaakt door de vader.

De rechtbank Noord-Nederland beëindigde het gezag van de vader over de minderjarige, een beslissing waartegen de vader in hoger beroep ging. Het hof ontving diverse stukken en hield een zitting waarbij de minderjarige niet werd gehoord vanwege haar kwetsbare situatie. Het hof weegt het belang van het kind en de verzorgende ouder mee en constateert dat het gedrag van de vader, waaronder agressie en dreiging, de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt.

De vader heeft meerdere strafrechtelijke veroordelingen voor mishandeling en bedreiging. Ondanks hulpverlening en begeleiding heeft hij zijn gedrag niet positief veranderd. De omgang met de minderjarige is sinds 2022 vrijwel gestopt vanwege incidenten. Het hof oordeelt dat voortzetting van het gezag schadelijk is en dat de beëindiging proportioneel en noodzakelijk is. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de vader wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige door zijn gedrag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.159/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200375)
beschikking van 23 april 2026
over de beëindiging van het gezag over
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
Landelijke Staf Organisatie,
die is gevestigd in Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
en
[belanghebbende](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. J.O. Hovinga te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden.

1.Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft het gezag van de vader over [de minderjarige] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen een dochter: [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2015. [de minderjarige] woont bij de moeder.
2.2.
De relatie tussen de vader en de moeder is in 2018 geëindigd.
2.3.
[de minderjarige] staat sinds 7 februari 2019 (voorlopig) onder toezicht van de GI.
De ondertoezichtstelling loopt tot 26 april 2026. De GI heeft op 6 maart 2026 de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden.
2.4.
[de minderjarige] en de vader hebben sinds oktober 2022 geen contact meer met elkaar gehad, behalve eenmaal in 2023. In november 2024 heeft de kinderrechter bepaald dat de zorgregeling wordt stopgezet.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de vader over [de minderjarige] te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen en het gezag van de vader over [de minderjarige] beëindigd. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 1 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de raad alsnog afwijst.
4.2.
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De moeder en de GIzijn het eens met de beslissing van de rechtbank.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 30 december 2025;
  • de stukken van de vader, ingediend op 23 januari 2026;
  • het verweerschrift van de raad;
  • de stukken van de GI, ingediend op 16 maart 2026;
  • de spreekaantekeningen van de GI, die zijn voorgedragen tijdens de zitting van 26 maart 2026.
4.5.
Het hof heeft [de minderjarige] uitgenodigd (per brief, verzonden aan het adres van de moeder) om te vertellen wat zij vindt van de beëindiging van het gezag van de vader. [de minderjarige] is niet bij het hof gekomen voor een gesprek met een raadsheer van het hof en zij heeft ook niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om in een brief aan het hof haar mening op te schrijven. Tijdens de zitting van 26 maart 2026 is gebleken dat de moeder, in overleg met de GI en de raad, ervoor heeft gekozen de uitnodiging niet aan [de minderjarige] te laten zien. De reden hiervan is dat het volgens de moeder, de GI en de raad te belastend is voor [de minderjarige] om betrokken te worden in deze procedure in hoger beroep. Gelet op wat het hof in het dossier heeft gelezen en tijdens de zitting van partijen heeft gehoord over de problematiek en trauma’s van [de minderjarige] , kan het hof deze keuze van de moeder, de GI en de raad volgen. Het hof ziet daarom ervan af om [de minderjarige] (nogmaals) in de gelegenheid te stellen haar mening kenbaar te maken.
4.6.
De zitting bij het hof was op 26 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de raad;
  • de moeder met haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat vindt het hof in deze zaak van belang om bij de beslissing rekening mee te houden?
5.1.
Bij het nemen van een beslissing over kinderen staat het belang van het kind voorop. [1] Ook het belang van de verzorgende ouder van het kind (in dit geval: de moeder) moet door de rechter worden meegenomen bij het nemen van een beslissing. Soms zijn deze belangen niet te scheiden. Wanneer de belangen van de verzorgende ouder worden geschaad door de andere ouder met als gevolg dat de verzorgende ouder lichamelijke of psychische schade oploopt, zal dit namelijk ook schadelijke gevolgen hebben voor het kind. Het kind is immers, om zich op een gezonde en evenwichtige manier te kunnen ontwikkelen, afhankelijk van het welzijn en welbevinden van deze ouder.
5.2.
De vader is meerdere keren strafrechtelijk veroordeeld voor onder andere mishandeling van de moeder tijdens de relatie, bedreiging en vernieling. De moeder is meerdere keren met [de minderjarige] uit hun huis gevlucht en heeft met haar elders moeten verblijven op momenten dat de dreiging door de vader toenam. In die periodes kon [de minderjarige] niet naar school. De meest recente keer was eind 2024. Op dit moment is er nog een zogenoemde Afspraak Op Locatie (AOL) op het adres van de moeder, de school van [de minderjarige] en het [naam1] waar [de minderjarige] traumatherapie volgt. Dit is vanwege de onveiligheid en dreiging door de vader dat hij [de minderjarige] zal opwachten en/of meenemen.
