Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2445

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.339.205
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:216 BWArt. 87 lid 6 RvArt. 1.4.5 procesreglement gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bepaalt alimentatie en vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding met bewijs leningen en draagkrachtberekening

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 april 2026 uitspraak gedaan over de alimentatie en vermogensrechtelijke afwikkeling na echtscheiding tussen partijen. Het hof hield rekening met het inkomen van de man zonder dividenduitkering tot 2027, waarna een dividenduitkering werd meegenomen. De draagkracht van partijen werd berekend in drie periodes, waarbij in de eerste twee periodes geen draagkracht voor partneralimentatie werd vastgesteld en in de derde periode wel voor kinderalimentatie.

De man slaagde in zijn bewijs dat geldleningen van zijn holding waren gebruikt voor investeringen in de woning en dat de vrouw hiermee instemde, waarmee de huwelijkse voorwaarden als afgewikkeld werden beschouwd. Ook werd het bewijs geleverd over een gemaakte afspraak over kosten van de huishouding, wat het hof als bevrijdend verweer aanvaardde. De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tot terugbetaling van teveel betaalde alimentatie, omdat zij niet in haar volledige behoefte kon voorzien.

Het hof vernietigde eerdere beslissingen van de rechtbank en stelde de alimentatieverplichtingen opnieuw vast, waarbij de man vanaf 8 mei 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet betalen, met een wijziging naar nihil in de tweede periode en een hernieuwde bijdrage vanaf 2027. De vrouw hoeft geen terugbetaling te doen van teveel ontvangen alimentatie. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst de man een bijdrage toe in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in drie periodes, wijst verzoeken van de vrouw af, erkent afwikkeling huwelijkse voorwaarden en wijst terugbetalingsverplichting af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.339.205 en 200.339.207
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 546179 en 552948)
beschikking van 23 april 2026
inzake
[verzoeker] (de man)
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. R. van Coolwijk
en
[verweerster] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: eerst mr. P. Crans, nu mr. G.V. van Campen

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1.
Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar zijn beschikkingen van 22 oktober 2024 en 17 december 2024. Het verdere verloop blijkt uit:
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 maart 2025
- het journaalbericht van mr. Van Coolwijk van 12 juni 2025, met als bijlage de brief van mr. Van Coolwijk van 10 juni 2025, mede voor akkoord ondertekend door mr. Van Campen
- een journaalbericht van mr. Van Campen van 7 juli 2025
- het rapport van drs. P. den Hertog, RA RV, verbonden aan en optredend namens Solvaid Consultants B.V. in Schoonhoven (hierna: de deskundige) uitgebracht op 21 juli 2025
- de akte nadere uitlating van mr. Van Coolwijk namens de man van 27 oktober 2025
- de akte nadere uitlating van mr. Van Campen namens de vrouw van 28 oktober 2025
- de akte nadere uitlating van mr. Van Coolwijk van 11 november 2025 met producties
- de akte nadere uitlating van mr. Van Campen van 11 november 2025
- een journaalbericht van mr. Van Coolwijk van 9 maart 2026 met producties 48 tot en met 53 ter zake van de draagkracht van de man en producties 54 tot en met 65 die betrekking hebben op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
- een journaalbericht van mr. Van Campen van 12 maart 2026 met producties 76 tot en met 78
- een journaalbericht van mr. Van Campen van 12 maart 2026 met een (procesrechtelijke) toelichting
- een bericht (e-mail) van de griffier van 19 maart 2026 aan mrs. Van Campen en Van Coolwijk
- een journaalbericht van mr. Van Campen van 25 maart 2026.
1.2.
Het hof heeft partijen op de hoogte gesteld van een rechterswissel in verband met het vertrek van mr. M.H.H.A. Moes en partijen in de gelegenheid gesteld een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak te vragen. Partijen hebben een nieuwe mondelinge behandeling verzocht. De mondelinge behandeling heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3.
Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft het hof de beslissing van de rechtbank onder 4.7 vernietigd en de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de man te veroordelen tot het terugstorten van € 17.700 op de spaarrekening van ieder van de kinderen. Verder is aan partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de te benoemen deskundige en het te verrichten deskundigenonderzoek (onder meer over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan de deskundige voor te leggen vragen en de kosten van de deskundige) en is de man toegelaten tot bewijs . Iedere verdere beslissing is aangehouden. Vervolgens is bij beschikking van 17 december 2024 de deskundige benoemd die een rapport heeft gemaakt en zijn getuigen gehoord. Partijen zijn vervolgens nog in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een akte en daarna tot een reactie op de akte van de ander.
1.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2025, onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring, de man veroordeeld om € 172.746 aan de vrouw te betalen als compensatie voor de pensioenaanspraken in eigen beheer die omgezet zijn in een oudedagsverplichting. Beslist is dat betaling in vijf opeenvolgende jaarlijkse termijnen van € 34.549,20 met wettelijke rente moet worden voldaan. Verder is bepaald dat partijen hun eigen proceskosten betalen en zijn de overige verzoeken van partijen afgewezen. De man heeft de eerste termijn inmiddels in 2025 voldaan en de opvolgende vier termijnen moet hij ieder jaar op 1 februari voldoen.
1.5.
De beslissingen die bij het hof (nog) voorliggen gaan over de:
- vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk, te weten over de woning, de rekening-courantschuld en de twee geldleningen (van 18 oktober 2012 en 18 december 2014)
- overeenkomst van 19 augustus 2021 (specifiek de termijn van de gemaakte afspraak)
- alimentatieverzoeken, in het bijzonder de beslissingen over het inkomen van de man voor de vaststelling van zijn draagkracht en de draagkracht van de vrouw.
1.6.
De man heeft zijn verzoeken aangevuld en verzoekt dat het hof bepaalt dat de vrouw gehouden is aan hem te voldoen € 69.547,23 over 2024 en 2025 in verband met teveel betaalde kinder- en partneralimentatie door verrekening met de door de vrouw aan de man verschuldigde bedragen uit hoofde van de als productie 43 overgelegde beschikking, althans een zodanige terugbetaling als het hof juist vindt. Verder, voor het geval het hof van oordeel is dat de man per saldo gehouden is enig bedrag aan de vrouw te voldoen uit hoofde van de vermogensrechtelijke afwikkeling, dat de man gehouden is om deze vordering te voldoen aan de vrouw in jaarlijkse termijnen van maximaal € 75.000 althans een regeling die het hof juist vindt.
1.7.
De vrouw heeft haar verzoeken onder I en II in incidenteel hoger beroep bij journaalbericht van 25 maart 2026 gewijzigd in die zin, dat zij verzoekt dat het hof:
I. bepaalt dat de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van voor [jongmeerderjarige1] : vanaf 8 mei 2024: € 1.724 per maand, voor [minderjarige1] : van 8 mei 2024 tot 1 september 2026: € 1.724 per maand, vanaf 1 september 2026: € 2.339 per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als door uw hof in goede justitie vast stellen.
II. bepaalt dat de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een bijdrage in de
kosten van haar levensonderhoud dient te voldoen van: 8 mei 2024 tot 1 januari 2025 € 2.378 bruto per maand, 1 januari 2025 tot 1 september 2025 € 8.018 bruto per maand, 1 september 2025 tot en met 31 december 2025 € 7.380 bruto per maand, 1 januari 2026 tot 1 september 2026 primair: € 7.380 bruto per maand subsidiair: € 11.266 bruto per maand, 1 september 2026 tot en met 31 december 2026 primair € 7.650 bruto per maand subsidiair: € 11.244 bruto per maand. Vanaf 1 januari 2027 primair: € 7.650 bruto per maand, subsidiair: € 6.106 bruto per maand.
1.8.
Het hof heeft de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk aan zich gehouden, omdat partijen daarom tijdens de mondelinge behandeling van 30 september 2024 hebben verzocht. Het hof wijst in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk/de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden het primaire verzoek van de man in hoger beroep toe en wijst alle verzoeken van de vrouw af. Het hof vernietigt rechtsoverweging 4.4 en 4.5 van de bestreden beschikking en stelt de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw opnieuw en op de hierna te melden wijze vast.

