De ouders van een minderjarige, geboren in 2012, zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader en staat sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). Een zorgregeling voorzag in omgang met de moeder, die sinds september 2024 was aangepast tot wekelijkse zaterdagomgang.
Sinds juli 2025 is de omgang gestaakt na een incident tussen moeder en kind. De minderjarige verblijft sinds maart 2026 doordeweeks op een woongroep en in het weekend bij de vader. De GI verzocht de kinderrechter om de zorgregeling op te schorten en de regie over het herstarten te krijgen, wat werd toegewezen.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof oordeelde dat de opschorting in het belang van de minderjarige is. Het hof benadrukte dat de moeder de grenzen van het kind moet respecteren en dat de GI actief betrokken is bij het herstelproces. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kinderrechter en wees het beroep van de moeder af.
De minderjarige werd geïnformeerd via een kindbrief waarin het besluit werd toegelicht en waarin werd benadrukt dat het contact in de toekomst mogelijk weer kan worden hersteld in haar eigen tempo. Het hof benadrukte het belang van rust en ruimte voor het kind en een actieve samenwerking tussen moeder en GI voor herstel van het contact.