5.3.
Van huiselijk geweld tegen een (ex-)partner zijn ook kinderen slachtoffer, zelfs wanneer zij niet zelf getuige waren van het geweld. Op allerlei manieren kunnen zij het verbale en fysieke geweld waarnemen en geconfronteerd worden met de gevolgen ervan.
Internationaal recht over huiselijk geweld en familierecht
5.4.
Op 1 maart 2016 is in Nederland in werking getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en wordt aandacht besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld.
Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. [2]
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen. [3]
5.5.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet (gaan) doen. De veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de beslissing of bijvoorbeeld gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, of dit nu in onderling overleg tussen de ouders samen met de jeugdzorg wordt besloten of door de rechter. Voor het hof betekent dit dat het er bij de beslissing in deze zaak rekening mee zal houden dat de rechten en de veiligheid van de moeder en [de minderjarige] gewaarborgd zijn.
Hoe oordeelt het hof ?
5.6.
Het verzoek van de raad om het gezag van de vader over [de minderjarige] te beëindigen is gegrond op artikel 1:266 lid 1 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel is bepaald dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. [4]
De wetgever heeft bij dit wetsartikel in de eerste plaats de situatie voor ogen gehad dat een kind langdurig niet meer bij de ouder(s) woont (uit huis is geplaatst). Een beëindiging van het gezag heeft in dat geval tot doel dat er een einde komt aan de onzekerheid voor het kind over de vraag in welk gezin het kind gaat opgroeien.
5.7.
Zoals de vader in zijn beroepschrift heeft benoemd, is die situatie in dit geval niet aan de orde. [de minderjarige] woont bij de moeder. De vader accepteert dit. In de jurisprudentie is inmiddels echter gelet op de parlementaire geschiedenis aanvaard dat beëindiging van het gezag van een ouder op grond van artikel 1:266 BW Pro ook gerechtvaardigd kan zijn wanneer het kind bij een ouder woont en de andere ouder door zijn aanhoudende handelwijze een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van het kind. Het hof is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet en dat het gezag van de vader terecht is beëindigd door de rechtbank. Het hof zal hierna uitleggen waarom.
5.8.
Vast staat dat [de minderjarige] al sinds begin 2019 onder toezicht staat omdat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De kinderrechter heeft in de beschikking waarbij de ondertoezichtstelling is uitgesproken en in latere beschikkingen waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd, geconcludeerd dat sprake is van de volgende ontwikkelingsbedreigingen:
- langdurig huiselijk geweld, wat meermalen is uitgemond in zeer zorgelijke geweldsincidenten (de politie heeft herhaaldelijk ingegrepen en de vader heeft een straatverbod opgelegd gekregen). [de minderjarige] is hiervan getuige geweest;
- door de strijd tussen de ouders wordt noodzakelijke zorg voor [de minderjarige] onthouden/vertraagd;
- de vader kampt met persoonlijke problematiek en de moeder met PTSS;
- [de minderjarige] kan niet vertrouwen op een structurele en duidelijke (begeleide) zorg- en contactregeling met de vader;
- het lukt de vader niet om keuzes te maken in het belang van [de minderjarige] en hiervoor constructief te overleggen met de moeder en de GI;
- onvoorspelbaarheid en dreigingen van de vader ten opzichte van de moeder en de hulpverlening, waaronder de dreiging om [de minderjarige] ergens op te komen halen.
5.9.
Niet in geschil is dat deze ontwikkelingsbedreigingen nog altijd aanwezig zijn. Het hof is evenals de raad en de GI van oordeel dat de ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] met name worden veroorzaakt door het gedrag en de houding van de vader. Alle betrokkenen, waaronder de politie, [naam2] en de GI, ervaren het gedrag van de vader als onberekenbaar en agressief. Dit is met name het geval als de vader het ergens niet mee eens is en/of het niet gaat zoals hij wil.
Aan de vader is de afgelopen zeven jaren tijdens de ondertoezichtstelling hulpverlening en begeleiding aangeboden, maar het is de vader niet gelukt deze mogelijkheden voldoende te benutten en tot een positieve verandering van zijn gedrag te komen. Zo is meerdere keren geprobeerd om omgang tussen [de minderjarige] en de vader te laten plaatsvinden, maar er zijn verschillende incidenten tijdens de omgang geweest. De vader heeft zich tijdens de omgang dusdanig gedragen dat [de minderjarige] dit als dreigend heeft ervaren en/of zich onder druk gezet voelde. Hierdoor wil [de minderjarige] geen contact meer met haar vader. Sinds oktober 2022 heeft er, behalve één keer in 2023, helemaal geen omgang meer plaatsgevonden.