2.De toelichting en de beslissing van het hof

procesrechtelijk
2.1.
Het hof heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling beslist dat het geen bijzondere toelating verleent aan anderen dan partijen en hun advocaten (zie bericht griffier van 19 maart 2026). Dit betekent dat het verzoek van de man om [verzoeker] [naam1] , financieel adviseur van de man, ter zitting toe te laten is afgewezen. De vrouw maakt verder bezwaar tegen de door de man bij journaalbericht van 9 maart 2026 overgelegde producties 54 tot en met 65. Zij voert daartoe aan dat de mondelinge behandeling uitsluitend is bepaald vanwege de rechterswissel en dus niet is bedoeld voor een hervatting of heropening van het inhoudelijke processuele debat; de schriftelijke fase is al volledig afgesloten. Partijen hebben beiden al nadere aktes genomen en op elkaar aktes gereageerd. De producties betreffen stukken die al jarenlang beschikbaar waren en grotendeels betrekking hebben op de periode 2014 tot en met 2019, zodat het niet gaat om recente ontwikkelingen of om stukken die pas na de laatste procesronde beschikbaar zijn gekomen. De man opent dus een nieuwe bewijsronde. Dat is in strijd met het uitgangspunt dat partijen hun stellingen en bewijs zo veel mogelijk geconcentreerd en tijdig naar voren moeten brengen. Dit alles levert strijd op met eisen van een goede procesorde, gelet op de aard en de omvang van de materie. Een zorgvuldige bestudering en inhoudelijke weerlegging van deze nieuwe stukken zijn binnen de resterende termijn tot de zitting feitelijk niet mogelijk.
2.2.
Het hof heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling beslist dat op de hiervoor onder 2.1 genoemde stukken (producties 54 tot en met 65) acht wordt geslagen, omdat deze conform artikel 87 lid 6 Rv Pro en artikel 1.4.5 van het procesreglement verzoekschriftenprocedures familiezaken gerechtshoven tijdig, dus meer dan tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling, zijn overgelegd en deze niet omvangrijk zijn en dus eenvoudig te doorgronden. Ook is mr. Van Campen op zitting in de gelegenheid gesteld op die stukken te reageren. De door mr. Van Campen gestelde rechterswissel maakt dit niet anders en vormt geen reden voor het buiten beschouwing laten van deze stukken.
alimentatieverzoeken
reeds vastgestelde uitgangspunten in het kader van de alimentatieverzoeken
2.3.
De behoefte van de kinderen bedraagt vanaf 2024 € 1.788 per kind per maand (r.o. 3.11 van de beschikking van dit hof van 22 oktober 2024). De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedroeg in 2022 € 15.254,40, geïndexeerd in 2024 € 16.750,98 netto per maand (r.o. 3.13 van diezelfde beschikking). Gelet op haar besteedbaar inkomen van € 3.830 per maand heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 12.920,98 (€ 16.750,98 minus € 3.830) netto per maand (r.o. 3.14 van diezelfde beschikking).
2.4.
Gelet hierop komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het nadien ingenomen standpunt van de vrouw dat zij vindt dat het hof moet terugkomen op de beslissing ten aanzien van de schoolkosten. De vrouw stelt daarmee de behoefte van de kinderen opnieuw ter discussie (nog daargelaten dat partijen over de schoolkosten 2025/2025 afspraken hebben gemaakt). Het hof heeft daar al onderzoek naar gedaan. Dat onderdeel van het onderzoek is gesloten. Datzelfde geldt voor de opnieuw door de vrouw aan de orde gestelde huwelijksgerelateerde behoefte voor partneralimentatie. Het hof ziet ook op dit onderdeel geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Van een juridische of feitelijke misslag is niet gebleken. Bovendien is de stelling van de vrouw, dat het hof het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen over het hoofd heeft gezien, niet juist. Het hof heeft bij tussenbeschikking van 22 oktober 2024 geoordeeld dat het onvoldoende geïnformeerd is over het extra inkomen van de man uit zijn B.V.’s (winst in de B.V.’s of dividend), dus het inkomen dat de man naast het salaris dat hij van de vennootschappen ontvangt (r.o. 3.17). Daartoe is bij tussenbeschikking van 17 december 2024 een deskundigenonderzoek gelast en is in afwachting van de uitkomst van het onderzoek de beslissing over het inkomen van de man voor zijn draagkracht aangehouden. In de tussenbeschikking van 22 oktober 2024 is ook het onderzoek naar het inkomen van de vrouw en haar draagkracht aangehouden en is aan de vrouw de opdracht gegeven om na afronding van het deskundigenonderzoek een jaaropgaaf 2024 en de meest recente loonopgave in het geding te brengen (r.o. 3.24). Het was dan ook niet mogelijk om in die fase van de procedure ieders aandeel in de kosten van de kinderen te berekenen; die berekening betrof destijds een factor in de toekomst, die pas nu ter berekening aan het hof voorligt. Ook de systematiek die de vrouw voorstaat is niet juist. Wanneer het hof in het kader van partneralimentatie een vergelijking maakt wordt onder post 141 ieders aandeel in de kosten van de kinderen ingevuld (en conform de afspraak van partijen ook de schoolkosten) en wordt dit in de vergelijking meegenomen.
de ingangsdatum
2.5.
Niet in geschil is dat de ingangsdatum van de alimentatieverplichtingen de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is (8 mei 2024).
kosten levensonderhoud en woonbudget
2.6.
Het hof rekent bij beide partijen met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van de forfaitaire methode: een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud van respectievelijk € 1.270, € 1.310 en € 1.365 per maand in de jaren 2024, 2025 en 2026 (de kosten voor 2027 zijn uiteraard niet bekend). Het hof rekent in beginsel met een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (nbi) in de verschillende periodes, tenzij sprake is van een tekort aan draagkracht van de ouders gezamenlijk en zijn/haar werkelijke woonlast duurzaam aanmerkelijk lager is dan de forfaitaire woonlast waarmee in de berekening standaard is gerekend. Dat zal het hof hierna beoordelen.
(inkomen/)draagkracht man (grieven 5 tot en met 12 ♂ en grieven 6 tot en met 9 en 13 ♀) deskundigenonderzoek
2.7.
Bij de beschikking van 17 december 2024 heeft het hof drs. P. den Hertog, RA RV, verbonden aan en optredend namens Solvaid Consultants B.V. te Schoonhoven, tot deskundige benoemd. Voor de vragen die het hof aan de deskundige heeft voorgelegd verwijst het hof naar r.o. 3.3. van de beschikking van 17 december 2024. De deskundige heeft de opdracht gekregen om te beoordelen in hoeverre de winst in de vennootschappen redelijkerwijs voor uitkering vatbaar is. Hij moet daarbij rekening houden met artikel 2:216 BW Pro en de daarin vervatte balans- en uitkeringstest. Ook heeft het hof bepaald dat partijen ieder bij helfte het voorschot voor het onderzoek moeten betalen en dat in de eindbeslissing definitief over de kosten van de deskundige zal worden beslist.
De deskundige heeft op 21 juli 2025 een rapport uitgebracht. Het hof volgt voor de beoordeling de bevindingen van de deskundige.
inkomen man
2.8.
Het hof houdt in de periode 2024 tot en met 2025 geen rekening met inkomen uit dividend. Er is al een grote dividenduitkering geweest, dus nogmaals over deze jaren dividend uitkeren is niet mogelijk.
2.9.
Hetzelfde geldt voor 2026. Ook voor dit jaar houdt het hof geen rekening met inkomen uit dividend. Er is sprake van een ophanden zijnde investering in 2026 en een ongebruikelijk hoge crediteurenpositie per einde 2024. De onderneming moet weer gezond worden gemaakt en gezond worden gehouden. Dat betekent ook dat een aflossingsverplichting van de rekening-courantschuld uitgesmeerd over vijf jaren, zoals de vrouw dat voorstelt, niet wenselijk is. Het hof volgt hierin het advies van de deskundige en verwijst naar pagina 30 en 31 van het rapport:
“De directeur/grootaandeelhouder [verzoeker] heeft een schuld in rekening-courant aan de vennootschap van € 908.335 per 31-12-2024. Deze schuld is ontstaan in de afgelopen jaren vanwege privé-opnames die uitgingen boven het netto-salaris van [verzoeker] en met enige regelmaat weer teruggebracht doordat dividenduitkeringen vanuit lttman Holding B.V. met deze schuld werden verrekend. De schuld is aanzienlijk hoger dan de beperking die de belastingdienst stelt in de wetgeving inzake "excessief lenen" van de eigen vennootschap (€ 500.000). Nog los daarvan beschouw ik deze rekening-courantschuld als een schuld die in feite het karakter heeft van opnames uit het Eigen Vermogen van de vennootschap. Om deze rekening-courantschuld te vereffenen ben ik, zoals omschreven in paragraaf 5.4 van dit rapport, uitgegaan van een zodanig bruto-dividend dat het netto-bedrag, na aftrek van belastingen, voldoende is om de rekening­courantschuld te vereffenen. Dat leidt tot een eenmalig bruto-dividend van € 1.310.000, waarover tegen de tarieven van 2025 circa € 402.000 belasting verschuldigd is (€ 196.500 in te houden dividendbelasting en € 205.245 inkomstenbelasting). Op basis van de in de procedure ingenomen standpunten ga ik ervan uit dat de liquiditeit voor deze belastingafdrachten uit de vennootschap zal moeten komen. Ik heb de privé-vermogenspositie van [verzoeker] overigens niet onderzocht omdat dat buiten de vraagstelling aan mij valt.
Ik merk op dat op 25 maart 2025 reeds een dividendbesluit is genomen voor een bruto-dividend van € 870.000; in mijn analyse ga ik er vanuit dat nog aanvullend
€ 440.000 dient te worden uitgekeerd om de rekening-courantschuld van [verzoeker] volledig te kunnen vereffenen. Deze dividenduitkering past binnen de uitkeerbare Algemene Reserve naar haar stand per 31-12-2024. Na deze dividenduitkering van € 1.310.000 resteren nog liquiditeiten in de vennootschappen: per 31 december 2024 bedroegen de liquiditeiten (geconsolideerd) € 851.000. De hierboven genoemde belastingen in verband met de dividenduitkering komen hierop in mindering zodat, zonder rekening te houden met resultaten over 2025, een bedrag aan liquiditeiten resteert van € 449.000 (€ 851.000 minus € 402.000). Deze liquiditeiten zijn echter naar mijn mening thans niet uitkeerbaar vanwege i) de ophanden zijnde investeringen in 2026 en ii) het feit dat de crediteurenpositie per einde 2024 ongebruikelijk hoog is en naar een normaal niveau moet worden teruggebracht.”
Als bij de jaarrekening van 2026 blijkt dat dit anders is gegaan en dat er ruimte is voor dividenduitkering, dan kan dit een wijziging van omstandigheden opleveren. Op dit moment is daartoe te weinig een concrete aanwijzing.
2.10.
Vanaf 2027 houdt het hof rekening met een inkomen uit dividend en wel met een dividenduitkering van € 189.000. Het hof volgt ook hierin het advies van de deskundige die met ingang van 2027 een jaarlijks dividend begroot van € 189.000.
“Om inzicht te krijgen in de uitkeringsruimte voor de komende jaren heb ik balansprognoses uitgewerkt (geconsolideerd) alsmede overzichten van de begrote stand van de liquiditeiten per jaareinde 2025, 2026 en 2027. Een en ander is uitgewerkt in paragraaf 5.4 van deze rapportage. Op grond van die ben ik van mening dat:
> Per jaareinde 2026 een dividenduitkering, na realisatie van de investeringen en uitgaande van de veronderstelling dat in 2025 een totaal bruto-dividend wordt uitgekeerd van € 1.310.000, een eenmalig bruto-dividend van € 285.000 kan worden uitgekeerd; na die uitkering bedraagt het begrote Eigen Vermogen per ultimo 2026 nog circa € 187.000 en de liquiditeitsbuffer € 70.000. Zoals in paragraaf 5.4 uiteengezet blijft de onderneming dan naar verwachting in staat om vanuit haar kortlopende vorderingen + liquiditeiten aan haar kortlopende verplichtingen te voldoen en blijft de Quick Ratio (dus) boven het cijfer 1.
> Met ingang van 2027 een jaarlijks dividend kan worden uitgekeerd ter grootte van de netto-winsten van Ittman Holding B.V. (in 2027 begroot op € 189.000); weliswaar is de positieve mutatie in de liquiditeiten in 2027 hoger dan de nettowinst door de afschrijvingen, maar aangezien de onderneming haar investeringen steeds uit eigen middelen financiert en Pearle tevens voorschrijft dat voor toekomstige herinrichting een reservering dient te worden getroffen ben ik van mening dat de afschrijvingen intern dienen te worden "gespaard" en niet kunnen worden uitgekeerd. In feite betekent dit dat ik ervan uitga dat het Eigen Vermogen zal stabiliseren op een niveau van € 187.000 (de stand per 31-12-2026 na uitkering van het bovengenoemde bruto-dividend van € 285.000) en dat de liquiditeiten zullen oplopen omdat er weer "gespaard" wordt voor toekomstige investeringen.”
De verwachting van de deskundige is dat de onderneming per jaareinde 2026 in staat is om vanuit haar kortlopende vorderingen en liquiditeiten aan haar kortlopende verplichtingen te voldoen en dat de Quick Ratio dus boven het cijfer 1 blijft (zie bladzijde 31 van het rapport en ook de verwijzing naar paragraaf 5.4 van het rapport). Onverminderd geldt, zoals hiervoor is overwogen, dat de onderneming gezond moet blijven.
berekeningen in het kader van kinder- en partneralimentatie in drie periodes
2.11.
Vorenstaande betekent dat het hof in
drie periodesrekent.
De periode met ingang van 8 mei 2024 (periode I). In deze periode houdt het hof rekening met een inkomen van € 128.800 en met een premie AOV van € 9.417, beide op jaarbasis. De man heeft op grond van deze cijfers een netto besteedbaar inkomen van € 5.495 per maand. Verder houdt het hof rekening met de schoolkosten van € 1.000 per maand (onder post 141).
De periode met ingang van 6 maart 2025 (periode II).In deze periode houdt het hof rekening met een inkomen van € 128.800 en met een premie AOV van € 9.417, beide op jaarbasis. De man heeft op grond van deze cijfers een netto besteedbaar inkomen van € 5.516 per maand. Verder houdt hof aan de lastenkant rekening met een schuld van € 3.257 per maand (zie beschikking rechtbank van 6 maart 2025 ter zake van betaling aan de vrouw als compensatie voor pensioenaanspraken). Deze last is niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar. Tot slot houdt het hof conform de door partijen gemaakte afspraken onder post 141 rekening met de schoolkosten van € 1.399 per maand (zie brief van 10 juni 2025, door de advocaten ondertekend voor akkoord).
De periode met ingang van 2027 (periode III).In deze periode rekent het hof met het inkomen van € 128.800, een dividend uitkering van € 189.000 en een AOV premie van € 10.063 op jaarbasis. De inkomsten uit aanmerkelijk belang zijn belast in box 2. Het hof houdt ook rekening met het feit dat de man een fiscaal partner heeft en houdt dus rekening met tweemaal het tarief in box 2.
De man heeft op basis van deze cijfers een netto besteedbaar inkomen van € 17.151 per maand. Ook hier houdt het hof aan de lastenkant rekening met de niet vermijdbare niet verwijtbare last van € 3.257 per maand (op dezelfde grondslag als hiervoor in periode II) en onder post 141 met de schoolkosten die door de vrouw zijn gespecificeerd in haar akte van 28 oktober 2025 (zie randnummer 16) voor schooljaar 2026/2027 voor [jongmeerderjarige1] van € 9.168 en voor [minderjarige1] € 8.318, dus totaal € 17.486, per maand € 1.457. Het hof gaat ervan uit dat de man ook voor schooljaar 2026/2027 die kosten nog voor zijn rekening neemt en zal dat als een verstaansverplichting in de beslissing opnemen.
In alle drie de periodeshoudt het hof steeds rekening met een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud. In periode I met € 1.270, periode II € 1.310 en periode III € 1.365, steeds per maand. De man houdt rekening met een percentage zorgkorting van 5. Daarover bestaat geen geschil, zodat het hof ook dit percentage zal hanteren.
inkomen vrouw ten behoeve van draagkracht (grieven 10 en 11 ♀)
2.12
Voor 2024 en 2025 gaat het hof uit van een jaarinkomen van € 70.471 (conform jaaropgaaf 2024) en voor 2027 van een jaarinkomen van € 71.478 (jaaropgaaf 2025). Dit levert in periode I een besteedbaar maandinkomen op van € 4.610 voor kinderalimentatie, in periode II € 4.701 en in periode III € 4.759.
maandlasten (levensonderhoud, woonbudget en advocaatkosten)
2.13.
Aan de zijde van de vrouw rekent het hof met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van forfaits en verwijst voor die cijfers naar r.o. 2.11. (zie hiervoor bij de man). Het hof ziet wat betreft de woonlast geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire benadering van het woonbudget en wijst het verzoek van de vrouw om uit te gaan van haar feitelijke woonlast van € 1.725 af.
2.14.
De vrouw stelt verder dat rekening moet worden gehouden met de advocaatkosten die zij voor deze procedure maakt. Een overzicht van betalingen is niet overgelegd. Met kosten voor bijstand van een advocaat kan op grond van het rapport Alimentatienormen rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen, mits deze kosten niet als vermijdbaar en verwijtbaar zijn te beschouwen. Naar het oordeel van het hof zijn de advocaatkosten niet als vermijdbaar en verwijtbaar te beschouwen. Dat de vrouw, zoals de man stelt, spaargeld kan aanwenden, is niet gebleken. Ook de door de man gesuggereerde gelden uit verkoop van de Range Rover leiden niet tot een ander oordeel, nu de man eerder heeft gesteld hij de Range Rover aan de vrouw heeft geleverd en dat partijen zijn overeengekomen dat zij de Range Rover zou verkopen en de opbrengst voor levensonderhoud zou gebruiken. Het hof vindt het redelijk om rekening te houden met de advocaatkosten die de vrouw maakt door het draagkrachtloos inkomen te verhogen met een bedrag van € 125,- per maand.
conclusie in drie periodes
2.15.
In periode Iis er een tekort aan gezamenlijke draagkracht (draagkracht man € 1.995 en draagkracht vrouw € 1.282, totaal € 3.277) om in de kosten van de kinderen (behoefte van € 1.788 per kind per maand) te voorzien. Het hof wijkt af van de forfaitaire benadering voor het woonbudget en houdt rekening met de door de vrouw gestelde woonlast van de man van € 1.375 per maand. In deze periode is het aandeel van de man minus zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht € 983 per kind per maand. Dit bedrag is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal worden toegewezen. In deze periode resteert geen draagkracht voor partneralimentatie. (zie aangehechte berekeningen).
2.16.
In periode IIis er een tekort aan gezamenlijke draagkracht (draagkracht man € 0 en draagkracht vrouw € 1.299) om in de kosten van de kinderen (behoefte geïndexeerd per 2025 en afgerond op € 1.904 per kind per maand) te voorzien. Het hof heeft bij deze berekening rekening gehouden met een woonlast van de man van € 1.375 per maand. Er resteert geen draagkracht voor betaling van kinder- en partneralimentatie. (zie aangehechte berekeningen). Het hof zal de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil stellen. (zie aangehechte berekeningen).
2.17.
In periode IIIis de gezamenlijke draagkracht (draagkracht man € 5.169 en draagkracht vrouw € 1.289) genoeg om in de kosten van de kinderen (behoefte geïndexeerd per 2026 en afgerond op € 1.991 per kind per maand) te voorzien. De gezamenlijke draagkracht bedraagt € 6.458 per maand. In deze periode heeft het hof rekening gehouden met het forfaitaire woonbudget, omdat er geen tekort aan draagkracht voor kinderalimentatie is. Het aandeel van de man na aftrek zorgkorting bedraagt € 1.494 per kind per maand. Dit bedrag is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal worden toegewezen. Ook in deze periode resteert geen draagkracht voor partneralimentatie. (zie aangehechte berekeningen).
2.18.
Met inachtneming van het voorgaande zal het hof de door de vrouw verzochte bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud afwijzen.
2.19.
De vrouw stelt dat het hof geen alimentatie voor [jongmeerderjarige1] voor het tijdvak na haar 18e verjaardag kan vaststellen. Dit is niet juist. De door het hof vast te stellen kinderalimentatie wordt automatisch omgezet in een bijdrage voor levensonderhoud en studie zodra een kind de leeftijd van 18 bereikt. Vanaf dat moment wordt de ouderlijke bijdrage door [jongmeerderjarige1] zelf ontvangen.
terugbetaling
2.20.
De man stelt dat het hof rekening moet houden met de al betaalde bedragen en een terugbetalingsverplichting vaststellen. De vrouw voert verweer.
2.21.
Indien een alimentatieprocedure leidt tot een verlaging van de alimentatieverplichting met terugwerkende kracht, dan kan dit in beginsel leiden tot een op de alimentatiegerechtigde rustende terugbetalingsverplichting, als al aan die verplichting is voldaan. In de praktijk zal teveel betaalde alimentatie doorgaans al zijn besteed aan kosten van levensonderhoud. Om die reden dient de feitenrechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad behoedzaam om te gaan met wijziging van de alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. Op grond van deze vaste jurisprudentie dient de feitenrechter tevens na te gaan of terugbetaling van het teveel betaalde in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde kan worden verlangd. Is dat laatste volgens de feitenrechter het geval dan dient deze daarover in de motivering van zijn uitspraak verantwoording af te leggen.
2.22.
De vrouw heeft niet geheel in haar eigen levensonderhoud (‘behoefte’) kunnen voorzien en kan dat nog steeds niet. De te veel betaalde partneralimentatie is niet boven de aanvullende (gebruteerde) behoefte van de vrouw betaald. Het hof is van oordeel dat in dit geval in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij het te veel ontvangene aan de man terugbetaalt. Het is niet gebleken dat de vrouw over vermogen beschikt en het betaalde bedrag past, zoals hiervoor al is geconstateerd, binnen de behoefte die de vrouw heeft. Hetzelfde geldt voor de teveel betaalde kinderalimentatie. Het hof wijst het verzoek van de man tot terugbetaling af.
Vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk
rekening-courantschuld en leningen in 2012 en 2014 (grieven 14 tot en met 18 ♂ en grief 14 ♀) overeenkomst van 19 augustus 2021 (grief 15 ♀)
2.23.
De man heeft concreet bewijs aangeboden van zijn stelling dat partijen geld hebben geleend bij zijn holding om investeringen in de woning in Laren te betalen en dat deze leningen na verkoop van de woning met instemming van de vrouw uit de netto-verkoopopbrengst zijn terugbetaald en de rekening-courantschuld met deze gelden is verlaagd. Het hof heeft de man tot bewijs van zijn stelling toegelaten. Verder is de man tot bewijslevering toegelaten ter zake van de door partijen gemaakte afspraak die op 19 augustus 2021 is vastgelegd en wel zijn stelling dat de afspraak voor een bepaalde periode gold en wel voor de periode van vier maanden (september tot en met december 2021).
2.24.
Het hof heeft alle beslissingen die hiermee samenhangen, zoals de beslissing met betrekking tot de rekening-courantschuld, de draagplicht daarvoor en ook voor wat betreft het bestaan van en de draagplicht voor de leningen uit 2012 en 2014, aangehouden. Zo ook de beslissing over de overeenkomst van 19 augustus 2021.
2.25.
Het getuigenverhoor, waarin als getuigen zijn gehoord: de vrouw (partijgetuige), [naam3] beheerder familieholding, [naam1] , administrateur en [naam4] , advocaat, heeft op 25 maart 2025 plaatsgevonden. Op 7 juli 2025 heeft mr. Van Campen namens de vrouw laten weten dat de vrouw afziet van tegengetuigenverhoor.
2.26.
Naar het oordeel van het hof is de man geslaagd in zijn bewijs dat partijen geld hebben geleend bij zijn holding om investeringen in de woning in Laren te betalen en dat deze leningen na verkoop van de woning met instemming van de vrouw uit de netto verkoopopbrengst zijn terugbetaald en de rekening-courantschuld met deze gelden is verlaagd. De getuigen [naam3] en [naam1] bevestigen de lezing van de man.
2.27.
De getuige [naam3] accountant van de man en van de BV’s van de man in de periode 2003/2004 tot omstreeks 2016/2017 verklaart op de vraag van de raadsheer-commissaris of hij bekend is met de leningen die Ittman Holding B.V. op 18 oktober 2012 van € 400.000 en die van 18 december 2014 van € 234.900 heeft uitgeleend en aan wie deze bedragen zijn uitgeleend:

In algemene zin wel. Ik weet dat Ittman Holding B.V. veel geld geleend heeft aan [verzoeker] en [verweerster] .” (…) “Aan [verzoeker] en [verweerster].”
Op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe hij weet dat de leningen aan beiden is geleend verklaart hij:

Het was ten tijde van dat de woning is aangekocht in Laren aan de [straatnaam] . Er is bij aankoop van de woning aan de [straatnaam] een offerte voor een lening gekomen van een bankier, die was aan beiden gesteld. De notariële akte van hypotheek was geloof ik ook op beider naam gesteld. Ik kan in hoofdlijnen zeggen dat de hypotheek destijds op beider naam is verstrekt en dat aanvullend veel geld is geleend uit Ittman Holding B.V., aan beiden om het huis tot een topniveau inrichting te krijgen.”
Op de vraag van de raadsheer-commissaris of hij daar nog meer over kan verklaren, verklaart hij:

Doordat er excessief werd geleend uit Ittman Holding B.V. ontstonden er ook problemen. In de zin dat de vorderingen op de familie, door de uitgaven ten behoeve van de woning en het dagelijks levensonderhoud sterk groeiden, er werd meer uitgegeven dan er aan salarissen werd genoten. Dat moet gecompenseerd worden met dividend, maar dat kent ook spelregels. Je hebt een uitkeringstest en dat soort zaken. Ittman Holding B.V. had een hele grote vordering op de familie. Met de familie bedoel ik [verweerster] en [verzoeker] .
Vervolgens vraagt de raadsheer-commissaris of de getuige weet of de leningen uit 2012 en 2014 ooit zijn afbetaald. Daarop verklaart de getuige:

Wij hebben aflossingsschema’s opgesteld voor de middelen uit de geldleningen van Ittman Holding B.V. Voor de rekening courant schuld is geen aflossingsschema gemaakt. Als je schulden hebt aan je vennootschap los je dat op door een deel van je salaris terug te storten, of door dividenduitkeringen of door het winnen van de loterij. Ittman Holding B.V. had de rol van bankier. Er werd niet alleen in de vorm van leningen geld van Ittman Holding B.V. verkregen, maar er waren ook andere onttrekkingen die werden geboekt in rekening courant. Toen onze zakelijke relatie werd verbroken waren de leningen nog niet afgelost.”
Verder verklaart de getuige:
“(…) Ik denk dat er destijds een recht van hypotheek is verstrekt. Het eigen vermogen van Ittman Holding B.V. is het saldo van bezittingen en schulden. Het eigen vermogen was een paar miljoen, en de schuld aan de familie was ook een paar miljoen. Er was een complete disbalans.”
Aan de getuige zijn de twee onderhandse akten getiteld leningsovereenkomst die als productie 15 bij het beroepschrift zijn overgelegd getoond en mr. Van Coolwijk stelt de vraag of de getuige deze stukken eerder heeft gezien. De getuige verklaart:

Ja, ik vermoed zelfs dat ze via mijn kantoor tot stand zijn gekomen.”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of de getuige zich kan herinneren of beide partijen deze stukken hebben getekend, verklaart de getuige:

Ik denk dat zij beiden dit getekend hebben binnen een gesprek van het oplossen van de financiële problemen. (…)
Vervolgens vraagt mr. Van Coolwijk wat de getuige bedoelt met dat er een complete disbalans was. De getuige verklaart:

Ik bedoel daarmee dat toen de [straatnaam] gekocht werd, toen vroeg [verzoeker] omdat ik zijn vertrouwenspersoon was en dat ging redelijk ver, wat ik vond van de aankoop en van de verbouwing. Dat leek mij prima. Er is toen gesproken over het budget dat beschikbaar was voor de verbouwing en de inrichting. Dat is compleet uit de hand gelopen en daardoor zijn de schulden van [verzoeker] en [verweerster] richting Ittman Holding B.V. erg groot geworden en is de disbalans ontstaan. Ik bedoel daarmee, dat als [verzoeker] en [verweerster] niet in staat zouden zijn om de vordering te voldoen dan kom je erg in de sfeer van een faillissement.”
Vervolgens op de vraag van mr. Van Coolwijk of dit met [verweerster] is besproken verklaart de getuige:

Jazeker. Het waren altijd gezamenlijke besprekingen met [verweerster] en [verzoeker] , uitzonderingen daar gelaten. De financiële situatie en de financiële problemen werden dan besproken.”
Verder verklaart de getuige:

Dat Ittman Holding B.V. in een gevaarlijke financiële situatie zou belanden vanwege de torenhoge vordering op [verweerster] en [verzoeker].”
De getuige verklaart op de vraag van mr. Van Coolwijk of ook de jaarrekening van Ittman Holding B.V. in de jaren van zijn betrokkenheid met [verzoeker] en [verweerster] heeft besproken:

De laatste jaren werd alles met elkaar besproken, dus met [verweerster] en [verzoeker] . Ook plannen om franchising op te zetten binnen het bedrijf, om andere winkels te runnen onder toeziend oog van beiden, dat werd besproken.”
Op de vraag wat hij bedoelt met de laatste jaren antwoordt hij:

Na verkoop van de eerdere woning van [verzoeker] en na aankoop van de woning aan de [straatnaam] kwamen [verzoeker] en [verweerster] steeds vaker samen op kantoor. Bij essentiële besprekingen waren zij altijd samen.”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of [verweerster] op de hoogte was van het reilen en zeilen van Ittman Holding B.V. verklaart de getuige:

Absoluut.
En op de vraag van mr. Van Coolwijk of met de getuige is gesproken over wat zou gebeuren als de woning verkocht zou worden, verklaart hij:

Het was volstrekt duidelijk dat bij verkoop eerst de bank afgelost zou moeten worden en dat de rest van de middelen naar Ittman Holding B.V. terug zou moeten vloeien. Op grond van de leningsovereenkomst en afspraken.”
Ook verklaart hij:

Dat lijkt mij een essentiële bespreking dus daar was [verweerster] bij. Het is op enig moment met [verweerster] besproken. [verweerster] was volstrekt overal bij aanwezig, sterker nog ze had hele uitgesproken ideeën over de bedrijfsvoering. Als de stelling is dat zij niets wist dan is dat feitelijk niet zo.”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of [verweerster] tijdens het bespreken een andere visie kenbaar heeft gemaakt op het punt dat alle middelen zouden moeten terugvloeien naar Ittman Holding B.V. als de woning zou worden verkocht, verklaart de getuige:
“Nee. Het was volstrekt helder dat de middelen terug moesten naar Ittman Holding B.V.”
De getuige verklaart voorts op de vraag van de rechter-commissaris of dit ook de wil van [verweerster] was:

Daar heb ik geen flauw idee van. Er was geen keuze wat mij betreft, het moest terug dat vroeg de situatie.”
Verder verklaart hij: “
Alle schulden zouden terugbetaald moeten worden. De middelen die vrij zouden komen bij verkoop daarvan waren denk ik niet toereikend om de schulden aan Ittman Holding B.V. terug te betalen. De netto opbrengst na aflossing van de hypotheekschuld aan de bank moest gebruikt worden voor het betalen van de schulden aan Ittman Holding B.V. en dan zou er nog een schuld overblijven.
Mr. Van Coolwijk vraagt aan de getuige wat hij onder overwaarde verstaat en de getuige verklaart:

Heel simpel, de verkoopopbrengst minus de daarop rustende schulden. Met schulden bedoel ik schulden aangegaan ter verwerving of verbouwing van de woning.”
Verder verklaart hij:

[verweerster] had een zeer exquise smaak, dat gaat gepaard met hoge kosten en investeringen. Niet met € 50.000 maar met honderdduizenden euro’s is de begroting overschreden.”

Dat zijn meerdere tonnen geweest.”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of [verweerster] daarvan op de hoogte was verklaart de getuige:

[verweerster] gaf het uit.”
Vervolgens vraagt mr. Van Coolwijk op wiens initiatief werd het geld uitgegeven en ook of [verweerster] de offertes zag. De getuige verklaart:

[verweerster].” En “
Ja.”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of [verweerster] op de hoogte was van de hele financiële situatie rond de verkoop en verbouwing van de woning, verklaart de getuige:

Ja zeker.”
Tot slot verklaart de getuige op de vraag van mr. Van Coolwijk of er nog andere zaken van belang zijn ten aanzien van de aankoop en verbouwing van de woning:

De familie was voor ons een serieus probleem. Er waren een aantal leuke en goedlopende winkels. Je kunt niet meer uitgeven dan er binnenkomt. Dit is de oorzaak van de disbalans. Als je structureel teveel geld uitgeeft dan heb je continu een geldprobleem. Mr. Van Coolwijk dat kan ik u nogmaals bevestigen. Er was een gat in de hand van [verweerster] , zij gaf het geld uit en [verzoeker] greep niet in.”
2.28.
De getuige [naam1] , administrateur bij het kantoor dat de zaken van Ittman Holding B.V. en van de man behartigt en in het verleden ook de zaken van de vrouw, verklaart op de vraag van de raadsheer-commissaris welke zaken hij concreet voor hen behartigt:

De administratie, fiscale aangiften, de jaarrekeningen en alle adviseringen.”
De getuige verklaart op de vraag van de raadsheer-commissaris wat hij kan verklaren over de netto opbrengst van de verkoop en levering van de woning van partijen in Laren op 10 oktober 2018, waarbij de rechter-commissaris verduidelijkt dat hij met netto opbrengst bedoelt het geld dat na verkoop over was nadat de hypothecaire lening bij de ABN Amro bank was afgelost:

Het was de bedoeling dat het geld dat overbleef naar Ittman Holding B.V. zou gaan. [verzoeker] en [verweerster] hadden ernstige schulden aan Ittman Holding B.V. Ik heb nog teruggekeken, uiteindelijk is daar € 750.000 teruggestort in Ittman Holding B.V. De rest is in privé gebleven, af en toe zijn er wel eens bedragen naar Ittman Holding B.V. gestort maar dat is een ratatouille aan heel veel overboekingen.”
Op de vraag wanneer die € 750.000 is teruggestort verklaart hij:

Redelijk snel na de verkoop.
Verder verklaart hij:

De verkoop van een huis is in beginsel een privé aangelegenheid. Daar komt een aflossing bij van de hypotheek. Het restant wordt overgemaakt naar een privé rekening. In de concrete zaak weet ik niet naar welke privé rekening, ik heb geen zicht op de privé rekeningen gehad. Dat heb ik ook nooit geweten.”
Op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe hij weet dat het [geld] op een privé rekening is gestort, verklaart hij:

De notaris stort het geld altijd op de rekening van wie de woning was.”
De getuige verklaart op de vraag van de raadsheer-commissaris of met die opbrengst schulden uit geldlening aan Ittman Holding B.V. zijn betaald:

Ja die schulden zijn afgelost en afgeboekt.”
Op de vraag of de getuige weet welke schulden uit geldlening dat zijn geweest, verklaart hij:

Er waren drie schulden. Een hypothecaire lening, die stond altijd in de jaarrekening van mijn voorganger de [naam5] als hypothecaire geldlening verantwoord. Die lening was iets meer dan € 600.000. Er was een consumptieve lening van € 800.000 en er was een rekening courant schuld van € 1.400.000. De schulden in totaal waren € 2.800.000.”
De raadsheer-commissaris vraagt op wie Ittman Holding B.V. de vordering die verband hield met de hypothecaire geldlening van iets meer dan € 600.000 had/wie de schuldenaren waren. De getuige verklaart:

De eigenaar van het huis. Ik weet niet of [verzoeker] en [verweerster] gezamenlijk eigenaar van de woning waren. In de aangifte IB werd dit als gezamenlijk vermogen opgegeven. Ik ben niet betrokken geweest bij de aankoop en financiering van de woning.”
Op de vraag hoe hij weet dat de schuldenaar of schuldenaren de eigenaar van de woning zijn verklaart de getuige:

Het stond zo in de jaarrekening van [naam5] verantwoord en zo hebben [verzoeker] en [verweerster] dat ook aan mij bevestigd.”
Op de vraag wat zij aan de getuige hebben bevestigd, verklaart de getuige:

Dat zij die schulden hadden aan Ittman Holding B.V.”
Op de vraag of hij daarmee bedoelt dat zij samen die schuld aan Ittman Holding B.V. hadden, verklaart de getuige:

Ja.
De getuige verklaart op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe ze dat tegen hem hebben gezegd:

Persoonlijk.” En ook op de vraag wanneer “
Dat is op diverse tijdstippen geweest.”
De vraag van de raadsheer-commissaris op welke manier dat is gezegd:

De schulden waren de reden dat ze naar mijn kantoor zijn gekomen en klant zijn geworden.”
Op de vraag van de raadsheer-commissaris jegens wie de vordering in rekening-courant was, verklaart de getuige:

Balanstechnisch gezien wordt zo een vordering meestal gezet op de DGA en dat was [verzoeker] . Daar zijn nooit overeenkomsten van gemaakt.
Op de vraag van de raadsheer-commissaris of ook [verweerster] juridisch schuldenaar was verklaart de getuige:

Daar hebben wij het nooit over gehad. Er is gezegd: het is onze schuld en daar moeten we een oplossing voor vinden.”
De getuige verklaart op de vraag van mr. Van Coolwijk met wie hij sinds begin 2018 de gesprekken voerde en hoe vaak hij partijen heeft ontmoet:

Met beiden.” “
Het eerste jaar was dat redelijk veel, een keer of vijf.”
In antwoord op de vraag van mr. Van Coolwijk of in dat overleg ook is gesproken over de verkoop van de woning aan de [straatnaam] , verklaart de getuige:

Ja dat kwam redelijk snel. Een van de eerste dingen die ik graag in kaart wou krijgen was waar gaat het geld nou naartoe. Het was duidelijk dat er veel te ruim geleefd werd. [verweerster] en [verzoeker] hebben toen een overzicht gemaakt, dat is in februari 2018 geweest. Toen kwamen ze al met het plan om het huis te verkopen en te verhuizen naar Spanje.
En op de vraag van mr. Van Coolwijk of er voorafgaand aan de verkoop is besproken wat er zou gebeuren met de verkoopopbrengst verklaart de getuige:

Ja, dat is duidelijk besproken. Ik heb een Excel overzicht naar beiden gestuurd met een hele uitleg hoe ik de oplossing zag om zoveel mogelijk schulden aan Ittman Holding B.V. af te lossen en het probleem op te lossen. Daarbij had ik geadviseerd om de hele opbrengst na aflossing van de bank naar Ittman Holding B.V. over te maken en een dividend uitkering te doen vanuit Ittman Holding B.V. en zo de schuld terug te brengen tot ongeveer € 400.000.”
Mr. Van Coolwijk vraagt of dat met beide partijen is besproken en de getuige verklaart:

Ja. Dit was in het voorjaar van 2018.”
Mr. Van Coolwijk vraagt of beide partijen instemden met verkoop en getuige verklaart daarop:

Ze waren het er beiden mee eens dat de woning verkocht moest worden. Ze waren het er ook beiden mee eens dat de verkoopopbrengst naar Ittman Holding B.V. moest gaan.
De getuige verklaart op de vraag van mr. Van Coolwijk of [verweerster] aan getuige heeft bevestigd dat zij akkoord was met het aanwenden van de verkoopopbrengst:

Niet per mail maar wel in persoon. Het was hun eigen idee.”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of [verweerster] nog iets heeft gezegd over een afrekening of dat zij een voorbehoud heeft gemaakt, verklaart de getuige:

Nee daar is niet over gesproken.”
Mr. Van Coolwijk vraagt hoe de aflossing van € 750.000 boekhoudkundig is verwerkt en ook vraagt hij met wie de getuige de jaarrekeningen van Ittman Holding B.V. in de periode van 2018 tot 2021 besprak. De getuige verklaart achtereenvolgens:

Die is afgeboekt op de schulden. Daarmee bedoel ik op de vordering van Ittman Holding B.V.” “
Met [verweerster] en [verzoeker].”
Op de vraag van mr. Van Coolwijk of in de jaarrekening ook de rekening-courantschuld en alle andere schulden stonden vermeld, verklaart hij:

Ja.”
Tot slot verklaart de getuige op de vraag van mr. Van Coolwijk of de getuige de schulden met partijen heeft doorgenomen tijdens de bespreking en of beide partijen op de hoogte waren van de finnanciele situatie van Ittman Holding B.V. :

Ja op beide vragen.
2.29.
De vrouw heeft alles wat door de getuigen aan de zijde van de man is verklaard niet kunnen ontkrachten. Op concrete vragen van de raadsheer-commissaris over de totstandkoming van de leningen en de afspraak over de aflossing daarvan verklaart de vrouw herhaaldelijk “
Dat weet ik niet.”
Uit de door de man overgelegde e-mails in producties 54, 56, 57, 58, 61 en 63, overgelegd bij journaalbericht van 9 maart 2026, blijkt daarnaast ook dat de vrouw wel degelijk op de hoogte was van de leningen en de afspraken over aflossing daarvan.
Dit alles leidt tot de conclusie dat het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat zij niet draagplichtig is voor de rekening-courantschuld van de man aan zijn personal holding, Ittmann Holding B.V., moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor haar verzoek om de man te veroordelen tot betaling aan haar van € 563.329,78. Dat betekent ook dat het verzoek van de man dat partijen de huwelijkse voorwaarden hebben afgewikkeld moet worden toegewezen.
2.30.
Het hof is van oordeel dat de man ook in zijn bewijs (ter zake van bevrijdend verweer) wat betreft de overeenkomst van 19 augustus 2021 is geslaagd. De getuige [naam4] bevestigt de lezing van de man. Zij heeft op de vraag van de raadsheer-commissaris of ter zake van de door partijen gemaakte afspraak dat de man € 7.000 aan de vrouw zou betalen als kosten van de huishouding, ook een afspraak is gemaakt over de periode dat hij die verplichting zou hebben, het volgende verklaard:
“Jazeker. De periode liep vanaf het moment dat [verweerster] de echtelijke woning zou verlaten tot en met 31 december 2021.”
Vervolgens heeft zij op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe zij dat weet, verklaard:
“Ik was daarbij aanwezig en heb met [verzoeker] in ons voorgesprek een tijdelijke regeling besproken.”
In antwoord op de vraag van mr. Van Coolwijk of er over de periode na 1 januari 2022 een afspraak tussen partijen is gemaakt heeft de getuige verklaard:
“Nee.”
De vrouw heeft afgezien van tegenbewijs. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van € 54.000 aan de vrouw uit hoofde van de overeenkomst van partijen van 19 augustus 2021 moet worden afgewezen.
conclusie
2.31.
Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft het hof al een beslissing genomen over de grieven 1 tot en met 4, 10, 11 en 13 van de man en ook over de grieven 1 tot en met 5 en grief 12 van de vrouw. De grieven 5 tot en met 9, 12 en 14 tot en met 18 van de man slagen en grieven 6 tot en met 11 en 13 tot en met 15 van de vrouw falen.
2.32.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk en de kinder- en partneralimentatie betreft.

3.De beslissing

Het hof:
3.1.
vernietigt de beslissing onder 4.4 en 4.5 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024 en beslist opnieuw:
3.2.
wijst het verzoek van de vrouw ter zake van door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (8 mei 2024) te betalen bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud af;
3.3.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (8 mei 2024) tot 6 maart 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige1] en [minderjarige1] € 983 per kind per maand zal betalen;
3.4.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige1] en [minderjarige1] met ingang van 6 maart 2025 tot 1 januari 2027 op nihil (voor [jongmeerderjarige1] vanaf 13 april 2026 van rechtswege omgezet naar de kosten van levensonderhoud en studie);
3.5.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2027 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] € 1.494 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.6.
verstaat dat de man de kosten voor het schooljaar 2026/2027 voor zijn rekening neemt;
3.7.
bepaalt dat de vrouw de teveel ontvangen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en in de kosten van haar levensonderhoud niet aan de man hoeft terug te betalen;
3.8.
bepaalt dat ieder van partijen de helft van de kosten van de deskundige van € 16.207,95 voor zijn/haar rekening neemt;
3.9.
verklaart voor recht dat partijen de huwelijkse voorwaarden hebben afgewikkeld en zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en wijst alle andere verzoeken die zijn gedaan met het oog op deze afwikkeling en bij het hof nog in het geding waren af;
3.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.11.
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
3.12.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en L Hamer, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.