Verder is de vader de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze met de moeder te communiceren. Hij is veelvuldig dreigend geweest naar de moeder. Het is niet mogelijk gebleken om via de GI een samenwerking tussen de vader en de moeder tot stand te brengen. Ook naar de GI heeft de vader zich meerdere keren dreigend en agressief opgesteld. Op dit moment loopt er nog een strafrechtelijke procedure naar aanleiding van een aangifte van een voormalige jeugdbeschermer over bedreiging door de vader. Bovendien hebben medewerkers van de GI enige tijd anoniem moeten werken in verband met hun veiligheid en werken zij sinds de bestreden beschikking opnieuw anoniem.
5.10.
De vader stelt dat het verleden tussen de moeder en hem niet in de weg hoeft te staan aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag in de toekomst. Het hof volgt de vader hierin niet. De raad heeft ter zitting verklaard dat de vader de afgelopen jaren niet heeft laten zien dat hij invulling kan geven aan zijn gezag op een manier die in het belang van [de minderjarige] is en het hof heeft dat ook niet gezien. Het is niet gebleken dat de vader zijn gedrag en houding op een positieve manier heeft veranderd en nu op een constructieve manier invulling geeft aan zijn gezag. Hij neemt onvoldoende verantwoordelijkheid voor wat hij de afgelopen jaren richting de moeder en [de minderjarige] heeft gedaan. Hij geeft geen blijk van probleembesef en van inzicht in zijn aandeel in de ontstane situatie en de negatieve gevolgen daarvan voor [de minderjarige] en de moeder. Dat de vader, zoals hij heeft gesteld, soms dingen in het heetst van de strijd vanuit emotie zegt, maar deze dreigementen niet feitelijk zal uitvoeren, maakt dit niet anders. Door de onberekenbaarheid van de vader kan er immers niet van worden uitgegaan dat zijn uitlatingen slechts loze dreigementen zijn.
5.11.
Het hof neemt bij zijn oordeel in aanmerking dat het heel slecht gaat met [de minderjarige] . Zij kampt met complexe problematiek. Zij is getuige geweest van het huiselijk geweld van de vader naar de moeder. [de minderjarige] is gediagnosticeerd met PTSS en heeft nog steeds trauma’s. Weliswaar zijn de ouders al langere tijd uit elkaar, maar het onvoorspelbare gedrag dat de vader blijft vertonen, zorgt ervoor dat de angst en spanning bij [de minderjarige] voortduren en dat er onrust in haar opvoedsituatie blijft bestaan. Haar situatie is dusdanig ernstig dat zij op dit moment niet in staat is naar school te gaan. Er zal de komende jaren nog veel hulpverlening voor [de minderjarige] nodig zijn om ervoor te zorgen dat het beter met haar gaat. Wanneer de vader het gezag zou hebben, zou de moeder met hem moeten overleggen en samen met hem beslissingen moeten nemen over de in te zetten hulpverlening. Het hof is van oordeel dat dit gelet op het gedrag en de houding van de vader niet van de moeder verwacht kan en mag worden.
5.12.
Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] met name door het gedrag van de vader en zijn wijze van uitoefening van het gezag ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Omdat de vader niet inziet wat zijn aandeel is in het ontstaan en het voortduren van de onveiligheidsgevoelens van [de minderjarige] , valt niet te verwachten dat de vader binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan dragen. Daarmee is aan de voorwaarden voor gezagsbeëindiging voldaan.
5.13.
De vader heeft nog aangevoerd dat de rechtbank in de bestreden beschikking onvoldoende het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven [5] heeft meegewogen. Volgens de vader is het niet schadelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] wanneer de ouders gezamenlijk het gezag houden over [de minderjarige] . Daarnaast is de vader van mening dat de maatregel van beëindiging van zijn gezag niet proportioneel is. De moeder neemt feitelijk de gezagsbeslissingen en hij staat dit niet in de weg, aldus de vader.
5.14.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de inmenging in het familie- en gezinsleven in dit geval noodzakelijk is. Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de rechtbank hieromtrent over en maakt deze tot de zijne. Uit de overwegingen van de rechtbank en de overwegingen van het hof hiervoor blijkt dat voortzetting van het gezag van de vader schadelijk is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Nu de maatregel van een ondertoezichtstelling tot onvoldoende verbetering in de situatie heeft geleid, is de maatregel van beëindiging van het gezag naar het oordeel van het hof in dit geval doelmatig en proportioneel en kan niet met een lichter middel worden volstaan.
5.15.
De bestreden beschikking zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. C. Coster en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 3 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind
2.artikel 31 Verdrag Pro van Istanbul
3.EHRM 15 juni 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD006290315 (Kurt/Oostenrijk)
4.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW
5.artikel 8 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden